Stories from Deli

chinese coolies life in Deli

DELI PLANTER

INLEIDING
Met dit boek heb ik beoogd een getrouw beeld te geven van het lief en het leed in mijn 15-jarige plantersloopbaan ondervonden.
Zooveel mogelijk heb ik getracht geen verkeerde voorstellingen te wekken omtrent het leven in de tropen, daar ten onrechte enkele uitzonderingsgevallen tot generaliseeren zouden kunnen leiden.
In het plantersleven is de strijd om het bestaan hard. Velen kunnen niet het hoofd bieden aan de tergende eenzaamheid en meenen met alcohol hun lot te kunnen verzachten, althans hun moeiten voor eenige uren te vergeten.
Anderen blijken niet opgewassen te zijn tegen de vele teleurstellingen, welke den planter nu eenmaal onvermijdelijk wachten.
Hoofdzakelijk vinden’deze teleurstellingen haar oorzaak in de grootelijks opgeschroefde verhalen over salarissen en tantièmes. „Deli”… „Goudland”\ Het land van onbegrensde mogelijkheden!
Zeker, er zijn goede jaren geweest, waarin de hoogconjunctuur kwistig den hoorn des overvloeds over Sumatra’s cultuurlanden heeft uitgestort.
Enorme kapitalen zijn verdiend en… verknoeid.
De villa’s „Oentoeng Besar” of „Nasip Baik” getuigen van groote weelde. De bewoners waren destijds harde werkers, die echter bij hun energie en volharding, lot en omstandigheden mee hadden.
Een villa, genaamd „Gagak Poeti” d.i. „Witte Raaf” zag ik echter nimmer. Hoe weinigen van de zwoegers bereikten het ideaal waarmee zij hun Deli-loopbaan aanvingen?
De meesten keerden gedésillusioneerd naar het vaderland terug. Zij konden, ondanks hun ijver en energie geen banksaldo vormen en niet in de eens gedroomde weelde baden. Die velen

blijven meestal onopgemerkt. Vaak herinnert slechts hun geknakte gezondheid aan de jaren, welke zij met veel opoffering en ontbering in de tropen doorbrachten.
Het zal wellicht de aandacht trekken, dat in dit boek aan de vrouw een zoo geringe rol is toegewezen. Men bedenke echter, dat in mijn eerste Deli-jaren zeer weinig Europeesche vrouwen op de Oostkust van Sumatra woonden en zeker niet in het diepst der binnenlanden, waar het pionierswerk werd verricht. Oud-Delianen herinneren zich den tijd nog wel waarin des avonds de ondememingsclub daverde van uitbundigen jool, zonder dat hiertusschen een vrouwenlach opklonk.
Het concubinaat vierde hoogtij. De inlandsche huishoudster, die in het leven van den planter aldus een plaats innam, maar toch altijd de ondergeschikte bleef, mocht in dit boek geen belangrijke rol spelen en haar aanwezigheid mag niet worden aangegrepen om er een pikanten draad door te weven.
De opheffing van het trouwverbod veranderde veel ten goede, hoewel deze maatregel door de oudere generatie van planters met een minachtend schouderophalen ontvangen werd.
De Europeesche vrouw deed haar intrede. Aan de woningen werd meer zorg besteed. De rollen werden nu verdeeld en gespeeld zooals elders op de wereld. Het royale, maar ruige plantersleven verloor veel van zijn ruwheid, hetgeen den algemeenen toestand zeker ten goede kwam. Toch juichen de conservatieve elementen deze veranderingen nog immer niet toe. Om dit onderwerp niet tot twistappel te maken, schreef ik dit boek in den geest van „tempo doeloe”.
Tot slot zij den lezer in overweging gegeven niet te oordeelen naar literairen maatstaf, doch dit boek op te vatten als een getuigenis uit de praktijk van het Delische plantersleven.
Leeuwarden, Maart 1936 J. Kleian

HOOFDSTUK I
Zacht deinend gleden lange golvenreeksen door de straat Malakka . Alsof zij een bepaald doel hadden, volgden zij elkaar met kalme zekerheid in één richting en in dezelfde regelmaat. Soms weerkaatsten de lichtende sterren in het donkere watervlak, waardoor stralenbundels uit de geheimzinnige diepten omhoog schoten.
Het flonkerende uitspansel rustte op den gezichtseinder en omsloot als een koepel de wereld van louter water.
De Noord-Oostkust van Sumatra kon niet ver zijn, want in snellen vleugelslag wiekte een eenzame meeuw, om zich nu en dan zwevensmoede op de golven te laten meewiegen.
De zon was reeds geruimen tijd ondergegaan. Toch vaagde in het westen nog een lichtvlek, daar waar zij in haar wolkenbed was neergezonken.
Rustig baande de „Oranje” zich een weg naar een punt in het verschiet. Zonder weifeling richtte zij haar steven in den vastgestelden koers.
Zacht ruischend schuimden de verschrikte golven langs den stalen scheepswand en vergleden als verscheurd kantwerk in het duister.
De zoemende dynamo’s dreven hun energie naar de ontelbare lichtpunten welke het mailschip op een geïllumineerd kasteel deden gelijken.
Honderden passagiers waren hier in toevallige bonte verscheidenheid tezamen gebracht. Een grijze resident dronk zijn apéritief met een piepjong ambtenaartje dat zijn duidelijk merkbare zeeziekte trachtte te verbergen. Een goedmoedige, gezellig dikke njonja, lichtte een pas getrouwd Haagsch vrouwtje in over het leven op Java.
In de eerste dagen was de stemming aan boord eenigszins gedwongen geweest. Velen lag het afscheid van de familie in

Holland nog te versch in het geheugen. Zij moesten den tijd hebben om tot zichzelf te komen. De belangstelling voor al het zoo volkomen vreemde moest nog rijpen.
Later hadden zich groepjes gevormd. Vooral de bridge-clubjes waren sterk vertegenwoordigd. De tafeltjes in den rooksalon waren van Genua af door hen bezet gehouden. Arme verslaafde bridgers! Hun gevoel voor natuurschoon ging niet verder dan hetgeen de kleurige pastorale illustraties op de azen te genieten gaven. Een aan den horizon opdoemend schip, of de silhouetten van eenige eilanden waren voor hen minder belangwekkend dan de biedingen der tegenpartij.
De andere groepen amuseerden zich met alle genoegens welke een modem mailschip maar bieden kan.
Vooral na het diner heerschte er steeds een gezellige opgewekte stemming. Dan begaven de meesten zich naar dek om daar van de inmiddels rondgediende koffie te genieten en met dans of scherts en een gezellig praatje elkaar bezig te houden.
Onder de passagiers bevinden zich altijd eenige types, die over een schijnbaar onuitputtelijke dosis humor beschikken.
Jaap Zeegers, mijn hutgenoot, was er zoo een. Zijn blozende jongenskop zag je overal waar gelachen werd.
Hoewel niet voor dezelfde maatschappij uitgezonden, waren we beiden op reis naar Deli. Als singkeh, ofwel nieuweling, zouden we op een rubberplantage worden geplaatst.
Een gelukkig toeval was het, dat we samen één hut deelden. Hierdoor hadden we elkaar beter leeren kennen en waren zelfs vrienden geworden.
Jaap was een vroolijke, prettige kameraad. Ik had al heel wat afgelachen om zijn werkelijk geestige manier van vertellen. Steeds hetzelfde opgeruimde humeur. De passagiers mochten hem allen graag en als er een grap moest worden uitgehaald was het Jaap die deze in den regel uitvoerde.
Zooals iederen avond hadden we ook nu weer eenige malen het dek rondgewandeld. „Spijsverteren” noemden we dat. Een gezonde lichaamsbeweging.
Hier Bob, twee stoelen. Een flink eind van die jammerdoos

vandaan. Heb je opgemerkt dat er nog maar één plaat over is. Van Port Said af draaien ze niet anders dan de Destiny-wals. Om dol te worden!
Bijna onmerkbaar deinde de boot op het blauwzwarte water. Fijn hier, Bob. Hoe vind je die sterrenlucht?
Mooi. Maar waar blijft dat biertje van je, ’k heb dorst.
Wil je gelooven dat ik blij zal zijn als die reis achter den rug is ? Je zou hier lui worden op den duur.
’t Is toch geen onaardig leven, antwoordde Jaap, ’k zou best kans zien om het nog een poosje vol te houden. Jij niet?
Och, ’t gaat op den duur toch vervelen. Eten, drinken en slapen. Zoo nu en dan wat bridgen of lezen en voor de rest…
Flirten, interrumpeerde Jaap.
Ja, vergeet dè.t vooral niet. Wat heb je voor plannen met dat nonnaatje van de eerste klas? Wou je dat aanhouden?
Ben je mal. ’k Heb toch een meisje in Holland. Je hebt pas nog je snuit met mijn halsdoek — haar afscheidscadeautje nota bene — willen afgevegen. Ben je dat nu alweer vergeten?
Ga je met dat meisje trouwen? Wat heb je afgesproken?
Oh, afgesproken heb ik zooveel. Weet jij of we met ons salaris kunnen rondkomen? ’k Heb van lui die het kunnen weten hooren zeggen, dat we in de eerste jaren allemachtig zuinig moeten leven om niet in den beer te raken. Je trouwt zóó maar niet. Eerst eens kijken hoe de toestand daar feitelijk is. ’t Moet in Deli nogal duur zijn. Maar dat nog allemaal daargelaten, ’k heb andere verplichtingen.
Mijn vader was ingenieur en is twee jaar geleden van een hoogen pijler gevallen. Hij heeft nog vier dagen geleefd en liet toen moeder met drie kinderen achter. We hebben het moeilijk gehad, dat is pas kort voor ik aan boord ging goed tot me doorgedrongen. Ik moest van de H.B.S. en direct op een kantoor. Daar verdiende ik niet eens m’n kostgeld. M’n zusje en broer zijn nog op de lagere school, ‘k Zou zoo graag wat van mijn salaris naar huis willen sturen en als ik later wat meer ga verdienen kan ik de financieele zorgen van moeder wat verlichten. M’n broertje wil zoo graag naar de zeevaartschool en dat kost

allemaal geld. Zoo zie je dat van trouwen voorloopig wel niets zal komen.
Met mij is het ongeveer ook zoo gelegen. M’n vader geniet een heel klein pensioen van een verouderde regeling en dat is absoluut niet toereikend voor het groote gezin thuis. We zijn met z’n zessen moet je weten.
Het is me nog een raadsel hoe m’n moeder met dat kleine inkomen kans heeft gezien om rond te komen. We moesten natuurlijk zuinig leven en m’n ouders hebben zich heel wat opofferingen getroost om het mogelijk te maken dat we tenminste goede scholen bezochten. Méér mochten we niet verlangen en nu is het mijn beurt om iets te doen. Als het nu maar een beetje meeloopt Jaap.
Tot nog toe boffen we anders wel zou ik zeggen. Een mooie zeereis op kosten van de maatschappij. Straks een behoorlijk salaris, vrij wonen en nog een heeleboel andere emolumenten. Ja, ’t kon slechter. Ik heb een oom in Aerdenhout wonen die een jaar of twintig tabaksplanter in het Djembersche is geweest. Als je nagaat dat ie als een arme jongen naar Indië ging en nu een paar ton bezit, geloof ik wel dat in dat land iets te bereiken is.
Drink uit Jaap. Ik geef nog een biertje op ons a.s. tonnairschap. Wie weet wonen we over twintig jaar ook in Aerdenhout, vlak naast je oom.
Ja, wie weet. Heb je nog sigaretten?
’k Geloof het wel. Neen, ze liggen in de hut. Wil ik ze even halen? Welnee, stel je voor. Willen we naar beneden gaan als dit drankje op is? We kunnen op bed nog wel wat napraten. Hofmeester! Hoe laat komen we morgenochtend aan? Ongeveer negen uur meneer Reeder. Kan ik nog iets voor U doen?
Neen, dank U wel. Of ja, misschien wilt U dezen brief voor mij posten.
‘t Komt in orde. Gaat u al naar beneden?
Ja, ‘t is morgen vroeg dag.
Heeft U ook nog wat te posten meneer Zeegers?

Ik? Wanneer zou ik hebben moeten schrijven?
Da’s waar ook, lachte de hofmeester, U heeft het nogal druk gehad.
Welterusten heeren.
Welterusten hofmeester.
Geschikte vent wel hè, zei Jaap, ’k zal ’m morgen een goeie fooi geven, als jij me tenminste aan twintig pop kunt helpen, want ‘k heb geen sou meer.
Nog al niks, ’k heb zelf nog maar twee en dertig gulden. Sjonge wat een rijkaard. Ga je mee kijken of de bar nog open is?
Ga jij maar alleen, ik ga naar de hut.
In de gang bleven we voor de kaart staan waarop de route en de dagelijksche vorderingen van het schip waren aangegeven. Kijk Bob, hier zijn we, op deze hoogte. Vlak bij Belawan.
Eén van de drie Java-planters die eveneens de kaart bestudeerde, draaide zich om en zei: jullie gaan morgen van boord, hè?
Gelukkig wel, antwoordde Jaap, ’k zal blij zijn weer eens vasten grond onder m’n voeten te hebben.
Juich maar niet te gauw, je zou er wel eens spijt van kunnen hebben dat je niet drie dagen bent doorgevaren.
Hoe dat zoo ?
Nogal een mooi land daar. Varen jullie maar mee naar Java of spring anders liever direct over boord.
De Java-planter vond het schijnbaar noodig om het jeugdig enthousiasme van de twee Deli-nieuwelingen wat te temperen.
Kom, meneer Elsing, d’r wonen toch zeker geen kannibalen op de Oostkust ?
God weet wat daar allemaal woont, in ieder geval niet veel bijzonders. In alles zijn ze daar minstens 50 jaar ten achter. Oertoestanden en willekeur! Het uitschot dat we op Java niet meer kunnen gebruiken, gaat als contractant naar Deli. Iederéén is daar welkom. Rampokkers, moordenaars, kom maar binnen jongens. Sumatra neemt het niet zoo nauw. Alle

gespuis wordt daar met open armen ontvangen. De Deliplanter staat z’n mannetje wel.
Overdrijft U niet een weinig?
Overdrijven? Weet je hoeveel Europeanen daar in de laatste vijf jaar vermoord zijn? …Enfin, ’k hoop dat jullie ’t er beter af zult brengen. Als je over een paar maanden nog leeft, stuur me dan maar eens een ansicht. Jullie zult nog wel eens aan me terugdenken — maf ze!
Zou die vent nou allemaal meenen wat ie zei, vroeg Jaap.
Och wat. ’t Is een zwamneus. Die Java-planters geven immers altijd op Deh af. Dat is me de geheele reis al opgevallen. D’r zal wel de noodige jaloezie bijkomen denk ik.
Oh, hier ligt m’n koker. Moet je nog een sigaret ?
Ja, graag. Waar is mijn pyama nou weer? Die heb jij natuurlijk in je koffer gedaan. Haal uit! Dat heb je nou van je haast om te pakken. Oh, oh, wat een uil!
Van lang napraten kwam niet veel. Dat had ik vooruit kunnen weten. Als Jaap z’n hoofdkussen maar zag, sliep ie meteen. Ik kon den slaap niet vatten. Als in een kaleidoskoop gingen de gebeurtenissen van den laatsten tijd door mijn hoofd.
Al tien maal had ik me omgedraaid en evenveel malen m’n knieën tegen het schot van het smalle bed gestooten.
Wat zou de dag van morgen brengen! Dan passeerde ik een mijlpaal in het leven. Hier begon een nieuwe periode, ’t Was alles nog zoo duister, zoo onzeker. Zou het me mogen gelukken om daar een toekomst te vinden?
’k Had goede voornemens, doch was er op voorbereid dat het pad niet over rozen zou gaan. De woorden van Elsing hadden toch meer doel getroffen dan ik tegen Jaap had willen bekennen. Wat had ik ook feitelijk voor levenservaring. Als jongste thuis was ik steeds door moeders zorgen omringd geweest. Nu was de tijd aangebroken dat ik toonen moest op eigen beenen te kunnen staan.
Ik doorleefde weer de spanning waarin ik verkeerde na het verzenden van mijn sollicitatiebrieven. Hoe dikwijls was ik niet teleurgesteld geworden. Toen opeens dat heerlijke moment.

Met een geopenden brief was ik de kamer binnengestormd, roepende, neen juichende, vader! moeder! ziet U nu wel, de aanhouder wint. Overmorgen moet ik me in Amsterdam komen presenteeren. Kijkt U maar. Van de cultuurmaatschappij „Tanggoengan”!
Wat verheugde moeder zich in mijn geluk. Vader zei nooit veel, maar toch merkte ik heel goed dat hij met m’n succes zeer ingenomen was.
Ik zag me weer in de rijk gemeubileerde wachtkamer zitten. Dan die geuniformde portier die me zoo statig had verzocht om bij den directeur binnen te komen.
De heer Erixhoven was bijzonder vriendelijk geweest. Op prettige en vaderlijke wijze had ie mij den ernst van m’n stap onder het oog gebracht. Ik moest erop rekenen dat ik jaren en jaren in de binnenlanden zou doorbrengen met ontbering van alle comfort. Het was daar hard werken en vooral mijn eerste leerjaren zouden heel zwaar zijn.
Kunt U zich aanpassen, had de directeur verder gezegd, dan heeft U het vooruitzicht en de voldoening om later naar Holland te kunnen terugkeeren in omstandigheden die U in staat stellen ruimschoots vergoeding te vinden voor alles wat U in Deli heeft moeten missen. Een administrateurschap is voor iedere flinke werkkracht bereikbaar. Wij garandeeren onze menschen een toekomst.
Voordat ik goed en wel bekomen was van die geopende vooruitzichten, stond ik weer buiten het indrukwekkende gebouw, het hoofd vol opklimmende salarissen en tantièmes.
Wat hadden moeder en mijn zusters zich uitgesloofd om m’n uitzet te completeeren. ’t Moest alles inderhaast geschieden. Jaaps snurken was overgegaan in een zagen op knoestig hout. ’k Wou dat ik ook maar kon slapen. Hij piekerde niet. Hij nam alles zoo flegmatisch op; dat had hij op mij voor.
’k Zag me weer bij het vertrek aan de reeling staan. De vaderlandsche kust verdween, één wordend met den verren gezichtseinder. Ik was met velen en tóch zoo alleen.
De „Oranje” sneed kalm door de straat Malakka. Zacht

klotsten de golven tegen den stalen romp. M’n oogen werden zwaar door de regelmatig wiegende beweging en het was of ik langzaam weggleed. Dieper, steeds dieper…
Door den nacht zocht het schip zijn weg, bestuurd door plichtsgetrouwe officieren, die op de hooge commandobrug over honderden menschenlevens waakten en borg stonden voor de veiligheid van de rustig slapende passagiers.

HOOFDSTUK II
Vroeger dan op andere dagen was het reeds een geloop en gepraat in de gangen. Het slaan van deuren, ’t versjouwen van bagage enz. rumoerde door het geheele schip.
Met een luid en langgerekt geeuwen in de onderste couchette kondigde Jaap zijn ontwaken aan.
Awaah, AaaL. Wat is dat toch voor een herrie, ’t Is pas zes uur! Zijn ze hier gek geworden, of hoe zit het.
Kom er uit, jó, we gaan van boord, ’t Schip ligt stil, merk je wel?
Bent U al wakker, heeren ?
Ja hofmeester, in orde hoor.
Schiet op Jaap, denk aan je koffers!
Hou je gemak. Klim zelf maar eerst uit je kraaiennest.
Vreemde gewaarwording nu je die machine niet meer voelt dreunen, hè?
Ja! Wahaa, Owaah! Zes uur, zes uur. ’k Heb nog reuzenmaf.
Je zult in de komende dagen nog wel wat vroeger op moeten. We zijn hier akelig verwend.
’k Wil er niet aan denken. Jammer dat de reis afgeloopen is Bob.
Bent U d’r uit heeren? U moet debarkeeren!
Ja, ja, hofmeester, allang hoor. Kan de hutjongen even wat koffie brengen?
Wasch en kleed jij je maar eerst Bob, anders loopen we elkaar in den weg.
Mijn bagage stond gelukkig kant en klaar. Veel tijd had ik derhalve niet noodig, en na Jaap z’n lakens te hebben weggetrokken, haastte ik mij naar boven.
Een heerlijke koele morgenwind woei me tegemoet. Met volle teugen ademde ik hem in en genoot van het mooie uitzicht op de spiegelgladde zee. Aan den gezichteinder was een lange

streep te zien. Land! Sumatra! Eindelijk, daar lag Deli.
Ik kreeg neiging om mijn armen te strekken en te roepen, „Hier ben ik, vol goeden moed en een enormen lust tot werken, hard werken. Hier sta ik als het ware aan den voet van den berg, met het ernstige voornemen om te klimmen, steeds hooger, tot het ideaal is bereikt.”
’k Voelde me dankbaar gestemd. Heilig was ik er van overtuigd dat achter die smalle streep land mijn toekomst lag.
Enkele meeuwen cirkelden krijschend boven ons schip en doken soms pijlsnel naar omlaag, wanneer uit een patrijspoort eenig afval in zee werd geworpen.
Geruischloos was de hut jongen achter mij gekomen en bood me de bestelde koffie aan.
Dank je Sidin. Breng je straks mijn hutkoffer naar boven? Baik Toewan. Mijnheer Zeegers vraagt of U komt ontbijten. Langzaam, nog genietend van het verrukkelijk uitzicht op het rustige watervlak, waarboven een ijle nevel hing, begaf ik me naar de eetzaal.
Waarom kwam je niet eerst naar boven Jaap? De kust kun je duidelijk zien.
Die zal er straks ook nog wel zijn. ’k Had teveel trek in m’n ontbijt.
Heb je nu gepakt ?
Och welja, daar draai ’k m’n hand immers niet voor om.
Hoe laat kunnen we van boord hofmeester?
De „P.W. Jansen” zal om half negen wel hier zijn, denk ik. Wordt U door collega’s afgehaald?
‘k Weet het niet. Misschien wel.
Zou je niet eens ophouden Jaap, ’t lijkt wel of je voor 14 dagen aan ’t fourageeren bent.
Dit eitje nog. Wie weet wanneer we weer wat krijgen.
Zoo! Hier kan ik het voorloopig mee doen. Laten we den mandoer eerst even een fooi geven, anders vergeten we dat straks nog.
Vlak bij het schip passeerde een kleine zeilboot, bemand met 1 inlanders. De tweede stuurman, die juist voorbij ging,

vertelde dat het maleiers waren die naar de straits voeren. Moet je ook durf voor hebben om in zoo’n snertprauw straat Malakka over te steken! Als ’t gaat stormen zijn ze voor de haaien. Rechtop in het wankele schuitje staande, wuifden de waaghalzen ons toe, hetgeen we spontaan beantwoordden.
Op het dek was het inmiddels drukker geworden. De heerlijke morgen en het gezicht op de begroeide kust lokten velen naar boven, die anders om dezen tijd er nog niet aan dachten op te staan.
Hier en daar namen we vast afscheid. Straks zou daar weinig tijd voor zijn. De luiken van het ruim waren opengegooid, de mail werd het eerst gelost en met iederen zwaai brachten gierende lierkettingen een partij postzakken omhoog, welke voor Deli bestemd waren.
Laten we hier wat gaan zitten, stelde Jaap voor. ’t Zal vandaag wel een vermoeiende dag worden, dus doen we goed onze krachten wat te sparen.
Opeens liepen vele passagiers naar stuurboordszijde en wezen op een stip die in de verte zichtbaar was geworden.
Dat was de „P. W. Jansen”, het bootje dat ons naar den vasten wal zou brengen; het naderde snel, de zwarte rookpluim werd steeds duidelijker.
De Java-planter die gisterenavond ons zoo weinig bemoedigend had toegesproken liep voorbij en zei: „Hebben jullie je nog bedacht, ’t Is nog niet te laat hoor!”
’t Spijt me, antwoordde Jaap, maar m’n moeder heeft gezegd dat ik er aan deze halte afmoest, dus…
Nou, „good luck” dan en tot ziens hoop ik!
Het bootje was langzamerhand zoover genaderd dat we de menschen aan boord konden onderscheiden. Onder hen waren passagiers voor Java en anderen die kermissen of familie op het mailschip kwamen begroeten.
Zou de maatschappij iemand zenden om ons af te halen, wat denk je Jaap?
Ben je mal. Reken er maar op dat we den weg zelf zullen moeten zoeken.
2 Deli planter

’k Geloof toch dat die lui, daar voorop, tegen ons wuiven.
Och wat, ze kennen ons niet eens. Ze zwaaien zoo maar in de ruimte. Laten we liever een eindje terug gaan. ’k Voel er niets voor om tusschen het gedrang bij de trap te staan. Kijk ze eens te hoop loopen. We hebben zeker nog een half uur den tijd. De post moet eerst ingeladen worden.
Wat zijn die lui verbrand en wat een pootelingen. Zeker planters.
Rondom ons was het een rumoer en gelach zonder einde. Met stelligheid werden allerlei beloften geuit, als gauw te zullen schrijven, elkaar eens spoedig te komen opzoeken, enz. enz. Het leven zou het wel anders leeren. De tijdelijk aangeknoopte vriendschapsbetrekkingen aan boord, verliezen zoo gauw haar waarde en een vage herinnering hieraan is het eenige wat na enkele maanden overblijft.
Zie eens Jaap, de hofmeester wijst een paar heeren, die zooeven de trap opkwamen, op ons. Zouden ze ons moeten hebben ? Een vroolijke luide stem riep, ha, hier hebben we de singkeh’s, daar staan ze. Zoo jongens, goede reis gehad? Welkom in Deli. Ik ben Van Dalen, Huug van Dalen. Dit is mijnheer Van Berghe van Goenoeng-Ampat. Dit kleine jongetje is Hartman, ook van Goenoeng-Ampat. De heer Hartman legde een zware gespierde hand op mijn schouder en zei, zoo, ben jij Reeder? Dan ben jij voor onze maatschappij bestemd. Mijnheer Zeegers is voor de R.C.O. uitgekomen, hè ? Uw baas was zooeven in het „Hotel de Boer” en vertelde me dat-ie met deze boot een jong assistent verwachtte.
Hé, djongos, breng bier! We zullen eerst eens op de kennismaking drinken.
’t Was een vroolijk en luidruchtig stel menschen dat ons kwam afhalen. Het bleek dat ze reeds van gisterenavond af bezig waren om die taak naar behooren te volbrengen. Flinke robuste knapen, met bruin verbranden kop.
De inlandsche bedienden, die onze gebrekkig geuite bevelen in den regel op hun gemak hadden uitgevoerd, bleken door de krachtige stem van Van Dalen geïmponeerd. In een oogwenk

waren de bestelde glazen gebracht.
Reeder, Zeegers, op de behouden aankomst hoor!
Prosit heeren, op de kennismaking en met erkentelijkheid voor de moeite om ons te komen afhalen.
Dat is zoo’n groote verdienste niet hoor. We waren in vijf maanden niet in Medan geweest, ’t Is een uitstapje voor ons, wat jij Karei?
Natuurlijk! Boy, breng nog vijf bier en vlug wat.
Na dit rondje voelde Jaap zich verplicht om iets aan te bieden, maar dat werd verontwaardigd afgewezen. Een singkeh geeft in het eerste jaar geen rondjes. Je bent altijd de gast van je oudere collega’s!
Hé, daar heb je Koos van Geldorpe ook. Waar heb jij gezeten, lange ?
Even een kennis begroet. Zijn dat de nieuwelingen?
Ja, Reeder is dit knaapje en deze jongeman is Zeegers.
De laatstaangekomene was iets kleiner dan een reus. Van Berghe zag me opkijken en zei lachend, ja Reeder, je moet met hem geen ruzie maken, zorg maar dat je goeie vrinden met ’m blijft. Van Geldorpe bleek echter een gemoedelijke lobbes te zijn. Het is bekend dat zulke kolossen zich nimmer op hun meerdere spierkracht laten voorstaan en vaak de meest goedige natuur bezitten.
Later vernam ik dat Koos, zooals de ouderen hem noemden, de bekendste olifanten- en tijger jager van de Oostkust was. Geen jacht werd georganiseerd of aan hem werd verzocht de leiding op zich te nemen.
’k Heb in Medan naar jullie loopen zoeken. Kan ik straks met jou mee rijden Huug, of heb je geen plaats meer in je Hispano? Zoo’n scharminkel als jij kan d’r altijd nog bij.
Afgesproken! Wie heeft er nog dorst?
Dorst genoeg, daar niet van, maar we moeten van boord. Is jullie bagage al naar boven gebracht ?
Jawel! Alles staat bij elkaar op het dek. Kijk, ’t wordt juist de trap afgedragen.
Hier boy, zei Van Berghe tegen den bediende, een gulden om-

1
dat je de toewans zoo netjes van negeri-belanda naar hier hebt gebracht.
Trima kassi, banjak trima kassi toewan besar. Dank U, erg veel dank, groote heer.
Belazer je ouwe grootje! Vooruit jongens, opstappen dan maar! Drie zware stooten op de fluit kondigden het vertrek van de groote boot aan. Dikke rookwolken stegen op uit den schoorsteen en nadat onze barkas een 50 meter was afgedreven, wendde de „Oranje” den steven om zijn reis naar Java voort te zetten.
Lang keken we het nu snel verdwijnende schip na en waren ervan overtuigd dat de genoegelijke reis die achter ons lag steeds in aangename herinnering zou blijven.
Op den machtigen zeestoomer hadden we weinig beweging gevoeld. De zee geleek meesttijds een spiegel, maar nu was het heel goed merkbaar dat de deinig vat had op dit notedopje.
Je moest er even aan gewoon raken.
De reis duurde twee uur doch van verveling was geen sprake. Onze afhalers waren een dag uit en de stemming was er dan ook geheel naar.
Zij zongen het hoogste lied. De kust werd allengs duidelijker. We stoomden recht op de monding van de Belawanrivier af. De oevers waren dicht begroeid. Tot in het water hingen de takken der boomen. Een ondoordringbare massa hout, waartusschen hier en daar de moerassige bodem schemerde, belette ons ook maar iets meer te zien dan de beide oevers. Van Dalen wees ons op enkele groote gebouwen. Dat is de douaneloods. Jullie hebt toch geen smokkelwaar in je koffers?
Wat noemt U smokkelwaar?
Nou, revolvers en zoo. Daar moet je een invoervergunning voor hebben. Overigens zijn ze hier niet erg streng hoor. Maak je maar niet ongerust.
Op de kade krioelde het van inlanders, die ons met gebaren te kennen gaven dat zij gaarne onze bagage wilden verkassen. Nauwelijks lag de boot dan ook aan den steiger of joelend en duwend klauterden zij op het dek, zich meester makend van

alles wat maar op kist of koffer geleek.
De formaliteiten in de douaneloods vorderden niet veel tijd, ’t ging er nog al gemoedelijk toe.
Voor de loodsen stond een hoog gebouwd Fordje. Het was de wagen die door Koos met „Hispano” was betiteld.
Voor ons, die pas uit Europa kwamen, zag het er nogal antiek uit.
Van Dalen ging achter het stuurwiel zitten en zei tegen Koos van Geldorpe, zeg broertje, als je mee wilt rijden zul je toch eerst aan dien slinger moeten draaien.
Schei uit man, dat heb ik nog nooit gedaan. Die dingen slaan altijd terug heb ik gehoord. Doe jij het liever Karei, wedden dat jij ’t best kimt ?
Van Berghe zat al tusschen ons in en beweerde lachend dat hij met geen tien ossen van z’n plaats was te krijgen.
Komt er nog wat van, riep Huug, schiet toch op kerel!
Koos maakte zijn kraagknoopen los. Voorzichtig en achterdochtig bekeek hij het kromme ijzer.
Welken kant moet ik opdraaien, ’k ben een aap als ik ’t weet. Dondert niet, draai maar.
Na een minutenlange krachtsinspanning van Koos begon de Ford opeens hevig te razen.
Als door een wesp gestoken sprong Van Geldorpe opzij. Verrek, is dat schrikken, rotding! Hé, goddorie wacht nou effe, ’k moet toch zeker ook mee!
Met een geweldigen zwaai slingerde Koos z’n enorme lichaam over dpn rand van de rijdende auto en kwam tusschen onze knieën in te liggen.
Een troepje inlanders stond met breeden mond te lachen. Ze gierden om het vermakelijke schouwspel.
Die verdomde Huug. Zal ie me daar wegrijen en mij laten staan. Heb ik me daarvoor een kleine slingerberoerte op den hals gehaald? Hé, mooie jongen, geef eens antwoord. Lafaard! Hou je gemak Koos, anders ga je d’r weer uit.
Moet je probeeren. Hou je stuur maar goed vast, direct zitten we nog in de parit.

Schiet een eindje op Karei, of moet ik hier op den bodem van die snertkar blijven zitten ? Fijne jongens zijn jullie.
We hadden bijna geen ruimte om onze armen en beenen te bergen. Een blikje sardientjes kon niet voller zijn.
Zoo nu en dan zag ik achter den rug van Hartman om een glimp van een klapperboom, dat wil zeggen, den top ervan. Hoe vind je het hier singkeh ?
‘k Zie niets anders dan een stukje blauwe lucht.
Dat is genoeg ook.
De Ford ratelde en stoomde als een locomotief, en was van verre te hooren. ’t Was dus volkomen overbodig een claxon of hoorn te voeren, welke instrumenten er trouwens niet eens opzaten.
Kijk, zei Hartman, hier begint Medan.
Jawel, kreunde Jaap, die met z’n hoofd tusschen het achterkussen en den breeden rug van Van Berghe gekneld zat, jawel, erg mooi hier.
Mijn witte pak dat ik vanmorgen keurig gestreken had aangetrokken, was als een vaatdoek geworden. Doornat en smoezelig. Gelukkig minderde Huug eenigszins vaart, waaraan we bemerkten dat we het einddoel naderden.
Met een veel te scherpen en snellen zwaai, die ons voor het laatst nog eens flink door elkaar gooide, draaiden we den oprit van het „Hotel de Boer” binnen.
Met een ruk, waardoor het vehikel in al zijn onderdeden kraakte, stopte de wagen op het voorerf precies voor den hoofdingang.
Oh, m’n beenen, m’n beenen, zuchtte Koos. Wat ben ik begonnen. ’k Ben geradbraakt. Knappe jongen die me nog eens weet over te halen om in zoo’n mallemolen te kruipen.
Aan boord hadden we reeds een en ander over het druk-bezochte hotel gehoord, ’t Viel niet tegen. Ruime frissche zalen, met kleurige muurschilderingen en spiegels. Alles zag er hdder en vroolijk uit.
Zoodra we gezeten waren kwam een glimlachende chineesche bediende naar ons tafdtje om de bestelling op te nemen.

In de groote zaal zat een honderdtal planters, die uit alle streken van de Oostkust naar Medan waren gekomen om hun haribesar door te brengen.
Er werd geschreeuwd, gelachen en gezongen, ’t Was een heidensch spektakel. Om je verstaanbaar te maken moest je je stembanden tot fortissimo uitzetten.
Lollige boel hè, riep van Dalen me toe.
Ik knikte maar terug. Zóó hard kon ik niet schreeuwen. Flesschen, met een inhoud van bijna een liter zwaar Duitsch exportbier, werden onafgebroken door de vlugge bedienden aangedragen. Wat werd hier een dorst gelescht!
Vanwege de hari-besar werd er rijsttafel gegeven. Mijn maag verlangde wel naar een stukje eten. ’s Morgens had ik weinig gebruikt, deels uit emotie en ook al door de haast die ik maakte om van het dek af de kust te kunnen gadeslaan.
’k Was dan ook blij toen met algemeene stemmen werd besloten om naar de eetzaal te gaan.
Op tafel stohden tallooze schaaltjes met groenten, vleesch, kip, gebakken en gekookte visch, garnalen, kroepoek, te veel om op te noemen.
Verscheidene gerechten waren voor ons onbekende kost, maar op enkele erg scherp gekruide schotels na, smaakte alles uitstekend.
Hoewel in de eetzaal ook genoeg lawaai heerschte, kon je hier tenminste jezelf verstaanbaar maken.
Zoo nu en dan moest je weer opstaan voor een nieuwe begroeting. Het scheen of iedereen behoefte voelde om het uithoudingsvermogen van je schouders te toetsen, want doorloopend kondigde een stevige klap hierop aan dat er weer iemand achter je stond om je een welkom toe te roepen.
Veel menschenkennis was er niet voor noodig om alle opmerkingen als scherts aan te nemen. De nieuweling werd doorloopend in het ootje genomen, doch steeds op werkelijk geestige wijze. Daar heb je Van Oosten, je baas, Zeegers!
Voor de zooveelste maal legden we vork en lepel neer om te worden voorgesteld.

De heer van Oosten verzocht een stoel en kwam bij ons zitten. Hij had reeds bij kennissen in de stad gegeten.
‘t Was een tonronde genoegelijke baas. Belangstellend informeerde hij naar alles en nog wat. Onder het praten pikte hij hier en daar een garnaal of een stuk kroepoek weg.
Van hem kwam Jaap eerst te hooren waar hij feitelijk geplaatst werd. ’t Was ver weg. Ongeveer 190 km van Medan.
Den volgenden morgen om 9 uur zouden ze samen vertrekken; dezen middag konden we nog besteden om een en ander in te koopen.
Dat is waar ook, zei Van Dalen, hoe zit het met jouw meubilair Reeder, je hebt zeker niets meegebracht ?
Neen, inm’n koffer zit wat linnengoed en zoo, anders niets. Ja, dan zul je hier ‘t hoognoodige moeten koopen. Op de onderneming is niet veel te krijgen. Wie kan straks met die singkeh’s inkoopen gaan doen, lui?
Gaan jullie maar met mij mee, zei Van Geldoipe, ’kmoet zelf ook nog wat provisie voor de komende maand zien te krijgen. Ik trachtte den boy te beduiden dat ik wenschte af te rekenen maar daar wilde Huug niets van weten. Geef die bon maar aan mij hoor. Betalen doen we wel als de tantièmes los komen. Met een handbeweging belette hij m’n protest.
Koos plantte zich wijdbeens in den hoteluitgang en de handen in de zijde zettend, brulde hij zooiets als „lei loe” waarop onmiddellijk een rikshaw-koelie kwam aandraven.
Nog twee stuks! Dacht je dat we hier met z’n drieën in kunnen? We stapten ieder in een wankel tweewielig karretje op gummibanden en met een tamelijk gangetje ging het nu kris kras door Medan’s straten. Onder het loopen wischte het menschelijk trekdier zich herhaaldelijk den bezweeten rug en hals met een soort rafeligen en smerigen handdoek. Voor hem speciaal was ik blij dat onze leidsman, in het voorste wagentje, een toko ontdekte waar we inkoopen konden doen.
Een als heer verkleede oosterling kwam ons vriendelijk lachend tegemoet en onder eindelooze strijkages en buigingen begon hij met ons een stoel aan te bieden. Een doos sigaretten en lucifers

werden voor ons neergezet, zoodat er maar weinig aan mankeerde of we konden ons in de sociëteit wanen. Wat of de toewans beliefden, ’t Was allemaal erg goedkoop en boekan main bagoes.
Heb je borden? vroeg Koos.
Moesten de heeren borden hebben? Och dat was nou toch jammer. Neen, die had ie niet. Maar er waren nog veel andere zaken in z’n toko. We moesten maar eens rondkijken. Kimono’s? Vulpenhouders? Geborduurde Chineesche muiltjes? Ook niet… Koperen rookstel of een gong misschien?
De Chinees verkocht graag en handelsman was ie genoeg want voor we het goed en wel begrepen, had-ie kans gezien om aan mij een tuingieter en aan Jaap een petroleumstel kwijt te raken. Och, zei Koos, noodig heb je dien rommel nu niet bepaald, maar ’t is daarom wel te gebruiken.
Inpakken was niet noodig. ’t Zou teveel van onzen kostbaren tijd vergen, dus werden de eerste inkoopen voor onze „inrichting” zoo maar, onder den arm meegenomen.
De witgepleisterde muren der huizen weerkaatsten een ondragelijke hitte. Het asphalt was zoo week dat onze hakken duidelijke sporen achterlieten.
Voor de zooveelste maal traden we een winkel binnen.
Heb je borden?
Ah, borden? Sajang, neen die had ie niet. Wel scheerzeep. Erg goedkoop!
Stik met je scheerzeep. Vooruit jongens, we gaan maar weer verder.
M’n gieter begon me al gruwelijk te vervelen. Jaap had z’n petroleumstel reeds ettelijke malen van den eenen arm in den anderen genomen.
Wil ik dien gieter eens van je ovememen Bob? Je loopt vopr schandaal — draag jij dit ding dan zoolang.
Dank je wel goeierd, draag jij je spullen maar zelf.
Inmiddels had de olifantenjager weer een geweldigen dorst gekregen en beweerde niet verder te kunnen alvorens deze was gelescht.

De koelies behoefden niet ver te draven. Hó, commandeerde Koos, berenti.
Een tweederangs hotelletje, waarvoor eenige tonnen met palmen erin prijkten, bleek bij uitstek geschikt om aan het verlangen van Koos te voldoen.
’t Werd hier niet zoo nauw genomen en men liep niet zoo erg in ’t oog, hetgeen we, gezien onze doorweekte kleeding, juist noodig hadden.
Luidruchtig werden we begroet. Ha die Koos! Ha, die lange tiang!
Van Geldorpe moest ons even aan de vrijedag-vierders voorstellen. Die kennismaking ging vrij onofficieel. Onze ooren, die in de laatste paar uren aan heel wat waren gewoon geraakt, vingen ook hier weer uitdrukkingen en benamingen op, die voor ons nieuwelingen, beslist orgineel waren.
Onze barang lokte een donderend gelach uit. Een welgedane planter, met een bos wanordelijk haar, dat waarschijnlijk voor dezen feestdag door z’n huishoudster was bijgeknipt en dat nu in ongelijke rossige lokken naar alle kanten uitpiekte, brulde daverend mee.
Ha, ha! een petroleumstel. Nou kunnen we warme punch maken, omdat het zoo koud is. Ha, ha, ha, gaan jullie je eigen huishouwen opzetten jongens?
Hou je gemak, rooie schavotdanser, zei Koos, lach niet zoo nadeelig.
Tusschen de tafels stapte of liever schuifelde een oud heertje. Z’n geelachtig fantasie-costuum hing in ruime plooien om zijn tengere gestalte. Een te groote witlinnen pet met glimmende klep verborg slechts ten deele z’n lange peper en zoutkleurige haren.
Achter een dikomrande uilenbril knipperden een paar vriendelijke oogjes, die belangstellend het rumoerige gezelschap opnamen.
Verbaasd en tevens schuchter keek hij naar Koos op, die als , een eik op het middenpad stond en geen ruimte tot passeeren overliet.

Guten Tag, meine Herren, guten Tag.
Koos liet zijn zware hand op het hoofd van het oude heertje neerkomen, waardoor de pet over de ooren schoot en een allerdwaast effect maakte.
Ah so, Herr Bademeister, wie geht ’s?
Danke schön, danke schön, aber ich bin doch nicht der Bademeister? MeinName ist Böhme, Professor Böhme. Ich mache eine Reise durch Sumatra zur Zusammenstellung eines Buches über die tropische Tierwelt.
Hoor je dat rooie? Hou je weg!
De aangesprokene heette feitelijk Giesen en beantwoordde de waarschuwing met een toepasselijk lied van ,,De lange wil eens lollig zijn, maar niemand lacht er om z’n chein.”
Terwijl Giesen een stem ontwikkelde waar een stadsomroeper jaloersch op kon zijn,, stampten de overige vrienden op den vloer en sloegen met de vuist de maat op tafel. Het oude heertje verdween intusschen wijselijk. Meer flesschen werdeh ontkurkt. De stemming werd met de minuut vroolijker. Van Geldorpe had reeds van den vorigen avond af gefuifd. Ofschoon zijn sterke body dit wel kon verdragen was het toch goed te merken dat het zware koentji-bier zijn invloed deed gelden. Ajo, Reeder, nou jij een liedje.
Och, ik ben niet zoo’n erge artist.
Mana boleh. Zing dan ’t Wilhelmus maar.
Dit ontketende een storm van bijval. Ja, vooruit singkeh, hier op die stoel!
Door een paar forsche armen opgetild moest ik wel toegeven en ondanks m’n verzoek om dan maar wat anders te mogen kweelen werd er van alle kanten geroepen „nee, nee, ’t Wilhelmus,” wij zingen ’t refrein wel mee.
Ja maar, dat hééft toch geen refrein?
Geeft niet, dan maken we d’r wel een.
Jaap zat zich te verkneuteren. Vooruit Bob, wat kan ’t jou schelen.
Verder dan het eerste couplet kwam ik niet. Een oorverdoovend applaus brak los.

De rooie omarmde mij en met tranen in de oogen zei ie, dat was mooi, singkeh. Dat was een stukkie Holland, verdomd waar. Jij zult het hier nog ver brengen, let op wat ik je voorspel.
Nou zal ik jullie weer wat laten hooren. De „Moord van Raamsdonk”, annonceerde Giesen.
Bij het gedeelte waarin wordt verhaald hoe „het jongste kind in de gootsteen werd fijngewreven” sloeg door aandoening z’n stem over en vonden wij het tijd worden om aan onze verdere inkoopen te gaan denken.
Koos — we moesten hem maar tutoyeeren had ie gezegd — voelde er meer voor om de gezelligheid nog wat voort te zetten; Zeegers had nog niets gezongen. Enfin, hij had ons op sleeptouw genomen om barang te koopen, dus vooruit dan maar weer. ’t Was anders wel jammer.
Terwijl Jaap en ik een hartroerend afscheid namen, had Koos inmiddels een pot haring en een lange gerookte paling aan het buffet gekocht.
De rikshaw-koelies hadden geduldig buiten gewacht en stapten bij onze komst vlug tusschen de trekboomen.
Van Geldorpe nam weer in het voorste wagentje plaats, de pot haring tusschen de knieën.
De paling bij den kop vattende gaf hij met het glimmend vette uiteinde hiervan z’n trekchinees een klap op den natten rug en riep, ajo djalan! De eeuwig grijnzende mongool, wel gewend aan dergelijke aanmoedigingen en wel wetende dat de planter op hari-besar royaal is, steigerde en schoot als een renpaard vooruit.
Zie je, riep Koos achteromkijkend, dat moeten ze hebben. Jij een stuk paling Reeder?
Nee, dank je, bewaar ’t maar voor morgen.
Door allerlei bochtige straatjes en steegjes werd de tocht voortgezet.
Overal hing een lucht van gebakken visch en klapper-olie.
Ho, hier moeten we zijn. Opletten lui, ga mee.
In een onoogelijk en donker winkeltje kwam ons onmiddellijk een net gekleede manillanees tegemoet.

Kijk eens hier jongens, zei Koos, eerste klas grammofoons. Je zult me later voor dezen raad dankbaar zijn. Als je je straks in het binnenland opvreet van verveling is een fijn stukkie muziek goud waard.
Platen? O, die hebben ze ook. Massa’s.
Hoe het mogelijk is geweest is me nog niet duidelijk maar een feit is het dat Jaap en ik een oogenblik later buiten stonden, ieder met een grammofoon onder den arm. De bijbehoorende roodgelakte hoorn, alsmede voor ieder een zestal zeer oude platen, werden door den gedienstigen winkelier in onze karretjes geladen,
Nou, wat zeggen jullie d’r van? Was dat een idee of niet? Jawel, antwoordde Jaap, maar hoe zit het nou met die borden ? We moeten toch ook nog keukengerei enz. hebben?
Natuurlijk, natuurlijk, kom maar mee. Zou je maar niet direct een moppie op dat ding geven, dan loopen die kerels misschien wat harder.
Bij een waterreservoir om een fontein, stapte Koos weer uit en wilde z’n haringen laten zwemmen. Ze keken ’m zoo dorstig aan, vond ie.
We begrepen dat van inkoopen doen niet veel meer zou komen en stelden daarom maar voor om naar het hotel terug te keeren.
Daar was van Geldorpe direct voor. Hij wilde wel wat slapen. We bedankten ’m voor z’n vriendelijke hulp.
Niet noodig hoor jongens, volstrekt niet noodig. Jullie zijn ingespannen en ik heb een verdomd leuken middag gehad.
Op de kamer was het heerlijk koel. De bedienden hadden tijdig de krees neergelaten.
Hebben wij even inkoopen gedaan, zei Jaap. Nou hebben we verdorie nog niks. Och dat zal wel terecht komen. Hoe vind je dat gedoe hier anders? Wat een stel hè?
’k Heb me slap gelachen om dien rooien, da’s een nummer hoor! Zou die altijd zoo zijn?
’k Denk dat als wij maar eerst eens een paar maanden in de rimboe hebben gezeten en dan een dag in Medan komen, we

net eender zullen zijn. Je moet niet vergeten dat die lui op zoo’n dag de bloemetjes eens flink buiten zetten en daar weer misschien een half jaar op moeten teren.
Jammer dat we zoo’n eind van elkaar komen te zitten Bob. Ja, da’s zeker jammer. Wie weet wanneer we elkaar weer zullen zien. Je baas zei dat jullie morgenochtend om negen uur afreizen, ’k Zal straks eens aan meneer Van Dalen of Hartman vragen wanneer wij weggaan.
Voel je d’r wat voor om te gaan slapen?
Nou en óf. Dat bier allemaal zit me wel wat dwars.
In het hotel was ’t doodstil. Na het diner had een ieder z’n kamer opgezocht om eenige uren te rusten.
Geen vijf minuten later hoorde ik Jaaps diepe ademhaling als bewijs dat ie in Morpheus’ armen lag.
Beneden in de groote zaal, werden stoelen verschoven. De boys ruimden zeker den boel wat op. Buiten veegde een tuinman het oprijpad schoon. Alles was in de weer om het hotel z’n frisch aanzien terug te geven.
Met een schrik werd ik wakker.
Hé Jaap, opstaan, ’t is bij zessen.
De gloeiende zon, hier „de koperen ploert” genaamd, was reeds ondergegaan. Een weldadige koelte kwam ons door het open raam tegemoet. Dat middagslaapje had me goed gedaan en een frisch bad zou me heelemaal opknappen.
Met welbehagen Het ik het koude douche-water over m’n rug loopen en nadat we ons in een ander pak gestoken hadden gingen we de trap af.
Op het terras vóór het hotel troffen we hetzelfde gezelschap van hedenmorgen weer aan. Maar welk een verschil.
In een grooten kring zaten onze nieuwe vrienden in helder gestreken costuums gekleed en… uitgeslapen.
Koos was nog niet aanwezig, die sHep waarschijnHjk nog. Hartman en Van Berghe deelden mij mede, dat zij vanavond om een uur of io naar de onderneming terug gingen. Ik zou morgen met Huug van Dalen meerijden. Het hoofdkantoor

was vandaag gesloten en voordat ik naar de kebon kon gaan moest ik me toch eerst aldaar melden.
Hoe zit het met je inkoopen, vroeg Van Dalen, ben je nogal geslaagd?
We vertelden onze wederwaardigheden, die lachend en met de noodige liefelijke benamingen aan het adres van Koos, werden aangehoord.
Als die Koos op stap is moet je ’m maar niet au sérieux nemen. Zoo goed als ie in z’n werk is en de schrik van de olifanten en tijgers heet, zoo onhandig is ie in andere zaken.
Hoe moeten we nu zonder meubilair? Op de onderneming is immers niets te krijgen, zei U. Zullen we nog eens de stad ingaan?
Och welneen. Je baas heeft vorige maand een hoop rommel op de vendutie gekocht, ’t Staat toch maar in z n bijgebouwen te rotten. Ik denk wel dat je dat kunt krijgen en anders hebben wij nog wel een en ander voor je. Dat komt wel voor elkaar.
De lampen gingen op en onder de hooge koningspalmen was het een verrukkelijk zitje.
Op de esplanade liepen verscheidene Medanners te wandelen. Hun bleeke gezichten staken scherp af tegen de donkerbruin verbrande planterskoppen. ’t Waren meest employés van de diverse handelskantoren, banken, enz. enz.
Koos scheen niet boven water te komen. Toen de gong voor het diner weerklonk was hij nog niet verschenen.
Zal ik hem even roepen? Hij moet toch eten?
Ben je mal, laat ’m maar liggen. Slaap zal ’m meer goed doen dan eten.
Zoo rommelig en rumoerig we hedenmiddag de eetzaal hadden verlaten, zoo rustig en aantrekkelijk zag deze er nu uit. Verscheidene kleine tafeltjes waren reeds bezet. Er heerschte een prettige en opgewekte stemming zonder dat van luidruchtigheid kon worden gesproken. Een uitstekend verzorgd menu, waarbij door Van Berghe een glas wijn werd aangeboden verhoogde de waardeering die elke planter voor het „Hotel de Boer” bezit.

Zat je in financieele moeilijkheden, de beer in dit hotel zou je nachtrust niet komen verstoren. Men wist hier geduld te hebben en ondanks je hooge rekening, bleef je een welkome gast.
Na tafel bood Huug van Dalen een splitje aan. Onze ooren stonden open voor al het nieuwe dat we hier hoorden. Jaap en ik luisterden maar.
Van Berghe en Hartman stonden op. Ze hadden nog vier uur te rijden en om 5 uur ’s morgens begint de dag weer.
Na een vroolijk doorgebrachte hari-besar kon een behoorlijke nachtrust niet gemist worden.
Den Deli-planter wordt een verzetje in Medan graag gegund, doch een billijke eisch is het dat hij den volgenden dag op het wefk een koel en helder hoofd heeft. Het tegendeel zou tot noodlottige gevolgen kunnen leiden. Met een „tot ziens lui” reden de twee collega’s van Goenoeng-Ampat weg. Willen we nog wat rondloopen, vroeg van Dalen, of voelen jullie d’r meer voor om je mandje op te zoeken?
Jaap liet het aan mij over, maar was inwendig blij dat ik voorstelde om te gaan slapen. We waren moe. Al het nieuwe dat we hadden moeten verwerken, de warmte en niet te vergeten het copieus diner hadden ons slaperig gemaakt.
Nou, dan maar naar de kooi. Morgenochtend om 8 uur zie ik jullie wel in de ontbijtzaal. Wel te rusten.
Welterusten meneer Van Dalen.
Jij weet tenminste alvast dat je een paar geschikte collega’s hebt, zei Jaap, ik moet het nog afwachten.
Ja, ‘k geloof wel dat ik het getroffen heb. Maar jij hebt je baas ontmoet en dat lijkt me een goede vent toe. Eenvoudig en hartelijk.
Dat wel, maar heb je opgelet hoe weinig ie zich feitelijk aan mij gelegen liet liggen. Even een kwartiertje gepraat en weg was ie weer. Heb jij ’m vanavond gezien ? Ik niet.
Och hij is administrateur moet je niet vergeten, ’t Is geen collega van je. Verder hoorde je toch dat-ie bij kennissen in de stad was, je kunt niet van ’m vergen dat-ie die verwaarloost voor een jongste employé.

Da’s ook al weer waar. Hij vertelde dat op zijn onderneming twee assistenten zijn, ik ben dan de derde. Ze waren wel van plan geweest om mij ai te halen maar een van hen is ziek geworden, malaria geloof ik, en de andere moest de wacht op de kebon houden.
Dit was dus onze eerste dag in Deli. ’k Moest eerlijk zeggen dat alles me erg meeviel. De indruk die ik van de menschen had gekregen was werkelijk prettig.
Het bed was hard, zooals alle bedden in de tropen. Zachte donzen of veeren matrassen zouden hier te warm zijn.
Een muskiet gonsde buiten tegen de klamboe, zich hoorbaar ergerend dat zij zich niet eens te goed mocht doen aan het kersversch uit Holland geïmporteerde bloed.
Jaap snurkte alweer.
3 Deli planter

HOOFDSTUK III
Het afscheid van Jaap was kort geweest. Z’n chef had ’m niet veel tijd ertoe gelaten. Hij had me beloofd om gauw te schrijven en een getrouw verslag te doen van alles en nog wat. Over z’n collega’s, zijn onderneming, z’n woning, kortom over alles wat nieuw voor ons was.
Huug reed met vaardige hand tusschen de tallooze inlandsche marktgangers door. Telkens vloog een groepje vrouwen uiteen, luid gillend en lachend.
Wat is dit voor een gebouw ?
’t Paleis van den Sultan van Deli; vind je ’t mooi?
Jawel.
Ik niet, mij te veel bombast.
Buiten de stad konden we wat geregelder doorrijden. Huug behoefde nu niet meer zoo angstvallig op zijn stuur te letten. De weg lag open en vrij voor ons.
Het landschap viel me een beetje tegen. Links en rechts djatiaanplant, hier en daar onderbroken door een paar maleische kampoenghuisjes.
Enkele naakte kinderen speelden bezijden den weg en riepen ons een „tabéh toewan” toe, hetgeen door Huug genegeerd en door mij met een armzwaai beantwoord werd.
Veel is hier niet te zien, hè, maar dat wordt straks wel beter. Hier komen we aan een tabakskebon, dat wil zeggen, t moet er een worden. Ze zijn den boel aan t ontginnen. Kijk, hier begint het.
Een uitgestrekt landschap vertoonde zich aan ons oog. Heuvelachtig terrein. Overal, zoover we konden zien, brandde en rookte het. Tusschen de dichte rookwolken zagen we chineesche koelies loopen, slechts gekleed met een lendendoeken op het hoofd een spitsen bamboehoed.
Een paar maanden geleden was ’t nog allemaal bosch, zei Huug.

Worden die boomstronken niet uitgegraven, of blijven die staan?
Uitgraven zou teveel tijd en geld kosten. Zoodra de oogst van het veld is, blijft de grond weer een paar jaren braak liggen. Later komen ze natuurlijk weer op dezelfde afdeeling terug. De tabakkers trekken ieder jaar met d’r heele hebben en houwen verderop. Ze planten nooit tweemaal achtereen op denzelfden grond.
Waarom is dat? Op die manier is er toch een geweldige oppervlakte noodig?
Dat wel, maar ’t schijnt zoo te moeten, ’k Ben geen tabakker maar ik geloof dat het is ter voorkoming van slijmziekte en degeneratie.
Onze maatschappij heeft toch ook tabaksondememingen, nietwaar?
Jammer genoeg wel, ja!
Hoe bedoelt U? Waarom jammer?
Och we hebben tot nu toe nog nooit anders dan verlies op de tabak gehad. Nu eens misoogst, dan weer verkeerden regenval, enfin, altijd wat anders.
En de rubber?
Die doet het prachtig, vooral met de tegenwoordige prijzen. We schieten d’r echter geen bliksem mee op; wat de rubber verdient, verliest de tabak wel weer.
Hier zijn we al aan kampoeng Soeka-manis. Nu zijn we d’r gauw.
Hoe heet de hoofd-administrateur?
Seggeli, ’t is een Zwitser.
Hoe is die meneer, nogal lastig?
Gaat nogal. Niet kwaad, maar een beetje oppervlakkig.
Een Zwitser, zei U, zijn er in de Hollandsche kolonie geen Hollanders genoeg om de leidende functies te bekleeden? Schijnbaar niet. De helft van de bazen is buitenlander.
Is U de oudste van de onderneming?
Ja. Na mij volgen Van Geldorpe, Van Berghe en dan Rensema van Ogterterpe, die is pas van verlof terug. Hartman was de

jongste maar dat ben jij nu. Over een paar dagen krijgen we d’r nog één bij. Een zekere Heerema die van een andere onderneming naar hier wordt overgeplaatst.
Dan zult U dus het eerst administrateur worden ? Menschelijkerwijs gesproken wèl ja, maar dat zal de tijd leeren. ‘k Heb al zooveel gekke dingen meegemaakt; enfin daar zullen we ‘t maar niet verder over hebben.
De auto minderde vaart. We reden een prachtig aangelegd plantsoen binnen. Verbaasd keek ik rond. Een breede oprijlaan, ter weerszijden beplant met roode bloemen-dragende boomen, voerde naar het kantoor waar de hoofdadministratie der maatschappij zetelde.
Wat is dat daar voor een gebouw ?
Dat daar? ’t Huis van den hoofdbaas. Mooi hè?
Schitterend, ’t Lijkt wel een paleis.
‘t Kost ook maar eventjes anderhalve ton.
Zoo, stap uit en meld je maar bij den secretaris. Ik wacht wel
zoolang.
De chef van het administratief personeel begroette mij vriéndelijk.
Aha, daar hebben we ons singkeh, meneer Reeder metwaar? Mijn naam is Matthes.
Ik moest me bij de hoofdadministratie melden; is meneer Seggeli te spreken?
Gaat U maar even zitten. Goede reis gehad?
Dank U, uitstekend. Maar ’k ben toch blij dat ze achter den rug is, ’t begint op ’t laatst een beetje te vervelen.
Ja, daar weet ik alles van, ’k heb haar al vier keer gemaakt. Zijn Uw koffers al naar Goenoeng-Ampat doorgezonden ?
Daar heeft meneer Hartman aan boord voor gezorgd.
Ik zal even vragen of U binnen kunt komen, wacht hier maar
een oogenblik. _ .
Enkele inlanders zaten in nette witte jasjes achter een schnj tafel en wierpen terloops nieuwsgierige blikken op den nieuwen toewan.
Komt U maar mee, meneer Reeder. Laat Uw hoed maar liggen.

De heer Seggeli zat achter een met stapels papier beladen lessenaar.
Bij mijn binnenkomst wenkte hij me om nader te treden. Half uit z’n stoel opstaande, bood hij mij de hand en met een Duitsch accent heette de hoofdadministrateur mij welkom. Gaat U zitten.
Ziezoo, daar bent U dan eindelijk. We zitten al lang om iemand verlegen. Goenoeng-Ampat moet uitbreiden en zonder voldoende personeel gaat dat bezwaarlijk.
Na deze inleiding boog de heer Seggeli zich over een bundeltje papieren als zocht hij naar een bepaald iets.
Hierdoor had ik gelegenheid hem even ongemerkt op te nemen. Niet zoo jong meer. Geheel grijs. Zijn gelaatskleur duidde op vele tropenjaren.
Juist, hier heb ik den brief van de directie. U kent de condities waarop U is aangenomen ?
Jawel, meneer Seggeli, ’t contract is me in Holland voorgelezen en ik heb ’t daar ook voor accoord geteekend.
Mooi, mooi, mooi, dan heeft het geen nut om hier in herhaling te treden. Alzoo, vertelt U me nu eens een en ander over Uw opleiding, enz.
Zoo nauwkeurig mogelijk somde ik m’n scholen op, hetgeen belangstellend werd aangehoord.
Juist, dat is in orde enne… nu moeten we een planter van U zien te maken. In het eerste jaar krijgt U ontginningswerk. Daar beginnen we hier allemaal mee, dan leert U de rubbercultuur van meet af aan.
Na een jaar probeeren we het dan eens in de tapafdeeling en de fabriek. Om een goed assistent te worden moet U al die zaken onder de knie hebben.
U krijgt mijnheer De Korte als administrateur. Dat is een bekwaam vakman waar U veel van zult kunnen leeren.
Heeft U misschien nog iets te vragen?
Zou ik misschien driehonderd gulden voorschot kunnen krijgen, ’k wou graag wat meubilair en zoo koopen.
Neen, dat gaat niet. Dat is hier niet de gewoonte en U begrijpt

dat we voor U niet van dien regel kunnen afwijken. Uw collega’s zullen nog wel wat oud meubilair hebben en de rest moet U van Uw salaris maar successievelijk bijkoopen. Nog iets anders?
Neen, anders niets, meneer Seggeli.
Nou, doe Uw best dan maar. Ik kom me wel eens persoonlijk van Uw vorderingen overtuigen, enne… van de javaansche vrouwen afblijven!
Deze deur. Dag mijnheer Reeder.
Van Dalen had geduldig z’n tijd verpoosd met het rooken van ettelijke sigaretten. Tallooze weggeworpen eindjes lagen rondom den wagen.
En? ’t Onderhoud nogal meegevallen?
Best. De hoofdbaas was heel vriendelijk. Hij informeerde naar m’n opleiding, enz. Toen ik de deur uitging zei ie nog dat ik van de javaansche vrouwen moest afblijven. Hij is nog al bezorgd voor me, geloof ik.
Och die vaderlijke raadgevingen beteekenen zoo weinig. Als je hier je zelf niet weet te blijven, zijn al die theorieën van nul en geener waarde. Maar ja, ’t is goed bedoeld moet je maar denken. Na een uur gereden te hebben, veranderde het landschap. De weg ging sterk opwaarts en slingerde zich over en langs dicht begroeide heuvels. Enkele malen moesten we een diep ravijn door, daarna was het weer klimmen en nog eens klimmen.
We gaan hier aardig de hoogte in, hè ? Kijk, ginds in dat wazige blauw ligt Goenoeng-Ampat ongeveer, ’t Is een enorm voordeel om zoo hoog te wonen, ’s Avonds heerlijk koel en weinig muskieten, dus weinig kans op malaria.
Zoo eentonig de reis in het begin was geweest, zoo afwisselend was ze nu. Soms reden we door dichte bosschen, wat ik buitengewoon interessant vond. Troepen apen sprongen gillend en krijschend tusschen de takken en legden een groote vrijmoedigheid aan den dag.
Typisch dat die beesten niet schuw zijn!
Ze zijn het verkeer al gewend. Brutaal als de beul!
Moet je ze nieuwsgierig zien loeren. Kijk, in den top van dien

hoogen toealang, dat zijn siamangs of wel zingende apen. Zingen die werkelijk?
Nou en of. Een voorzanger begint in den regel en dan valt het heele koor in. ’t Klinkt beslist aardig. D’r zijn heel mooie stemmen bij. Ik keek Huug ongeloovig aan. ‘t Was nu eenmaal de gewoonte om een nieuweling er in te laten loopen, dus… Nee, werkelijk, ’k bedonder je niet. Je zult ’t nog wel genoeg te hooren krijgen. Vooral ’s morgens vroeg, misschien meer dan je lief is.
Kun je die beesten vangen en in ’t leven houden ?
Erg moeilijk, maar ’t gaat. ’k Heb thuis een paar mooie exemplaren. Je kunt er wel een van krijgen als je wilt.
Dolgraag, ’k Zal er U aan herinneren.
All right. Hier begint Goenoeng-Ampat. Kijk maar eens goed. In de verte werkten koelies onder toezicht van een Europeaan. Zijn witte kleeding stak scherp af tegen den donkeren achtergrond.
Dat is Morain. Hij ziet ons, zwaai maar terug.
De uitgestrekte vlakte maakte een somberen indruk op mij Alles was verkoold en zwart gebrand. Hier en daar staken dikke takken hun geblakerde en gebroken overblijfselen omhoog, als strekten zij hun armen ten hemel over de algeheele vernietiging van dit eeuwenoude bosch. Op verscheidene plaatsen laaiden hooge vlammen op. Knetterend grepen zij gulzig om zich heen. Lichtblauwe rookwolken stegen loodrecht naar den azuren koepel boven ons en losten zich daar op.
U noemde zooeven den naam Morain?
Ja, da’s waar, dien vergat ik daar straks te noemen. Morain volgt op Hartman en heeft de ontginning tot nogtoe gehad. Meneer Seggeli sprak er over dat ik de ontginning zou krijgen.
Oh, dan komt Morain denkelijk in de tap. Daar boft ie bij.
Wat een hitte boven die vlakte. De lucht trilt ervan!
Ja, je zult je pleizier wel opkunnen als je daar eenmaal loopt, ’t zal je in het begin wel niet meevallen. Geen halve vierkante meter schaduw. De zon brandt en schroeit daar op je body tot

je geroosterd bent. Je bent nu nog blank maar dat zal wel veranderen.
Hier komen we langs mijn tapafdeeling.
Het dorre terrein veranderde eensklaps in een keurig aangelegd bosch. Onafzienbare rijen boomen. Lanen en nog eens lanen. Duizenden en nog eens duizenden egaal ronde stammen op gelijke afstanden van elkaar. Gevlekt als berkenhout met een verscheidenheid van kleuren.
Ik heb hier indertijd het oerbosch nog gekapt en deze rubber geplant.
Dat lijkt me wel interessant. Op die manier zie je tenminste de vruchten van je arbeid.
Zeker, ’t is ook aardig. De rubbercultuur is heel mooi, maar je moet er met hart en ziel in opgaan. Heb je geen lol in je werk, ga dan maar liever terug naar Holland, dan hou je ’t hier niet vol.
Wie woont daar?
Dat is mijn huis, maar we rijden door. De baas verwacht je.
Is de heer De Korte nogal een geschikte chef?
Een prachtvent. Je zult in Deli niet makkelijk nóg zoo iemand aantreffen. Vroeger was ie in de tabak maar io jaar geleden is ie naar de rubber overgegaan. Een uitstekend vakman en verbazend eenvoudig.
We reden het kebon-emplacement op. Het was niet zóó grootsch als op Batoer-Lama, waar het hoofdadministrateurshuis stond. Toch keek ik ook hier mijn oogen uit.
Op de ruime, prachtig geschoren gazons plekten hier en daar purper-bloeiende bougainvilles. Enkele huizen en kleine gebouwen vormden een ruimen halven cirkel om de administrateurswoning, die op een verhooging was opgetrokken en met blinkend witte muren en kleurige zonneschermen een vroolijken indruk maakte.
Voor de auto goed en wel had stilgehouden, trad reeds de heer De Korte naar buiten.
Een forsche man met innemend gelaat.
Goeden morgen heeren! Stap uit en kom binnen!

Hier breng ik U Uw jongsten employé, mag ik U voorstellen, zei Huug, meneer Reeder.
Welkom op de onderneming, meneer Reeder, blij dat U d’r eindelijk is. We zitten al maanden lang te tobben met tekort aan personeel.
Het doet mij genoegen dat te hooren, ik kom dus in ieder geval niet ongelegen.
Waarachtig niet. Ijverige menschen komen in Deli nooit ongelegen en we willen hopen dat we over een poosje een goede werkkracht aan U zullen hebben.
’k Zal m’n best doen, meneer De Korte.
En wat zal ’t zijn? Een ajer djeroek of misschien liever een splitje ?
Graag een beetje gewoon water als dat mag, ’k heb ergen dorst. Zoo U wilt. Van Dalen zeker een splitje?
Heeft U de hoofdadministrateur gesproken, was ie op ’t kantoor?
Ja, ik heb me even gemeld. Meneer van Dalen was zoo vriendelijk me daar heen te rijden.
Wanneer komt Uw meubilair?
Dat staat achter in de auto, ’t is niet zoo heel veel.
Achter in de auto ?
Van Dalen begon te lachen. Oh, hij heeft met van Geldorpe en nog een ander singkeh van de R.C.O. inkoopen gedaan in Medan, met het gevolg dat Reeder z’n huishouden nu gaat opzetten met een tuingieter en een grammofoon. Dat is alles wat ze hebben ingeslagen. Dat andere singkeh liep met een petroleumstel door Medan. Om te gillen!
Meneer De Korte moest hartelijk lachen. Zijn jullie met van Geldorpe op stap geweest ? Dan weet ik de rest wel. Enfin, U moet de eerste paar dagen maar bij Van Dalen logeeren en dan zal ik eens kijken wat we kunnen doen. D’r staat nog wel wat meubilair in m’n goedang.
Komt U morgenochtend om half zes op het kantoor, dan zullen we samen de ontginning eens gaan bekijken. Morain gaat over een paar dagen al de tap in. Kent U al wat maleisch ?

Aan boord hebben we wel wat gestudeerd, maar een paar javaplanters zeiden dat we aan die boekentaal toch niets hadden. In de practijk konden we ’t beter leeren.
Dat is wel zoo. Begint U zich nu maar direct hierop toe te leggen. U snapt dat het een voornaam ding is om zich verstaanbaar te kunnen maken en dat U Uw werkvolk kunt begrijpen. Willen we dan nu maar eens opstappen, Reeder? ’k Begin trek in een stukje eten te krijgen, zei Huug.
U bent vandaag nog vrij, Van Dalen, laat U meneer Reeder de omgeving maar eens zien. Tot morgen dan hè!
Sympathieke baas zeg.
En of! Je had het heusch slechter kunnen treffen. Er zijn in Deli nog bullebakken genoeg die glad vergeten, dat ze zelf assistent zijn geweest. Die kunnen je het leven zuur maken, dat verzeker ik je.
VanDalens huis stond op palen. Een hooge trap voerde naar de voorgalerij, ’t Zag er gezellig bij hem uit. Aardige rotanmeubelen en bontgekleurde gordijnen. In de hoeken der kamer stonden schitterend gekweekte chevelures. Tegen den wand hingen, behalve eenige ingelijste platen, mooie inlandsche wapenen en kleurige sarongs, smaakvol gedrapeerd.
Dat doet Toeki-san, m’n Japansche huishoudster. Daar is ze juist.
Toeki-san, dit is de nieuwe toewan. Hij blijft hier enkele dagen logeeren.
Het aardige Japansche meisje maakte een diepe buiging, de beide blanke handjes gekruist over de borst, zoodat de plooien van haar wijde kimono-mouwen bevallig langs haar slanke figuurtje vielen.
Tabéh toewan, slamat datang.
We hebben honger Toeki-san, dek maar gauw.
Alles is klaar mijnheer, U kunt aan tafel gaan.
Tic genoot van den eenvoudigen doch smakelijk toebereiden maaltijd.
Je moet goed eten Reeder. Wanneer je met malaria, dysenterie enz. gaat tobben moet je „Ausdauer” hebben, anders ga je d’r

onderdoor. Met je kleine aanvangsalaris zul je moeten woekeren om rond te komen, maar bezuinig je nooit op het eten, dat wreekt zich absoluut.
Wat is dat voor een mijnheer van wien ik het werk zal overnemen?
Morain? Een indische jongen. Z’n vader was een Franschman, z’n moeder een inlandsche vrouw.
Een kleurling of halfbloed dus.
Ja. Sinjo zeggen we hier.
Een geschikte vent?
Och, wat zal ik zeggen. Het is niet de gewoonte om over collega’s te praten. In een kleine samenleving als hier zou kletsen over elkaar tot de grootste ruzie en onaangenaamheden leiden. Ieder heeft zijn eigen werk, dus wat dat betreft heb je weinig met elkaar te maken. Voor de rest doen we allemaal ons best om een goede verstandhouding te bewaren.
We kunnen vanmiddag wel eens naar je huis gaan kijken. Stel je d’r niet veel van voor. Dit zijn permanente woningen en jij komt in de ontginning terecht, ’t Is daar nog al afgelegen en dat zal in het begin wel niet erg meevallen. Je zult er misschien momenten meemaken dat je een gevoel krijgt alsof de geheele wereld op je drukt. Dat hebben we allemaal ondervonden, maar daar moet je doorheen. Doorzetten en volhouden. Tanden op elkaar.
Als ’t je te benauwd wordt kom je maar eens hierheen, je bent altijd welkom. Je moet je niet te veel afzonderen, anders verwilder je op den duur.
In de drie dagen die ik bij Van Dalen logeerde, had ik volop gelegenheid om Huug te leeren kennen als een oprechte, eerlijke kerel, met een hart van goud.
Avondstemming lokt tot intimiteit, ’t Is alsof je je gevoelens gemakkelijker uit. Je spreekt over zaken die in den nuchteren morgen öf anders belicht zouden worden, óf in het geheel niet zouden worden verteld.
Tot laat in den avond bleven Huug en ik napraten en het deed me vreemd aan dat de uiterlijk onverschillige Van Dalen, inner-

lijk zoo’n gevoelsmensch bleek te zijn.
Van Dalen had rechten gestudeerd, vertelde hij mij. In het tweede jaar had ie zijn studie echter gestaakt om zijn toekomstige zwarte baret voor den tegenwoordigen plantershoed te verwisselen.
Z’n vader was een bekend advocaat in Amsterdam en had zich sterk tegen Huugs dolle plannen verzet, echter zonder succes. Onaangenaam waren zij van elkaar gescheiden. Door de jaren was het wel weer gedeeltelijk bijgelegd, de tijd heelt alle wonden… doch laat lidteekens achter.
Den naam van z’n meisje had hij tegenover zijn ouders hooggehouden. Die wisten niet dat zij de aanleiding was van Huugs plotseling vertrek en dat zij hem diep had gewond. Hoe zouden zij hebben kunnen begrijpen dat zoo’n lief meisje tot geraffineerd optreden in staat was geweest?
Dat Huug de verloving met de dochter van een der eerste Amsterdamsche families zoo oogenschijnlijk vlegelachtig had verbroken, was voor de hoogstaande en ernstige ouders een vreeselijke teleurstelling.
Uit liefde en terwille van haar naam had Huug gezwegen. Hier in de rimboe had hij getracht te vergeten.
Negen jaren schenen niet voldoende te zijn geweest. Huug had vergeven… doch niet vergeten.

HOOFDSTUK IV
Monotoon klonk de roep van den nachtvogel en van heel ver verwijderd drongen trom- en fluitmuziek uit de kampoeng door tot mijn afgelegen woning.
Hel snerpte een krekel in het gras, hoog en trillend. Scherp omlijnde schaduwen van de klapa-sawit, welke als eenige onderbreking in den hopeloos verwilderden tuin stond, teekenden zich in grillige figuren af op den grond.
De bruingeteerde voorgalerij was door den baas en mijn collega’s voorzien van een rotantafeltje, enkele wrakke stoelen en een rustbank van hetzelfde materiaal.
Een scheefbrandende petroleumlamp verspreidde meer walm dan licht. De kale wanden waren van ongeschaafd hout opgetrokken.
De Deli-courant had ik letterlijk uitgespeld, tot de meest onbelangrijke advertenties toe en die lag nu achteloos op den vloer geworpen, als ware zij de oorzaak van mijn baloorige stemming. Neen, baloorig geeft deze op dat moment niet geheel juist weer.
Down, tevens opstandig, tegenover alles. Ik haatte m’n omgeving. Honderd malen had ik me reeds afgevraagd, „wat doe je hier, wat ben je begonnen?”
De stilte drukte mij. ’t Was alsof ik geen adem genoeg kon krijgen. Een beklemmend gevoel dreigde me te doen stikken. Groot, rond en uitdrukkingsloos staarde de maan mij aan. Ongevoelig en koud glansde zij in starre onbewegelijkheid.
Oh, wat kunnen sommige schrijvers en dichters fantaseeren over diezelfde maan. Droomerige, dweepende zangen, van zilveren stralen op een spiegelend watervlak; van sluimerende landouwen onder tooverachtige belichting van een vriendelijk glimlachende maan, zoo ongeveer als een vereenvoudigde uitgave van het paradijs.
Jawel, de omstandigheden kunnen zelfs een orkaan of hagel-

jacht idyllisch maken.
In mijn ongezellige planken keet, uren ver verwijderd van eenig beschaafd wezen, voelde ik me meer een uitgestootene, dan een bewoner van het paradijs. Ondanks die vriendelijk glimlachende, tooverachtige maan. Ik zag haar ironisch neerzien op alles wat mij benauwde. Het dichte oerbosch tegenover m’n huis grijnsde mij met honderd opengesperde muilen aan. M’n voetstappen op den ongedekten vloer klonken als mokerslagen, hard en hol.
Niet piekeren! Tanden op elkaar en volhouden, had Huug gezegd.
Natuurlijk. Niet laf zijn. M’n grammofoon opdraaien? Welja, Koos had gezegd dat we hem dankbaar zouden wezen voor z’n goeden raad.
Akelig schor gorgelde het in den rooden hoorn. Dan schetterde het opeens „Komt vriendenschaar komt bij elkaar, de kermis komt maar eens in ’t jaar”. Het krakende jankende geluid, verscheurde de stilte.
Jasses. Af dat ding!
Alsof het afgesproken was, zwegen plots trom, fluit en krekel. Nu was het opeens of een sourdine op alle geluid werd gezet. Nu hoorde je de stilte als een onbegrijpelijk „niets”.
Om niet heelemaal het idee te krijgen dat ik alleen op de wereld was, riep ik onnoodig hard om mijn eenigen bediende, een ouden javaan, die voor mijn potje zorgde, mijn wasch deed en in oogenblikken van oplaaienden ijver, den vloer met een zelfgefabriceerden stalbezem schoonzwaaide.
Mioen, waarschijnlijk uit den dommel wakker geschud of uit zijn maneschijndroomen door mijn schreeuw tot de nuchtere werkelijkheid teruggebracht, kwam haastig aanloopen.
Een klein gebogen mannetje, met schrandere zwarte kraaloogjes. Zooals hij daar bij den ingang stond, het hoofd een weinig scheef, deed hij me het meest denken aan een kraai, die met verwonderde aandacht de bewegingen van een vreemd insect gadeslaat.
In zooverre was deze gedachte wel juist, dat Mioen mij zeer

zeker als een vreemdsoortig wezen beschouwde, waar hij nimmer hoogte van kon krijgen.
Ik wist niet wat ik Mioen moest vragen, ’k Kon hem toch niet zeggen dat ik mijn eigen stem had willen hooren.
‘ Eh, …wat is er straks te eten?
Alsof ik de keus had tusschen de uitgezochtste spijzen van een Hollandschen delicatessenwinkel, vroeg Mioen: „toewan soeka apa”, waar houdt meneer van?
Waar ik allemaal van hield legde ik hem maar niet uit. Hij zou het niet eens begrepen hebben en zeker geen kans zien iets anders klaar te maken dan rijst en als „spécialité de la maiSon”, wat tot moes gekookte aardappelen.
Is er nog wat over van die kip van gisteren, je weet wel, die tachtigjarige ajam.
Neen meneer.
Gelukkig. Maar ik meen toch dat de grootste helft is teruggegaan?
Mioen, om zich een houding te geven, bracht het gewicht van z’n tenger lichaam over op het andere been en stopte z’n lange haren onder den slordig omgewonden hoofddoek.
Nou! Was er over, of niet?
Ja, dat wel, maar de poes heeft het meegenomen, loh wat was ik kwaad.
Ik vond de kip, die gisteren het hoofdbestanddeel van m’n maaltijd was geweest, doch als ongenietbaar terzijde werd ge zet, niet de moeite waard om den raadselachtigen en alleen in het fantastische brein van Mioen bestaanden kat, van schuld vrij te pleiten.
Breng dan maar wat anders. Is er nog leverpastei?
Eén tinnetje. Wil ik er nog wat aardappelen bij bakken? Aangezien het me een raadsel was hoe de boy de tot moes gekookte substantie in gebakken aardappelen wilde omtooveren, vond ik het beter om me maar niet aan dit experiment te wagen.
Wil ik dan voor meneer…
Neen, spaar me, schiet maar op!

Och, de boy was gewillig genoeg, maar hij kon niets.
Mioen was feitelijk geen afgerichte huisbediende. Als contractant had hij wat uitgeblonken door zijn ingetogenheid en was derhalve door den hoofdmandoer gepromoveerd tot boy van den toewan baroe. Ik moest hem veel leeren, doch nog meer afleeren. Hij mocht niet eens met z’n hoofddoek m’n drinkglas uitvegen. Malle blanda’s toch, je kréég er geen hoogte van. Meneer had ’m zelfs al het vuil dat ie zoo netjes onder het bed had geveegd, er onder uit laten halen. Maar enfin, je moest die Europeanen maar niet te nauw nemen. Ze waren toch allemaal eender.
Over het hekje van de galerij leunende, hoorde ik in de verte het doffe stampen van paardenhoeven en even later een paar stemmen, die luid opklonken in den stillen avond.
Met een korten ruk hield een kittig batakpaardje voor de trap stil en sprongen Huug en Hartman uit de bedenkelijk overhellende buggy.
Hallo Reeder. Aan ’t maanblaffen? Fijne avond, hè?
Ja, waarachtig, ik vond de avond ineens mooi. Héérlijk mooi. Hartman was bij me op bezoek en toen kwam het plotseling bij ons op dat jij het wel prettig zou vinden om eens iemand te zien.
Hoe gaat het ? Kun je ’t hier vinden ?
Och ja, een beetje stil hè. ’k Moet er nog wat aan wennen. Hartman en Huug wisselden een begrijpenden blik. ’k Behoefde hen niets wijs te maken, zij waren óók singkeh geweest. Ook zij hadden met heimwee gekampt en wanhopig tegen de eenzaamheid gevochten.
Hun kwasi onverschillig binnenvallen was een vriendendienst, een medeleven van den ouderen met den jongeren collega, die nog iederen avond de stilte en eenzaamheid als een spook op zich zag aankomen.
Blij jullie te zien hoor. Ga hier zitten Hartman, deze stoel is steviger. Jij hier Huug. Hier zijn de sigaretten.
Hou je kalm jong, wind je niet op. Verrek kerel, wat is dat nou? Huil je?

Och nee, ’t is al over. Ik word gek hier. Ik kin niet tegen die vervloekte stilte.
Natuurlijk, dat kennen we hoor. Over die periode moeten we allemaal heen. Maar nou zijn wij hier en kop op asjeblieft. We zijn voor ons plezier op stap, wat jij Huug?
Allicht. Amat, breng het bier even boven. We hebben maar een en ander meegebracht, anders hadden we hier op een droogie kunnen zitten, nietwaar?
Ik heb tenminste geen bier in huis.
Gelijk heb je. Wacht daar maar een jaartje mee, zonder dat zul je evengoed in den beer komen.
De seice, koetsier van Van Dalen, bracht eenige flesschen bier en een pakket boven.
Laat die ouwe Mioen van jou dat pak maar even in de kast bergen, da’s voor morgen. Niks, niks, niet zwammen.
Hartman keek eens rond.
Je zit niet slecht in je spullen! zei Hartman ironisch. Verdomd, wat een ongezellige keet. Heb je niets anders dan die stinkwalmmachine ?
Nee, die is van den baas afkomstig, ’k ben er nog blij mee. Huug keek ook eens om zich heen en schudde z’n hoofd, ’t Is treurig.
Zou het nou zoo’n te kort op de begrooting van de maatschappij maken als ze die jongelui eens wat op dreef hielpen ? ’t Behoefde toch ook geen schatten te kosten.
Je moet op de eerstkomende vendutie wat meubilair koopen hoor, zóó kun je niet blijven leven. Verdomd, zóó zou ik het ook niet uithouden.
k Ben nu al in den beer. ’k Heb beddegoed, glaswerk enz. laten komen.
Dan maar in den beer, duvelt niks.
Hoe is de baas voor je? Al op je donder gehad?
Nou op m’n donder niet, maar d’r schijnt nog wel een en ander aan m’n werk te mankeeren. De mandoers hebben er allemaal vies van langs gekregen en op ’t eind zei-ie: „Ik heb het tegen de mandoers gezegd, maar ’t was voor U bedoeld.”
4 Deli planter

Huug en Hartman schoten in den lach. Echt De Korte, zoo is ie. Trek ‘t je maar niet te erg aan. Hij meent ’t zoo bar niet hoor. ’t Is nu eenmaal het systeem, vooral van de oudere bazen, om een singkeh eerst in elkaar te wringen, je heel klein te maken om je dan later te kunnen vormen naar het voor hen ideale model. Ook daar moet je doorheen. We hebben allemaal een harde leerschool gehad. Later wordt dat vanzelf beter, als je tenminste je best er voor doet. Er zijn ook lui die ’t nooit leeren.
Geloof gerust dat De Korte je zal africhten en zeker niet op de zachtzinnigste manier. Maar je moet je schikken en je mond weten te houden, ook al denk je gelijk te hebben.
Als je de leerschool van De Korte kunt volhouden, zonder eigenwijs te zijn, maakt-ie een model-planter van je.
Geef me die sigaretten eens aan. Dank je. Heb jij de lucifers in je zak gestoken Hartman?
Stil eens. Wie kan dat zijn?
’t Paard van Karei van Berghe, ’k zie het aan dien witten voorpoot.
Verroest Karei, ‘k dacht dat je aan je boeken zat.
Wacht even. Hallo Reeder, alles goed? Fijne boel hier.
Ja lui, ‘k zat ook aan m’n boeken, maar ’k moest jullie even opzoeken om het laatste nieuws te vertellen, ’k Hoorde het juist van De Korte.
Wat voor nieuws?
Wie dpnk je dat baas is geworden op Bandar-Lima?
Wie? Nou, Beinings natuurlijk, die is tenminste volgens anciënniteit en niet te vergeten volgens capaciteit aan de beurt, zou ik denken.
En jij Hartman? Wie denk jij?
Net wat Huug 2egt, wie anders dan Beinings?
…Dekker, jongelui! Dekker, een zesjarig assistent die alles watie misschien kan presteeren, van Beinings geleerd heeft!
Ben je nou een haartje? Dat zou een schandaal zijn. Is t al officieel?
Ja, hij moest vanmiddag op ’t hoofdkantoor komen waar hem

werd medegedeeld, dat-ie vanaf den eersten de kebon van Smit moet ovememen.
Goddome wat een onbillijkheid! Bah! Ik heb niets tegen dien kerel, absoluut niets, maar het administrateursschap komt ’m niet toe en dat weet-ie zelf het beste.
‘t Is beroerd voor Beinings, maar ’t staat je allemaal te wachten. Willekeur en protectie. Je prestaties zijn bijzaak!
Snap jij hoe zoo’n hoofdbaas er toe komt ?
Waartoe komt?
Nou, tot zoo’n benoeming natuurlijk. Hij weet toch zeker bliksems goed dat Beinings een jaar of acht langer bij de maatschappij is en in vakkennis mijlen ver boven Dekker staat ? Natuurlijk weet-ie dat en hij weet ook dat in de pink van Beinings meer energie zit dan in de heele gammele body van Dekker.
En toch neemt-ie den eersten den besten voor administrateur met passeering van twee, nee wacht eens, van drie ouderen van die onderneming, ’t Is weer fraai hoor!
Och menschen, meen nu niet dat de hoofdbaas daarvan de schuldige is. Dacht je nu werkelijk dat-ie niet aanvoelt dat hier weer een verdomde onrechtvaardigheid gebeurt?
Of-ie ’t aanvoelt, daarom maakt-ie Dekker zeker baas! Schei toch uit man.
Laat me uitpraten Karei. Je slaat den hoofdbaas te hoog aan. Ik zeg je dat-ie in die promotie weer niets te zeggen heeft gehad. Dat doet Holland. De directie!
Mogelijk. De directie zal natuurlijk wel eenigen invloed op die zaken hebben, maar per slot van rekening is de hoofdbaas toch zeker de man die beslist ?
Je snapt er geen lor van Karei. Je hebt nog nooit achter de coulissen gekeken. M’n neef is, zoo je weet, hoofdbaas van de Assahan-rubber, nietwaar? Nou, vier maanden geleden bij zijn terugkomst van verlof, heeft-ie me staaltjes van willekeur van zijn directie verteld, waar een eerlijk plantershart van gaat stilstaan.
O.a. werd hem gezegd dat zijn meening omtrent de komende

promoties niet zou worden gevraagd. De man die z’n menschen van a tot z kent en precies weet hoe zwaar ieder weegt, terwijl de assistenten bij de directie slechts bij name bekend zijn. Wanneer je, met verlof zijnde, in de wachtkamer zit om bij de Heeren op ’t matje te mogen komen, snuffelen ze eerst even je conduite door, die misschien door een of andere machtswellusteling is gemaakt. Deze conduite, opgesteld óver je, doch zónder je, is koolzwart of glimmend al naar gelang je je baas wist te lijmen.
Of naar gelang je meid met de meid van den baas kon ópschieten, viel Hartman in de rede.
Ook dat! Maar dit daar gelaten. Wanneer ze zoo onderhand tot de wetenschap zijn gekomen, wie er feitelijk op bezoek komt, word je met den meest innemenden glimlach ontvangen. Je krijgt een groote sigaar en dan mag je van wal steken. Hoe meer je zwamt, hoe beter. Zij luisteren wel. Menig ronde planter, met het hart op de tong, ontdekt eerst later, dat hij meer woudlooper dan diplomaat is.
Daar word je beoordeeld en… veroordeeld.
Je hoofdbaas krijgt bericht dat meneer die of die administrateur moet worden. Zijn opinie wordt genegeerd. En weet je wat het lamme dan nog is? Zoo’n hoofdbaas moet de houding aannemen alsof hij de stichter van al die onrechtvaardigheid is. Hij kan toch moeilijk tegenover z’n ondergeschikten laten uitkomen dat-ie slechts ledepop is?
Goed, aangenomen Huug, maar kan zoo’n vertegenwoordiger der maatschappij zich niet eens tegen die onrechtvaardigheden verzetten? In z’n hart gaat-ie er immers niet mee accoord? Accoord of niet accoord, hij kan wikken, Holland zal beschikken. Hij is de hampelman, die op hoog bevel de armen zwaait.
Je zult wel gelijk hebben Huug, maar zou het over de geheele wereld niet hetzelfde zijn ? Je gelooft toch niet dat het enkel de cultuurmaatschappijen zijn die het geheime conduitesysteem heiligen?
Dat weet ik, er zijn nog meer instellingen die niet ronduit voor

de opinie over haar ondergeschikten durven uitkomen. Het valt hier alleen maar een beetje scherper op. Je werkt hier dikwijls 15 jaar en langer onder één baas, die je wijselijk in den waan laat dat je verrekt goed aangeschreven staat, totdat je opeens tot de ontdekking komt dat je aan den voet van den berg ligt. Waarom je op het eind van het jaar niet eens inzage gegeven? ’t Is toch een eerlijke zaak? Je geheele wel en wee hangt er van af. ’t Is maar makkelijk voor een baas om een antipathie of vooroordeel tegen een ondergeschikte in gif om te zetten op een zonden-register. Wedden dat die zonden tot een kwart zouden worden gereduceerd als-ie dat papiertje eerst door den veroordeelde voor accoord moest laten teekenen?
Huug zit weer op z’n stokpaardje hoor, als-ie daarover begint is-ie voorloopig niet uitgepraat.
Mij dunkt dat er genoeg voorbeelden zijn die mijn theorie waar maken. Dat is zoo, maar laat waaien kerel, we veranderen d’r toch niets aan en je maakt alleen ons singkeh maar in de war met je gekanker.
Wel verdomd, ben ik begonnen of kwam jij hier met dat verrotte schandaal van Bandar-Lima?
Jawel, jawel, maar laten we d’r nu over ophouden. Reeder wou op die manier dat we weg waren gebleven, wat jij, ouwe boschkip?
Neen, waarachtig niet. D’r valt altijd wat van te leeren. Ik zie de dingen maar graag zooals ze in werkelijkheid zijn, dan kom je niet zoo makkelijk voor verrassingen te staan, ’k Steek er allicht iets van op.
Over opsteken gesproken, zei Hartman, hier, probeer eens. Net uit Holland gekregen. Dure!
Hoe smaakt ie?
Mooi bandje. Boven z’n stand gekleed.
Stik, geef terug die sigaar.
Laat maar, ’k ben nou toch al beroerd.
Jij nog wat bier Reeder? D’r is nog hoor!
Zeg weten jullie de nieuwste mop van Aloer-Gedeh ?

Is dat die kebon waar de zure Palland baas is ?
Ja. Palland die alles weet en alles kent. Bouwen? Daar draait ie z’n hand niet voor om.
Voor z’n fermenteerschuur moest een bruggetje worden gemaakt. Nu zou ieder administrateur even een chineeschen toekang aan ’t werk zetten, da’s die lui d’r vak. Maar Palland niet, die zal ’t zelf wel eens opknappen met een stelletje tjankolkoelies.
Hij is begonnen met in de greppel een fundament te metselen, alsof de spoorbrug van den Moerdijk er op moest komen te rusten. Enfin, ’t is klaar gekomen, wel scheef en beroerd, maar soeda.
Achteraf blijkt echter dat dat bruggetje op een voetstuk van 9000 steenen ligt en… ’t moet worden afgebroken omdat ‘t verzakt.
Waarom? Hoe kan zooiets nou verzakken?
Omdat er onder het fundament een wel opborrelt. Dat heeft ie tevoren niet opgemerkt, in ieder geval geen aandacht er aan besteed.
Maar dat is allemaal tot daar aan toe. De mop komt nog. Hij kan niet in de soos komen of ieder vraagt belangstellend hoe het met z’n brug staat. Overal wordt-ie in de maling genomen. Als je ’t woord brug maar noemt, spuwt-ie vuur.
Nou is er op z’n onderneming een singkeh uitgekomen. Een goed jong wel, maar een beetje onbenullig. Een type om d’r tusschen te nemen.
Vorige week beklaagde hij zich bij een der oudere assistenten, dat de baas nooit een goed woord tegen ‘m zei. Altijd mopperen en als er nu niets meer te kankeren viel, kon de ouwe een uur in de afdeeling rondloopen zonder ook maar één woord tegen het jog te zeggen. Dat vond het singkeh zoo pijnlijk, zei-ie. Och, zei de ouwere collega, dan is-ie in gedachten verzonken. Je moet op die momenten zelf maar eens een gesprek beginnen, de baas heeft hobbies genoeg waar ie uren aan een stuk over door kan slaan.
Waarover? Och, wat zal ik zeggen, over zooveel. Op ’t oogen-

blik maakt-ie bijvoorbeeld een prachtige brug, waar-ie geweldig trots op is. Je kunt ’m geen grooter genoegen doen dan daar naar te informeeren. Dan heb je meteen z’n hart gestolen.
Het singkeh was dankbaar voor de tip en knoopte haar goed in z’n oor. Zoo onbenullig was-ie niet of hij had in den korten tijd dat-ie hier was wel doorgekregen, dat je er met werken alleen niet kon komen. D’r moest een beetje met den stroopkwast worden gesmeerd.
Heel goed inge…
Hou nou effe je mond, laat Karei nou vertellen.
Bij de eerstvolgende inspectie trof-ie het bijzonder. De baas was met dynamiet geladen. Als een duivel liep-ie door de afdeeling, d’r bleef van ’t werk geen stuk heel. D’r deugde weer geen syllabe van. Hij donderde en ging te keer, nee beestachtig!
Waarschijnlijk uit gebrek aan adem hield-ie eindelijk op en liep recht naar ’t eind der kebon, zonder één woord meer të zeggen.
Die weldadige stilte beschouwde het singkeh als het einde van den storm en vond-ie het juiste moment om den baas weer in een goede stemming te brengen.
Eh, mijnheer Palland, eh, hoe staat het met Uw brug? Is ie al gereed?
Nee man, om te gillen! Palland draaide zich met een ruk naar het singkeh om en bulderde „Let U nu maar op Uw afdeeling meneer, dat is heel hard noodig. Ik zal dan wel voor mijn eigen zaken zorgen. Ga Uw gang maar.” Zonder te groeten reed de ouwe op z’n buggy weg. Giftig natuurlijk, ’t Jog snapte d’r niks van en stond te kijken of-ie zijn broek had vol gedaan.
Ha, ha, ha, hij ‘s goed. Wat zal die zure Palland ’m gerejen hebben, hij had natuurlijk wel door, dat ’t opgestookt werk was van z’n oudere assistenten. Toch feitelijk gemeen om dat jog d’r zoo in te laten loopen, ha, ha, ha, hij wou eens een goed nummer maken.
‘t Was zoo onderhand half twaalf geworden. Huug stond op. Ajo lui, we gaan naar huis. Ga je ook Karei?

Ja, ’t wordt tijd. Seice, passang!
Huug drukte mij de hand. Hou je taai hoor. Kop oplEnne, je moet eens naar het emplacement komen. Je kunt toch niet eeuwig in dat ongemeubileerde hok zitten?
Goed praten. Hoe kom ik hier vandaan ?
A.s. Woensdag komen d’r een paar lui bij me. Je moest dan ook maar van de partij zijn, dan kun je meteen kennismaken met Rensema, die heb je nog niet ontmoet, ’k Zal m’n seice met het karretje sturen. Afgesproken?
Graag.
Als een pijl uit den boog schoten de wagentjes het erf af. Nog eenige malen hoorde ik bonjour roepen, waarna ik de trap weer opging.
De lamp was leeggebrand. ’k Verlangde naar m’n bed en riep Mioen om de krees te sluiten.
Op de tafel in de eetkamer lag het pak dat Huug had meegebracht. Even zien. Een halve Edammer kaas, een flesch cognac, een doos Egyptische sigaretten en een stapel tijdschriften. Allemachtig aardig. Wat een prachtkerel toch. Ondanks m’n vermoeidheid kon ik niet direct den slaap vatten. Al het gesprokene van dezen avond tolde door m’n hoofd. Lastige bazen, geheime conduite, promotiekansen… of niet.
Kom, niet tobben. Ik heb gelukkig een goeden baas en om promotie behoef ik mij de eerste tien jaren niet bezorgd te maken.
Om vijf uur ’s morgens wekte Mioen mij. M’n koffie stond gereed. Een kwartier later vond ik voor m’n huis eenige koelies, die vrij van dienst verzochten.
Zij zaten op de hurken mijn komst af te wachten, met, als teeken hunner ongesteldheid, een kain om het hoofd geslagen. Wat hebben jullie? Allemaal ziek?
Eén wilde mankeeren omdat hij buikloop had.
No 2 had sakit demam, koorts.
No 3 verzocht een dag vrij om z’n vrouw te gaan zoeken. Ze was gisteravond met een anderen koelie weggeloopen.
No 4 verzocht overplaatsing naar een andere afdeeling, omdat

hij altijd met z’n mandoer overhoop lag.
De volgende was dezen nacht vader geworden en moest dientengevolge zijn vrouw behulpzaam zijn.
Wat moest ik doen. Weigeren ? Wat zou daar weer voor onaangenaams uit voortspruiten?
Toestaan? Dat was wel het eenvoudigste, maar als de baas onverwacht in de kebon kwam, zou ik weer moeten hooren dat die singkeh’s zich toch altijd door het volk laten bedonderen. Dat ik het nooit zou leeren, enz. enz.
Nou, vooruit dan maar, voor dezen keer dan maar toegegeven. Morgen weer present hoor!
Ik was er van overtuigd dat na dit generale vrijaf morgen het dubbele aantal vrouwen op liefdesavontuur zou zijn vertrokken en dat de ooievaars elkaar zouden verdringen om kindertjes boven mijn afdeeling neer te laten. Enfin, morgen maar weer eens weigeren.
Met mijn stevigen rotanstok gewapend liep ik den weg af, gepasseerd door eenige laatkomende koelies.
Haastig slokten zij de restjes droge rijst op en wierpen het pisangblad, dat als bord had dienstgedaan, bezijden het pad.
Ai, daar stond waarachtig de baas al.
Goedenmorgen, meneer De Korte.
Als wedergroet haalde de administrateur z’n horloge uit den zak. Vijf minuten over half zes. Geen wonder dat Uw koelies te laat komen. U geeft hen wel het goede voorbeeld, dat moet ik zeggen. U wilt er wel voor zorgen dat zooiets niet meer voorkomt, nietwaar?
Ik heb even oponthoud gehad, er waren een paar koelies die mij wilden spreken.
Zeker om te mankeeren ?
Jawel mijnheer.
Hoeveel van die kerels hebben kans gezien om er U in te laten vliegen, hoeveel heeft U er vrij gegeven vandaag.
Vijf man, ze waren…
Wit zegt U? Vijf man?
Jawel meneer De Korte, ik…

Houd op alstublieft, U lijkt niet goed wijs. Snapt U nu niet dat die kerels een loopje met U gaan nemen?
Maar als ze nu toch ziek zijn. Ik mag dan toch niet weigeren? Oh, neen? Mag dat niet? Wie zegt U dat die sloebers werkelijk ziek zijn? We zullen d’rniet verder over praten, maar onthoudt U goed dat U de baas in Uw afdeeling moet zijn en niet Uw koelies. Begrepen?
Jawel mijnheer.
Mooi. Vertel nu maar eens waar mandoer Aloen werkt.
Die maakt zijn borong van gisteren af.
Zijn borong van gisteren ?
Ja, ze zijn niet klaar gekomen en nu moeten ze dat eerst afmaken.
Maar godvergeme nog an toe, maakt U d’r een lolletje van of hoe zit dat feitelijk. Een dagtaak móet klaar, begrijpt U me,… móet klaar.
Het was zwaar terrein mijnheer, vol wortels en steenen. Koeliesmoesjes. Een dagtaak komt klaar naar gelang de assistent prestige heeft of… niet heeft. Zóó denk ik er over.
Waar werkt mandoer Sidin?
Ginds, aan den voet van dien boekit. Hij is met 30 man aan ’t parits graven.
Hoeveel borong heeft U uitgegeven ?
Vijf depa per man.
Jonge, dat valt mee. Als U nu maar zorgt dat het klaar komt. Sidin!
Saja, toewan besar.
Je zorgt dat je kerels hun dagtaak afmaken vandaag. Denk er om, ik krijg vanavond rapport van meneer Reeder. Als je geen kans ziet om je koelies te laten opschieten kun je wel opdonderen, versta je?
Saja, toewan besar.
Is mandoer Rawan nog aan ’t boschkappen?
Dat komt vandaag gereed, we zijn aan ‘t laatste stuk bezig. Meet den boel goed op en stuur me aan het einde der maand de kaart met de gekapte strook duidelijk aangegeven.

De Korte liep met stevige passen naax den boschrand. Zijn forsche gestalte en streng voorkomen waren reeds voldoende om ontzag in te boezemen; hij behoefde nauwelijks een woord te zeggen. De arbeidende koelies keken niet op of om. Allen werkten in overdreven tempo. De mandoers verhieven bij de nadering van den toewan besar hun stem. Zij meenden dat door onnoodig schelden en schreeuwen tegen hun koelies, hun ijver duidelijker werd gedemonstreerd.
Laat Uw mandoerboekje eens even zien.
Alstublieft.
Waar staan die kerels aangeteekend die vandaag mankeeren. Dat is nog niet gebeurd, dat doe ik straks.
O, jawel. Dat doen we straks. Net als de inlander, hè? Nanti. Ik houd niet van uitstellen, onthoudt U dat nu eens in godsnaam.
Maar vóór ik gelegenheid had om het boekje in te schrijven, ontmoette ik U. Wanneer zou ik dat nu gedaan moeten hebben ? Onmiddellijk nadat U permissie gaf.
Dan was ik…
Juist, dan was U nog later op Uw werk aangekomen, wilde U zeker zeggen?
Ik ben om vijf uur opgestaan, meneer De Korte.
Dan staat U voortaan maar om half vijf op.
De eene aanmerking volgde op de andere. Niets bleek in orde. Hier was te weinig borong uitgegeven. Daar werd niet diep genoeg getjankold. Ginds schoten de wiedvrouwen weer te weinig op, enz., enz. Overal had ik een verontschuldiging voor, doch uitte deze maar niet meer. Zwijgend volgde ik De Korte, wrokkend en beleedigd. Was dit nu die geschikte baas? ’t Leek er niet veel op.
Op een gegeven oogenblik draaide De Korte zich om en keek mij aan. Ik voelde er niet veel voor om hem eveneens in het gezicht te zien. Een punt aan den horzion, bezijden den baas, hield ik in het oog. De stilte werd pijnlijk. Voor slechts een oogenblik bespiedde ik zijn gelaat. Een paar lachende oogen in het donkerbruingebrande gezicht bleven op mij gericht.

Beleedigd?
Geen antwoord.
De Korte zette zijn eene voet op een boomstronk, trok mij met z’n stevige hand een eindje naar zich toe en zei:
Kom eens hier jong, laten we eens praten. Ik ben ook singkeh geweest, net als jij nu. Ik ben meermalen nèt zoo beleedigd geweest als jij op dit moment. Mijn baas was misschien nog wel een haartje erger en lastiger. Je moet echter niet vergeten dat je hier bent om te leeren. Ik weet heel goed dat je een harde leerschool meemaakt, alle begin is moeilijk. Maar voor die harde leerschool zul je me later dankbaar zijn. In werkelijkheid ben ik niet zoo ontevreden over je als ik laat voorkomen. Voor een singkeh lever je heusch geen slecht werk, maar het is nu eenmaal het systeem om niet gauw tevreden te zijn. De ervaring heeft ons geleerd dat je nieuwelingen ermee bederft. Ik weet wel dat een goed woord op z’n tijd prettig aandoet, maar niet iedereen kan de weelde van een goed woord of complimentje verdragen. Nieuwelingen denken zoo gauw dat ze het al kennen en… worden dan nog eigenwijzer dan ze al zijn. Nee, laat me uitpraten, ’t is wel eens goed dat we elkaar leeren begrijpen.
Je moet niet denken dat al die aanmerkingen gemaakt worden om je het leven zuur te maken, tenminste door mij niet met dót doel. De kwestie is, dat we van den inlander het ónmogelijke moeten vergen om het mógelijke gedaan te krijgen. Dat zul je zoo onderhand wel begrepen hebben, nietwaar?
Juist. Wanneer ik hier nu maar alles mooi en prachtig vond en we hier een beetje hepen te lachebekken, zou de groote stuwkracht er uit gaan. En die stuwkracht is… noodzakelijk. Verder is al hetgeen ik had aan te merken, op zijn plaats geweest. Er mankeert natuurlijk nog heel veel aan je werk. Je bent toch hoop ik niet in de veronderstelling dat je reeds een first class planter bent ?
Nou, kijk eens aan. Je erkent dat je nog pas aan het begin van je opleiding staat. Dacht je dat de andere heeren niet eens een aanmerking krijgen?

Meer dan je denkt hoor, maar zij praten er niet over, wel wetende dat waar gewerkt wordt, fouten worden gemaakt en dan ben ik er om hierop aanmerking te maken.
Dit eischt het belang van de zaak. Dat de toon waarop zulks geschiedt wel eens hard uitvalt, och, we zijn hier niet op een jongedames-kostschool. Zonder dat je het misschien zelf beseft erger je mij ook meermalen, maar daar sta ik niet bij stil. Vorige week hebben 30 koelies in je afdeeling gemankeerd. Zooveel hadden de andere afdeelingen niet eens samen. Noem je dat in orde ? Ik weet wel dat het voor een singkeh moeilijk is om die brutale honden maar direct onder de knie te hebben. Dat gaat geleidelijk aan. Maar hiervoor is prestige noodig en door mijn optreden dwing ik je de richting uit te gaan die absoluut moet worden gevolgd om over 400 Javanen baas te blijven. Met zachtheid komen we niet ver, omdat de javaan ieder spoor van zachtzinnigheid of lankmoedigheid voor zwakte aanziet. De koelie is door zijn eigen hoofden zoo opgevoed. Je hebt nog de Europeesche methode in het hoofd. De Westerling voelt anders dan de Oosterling. Wat in jou oog beschaafd optreden is, heet bij den javaan laf of bang en hiermede is je prestige naar de maan. Heusch Reeder, over een paar jaar zul je er wel net zoo over denken als ik en als je het geluk moogt hebben zelf later baas te worden dan ben ik er van overtuigd dat je mijn systeem zult volgen. Wees streng voor je ondergeschikten, ’t zij Europeaan of inlander, maar blijf te allen tijde rechtvaardig. Neem de omstandigheden in aanmerking, dat doet soms veel door de vingers zien en voorkomt dikwijls onaangenaamheden.
Toen je eergisteren mij een beetje onhebbelijk om een nieuwen waterput vroeg, heb ik dit laten passeeren. Ik hield er rekening mede, dat je op een afgelegen afdeeling den moeilijksten tijd doormaakt. Vond je jezelf misschien flink om je chef op een dergelijken toon toe te spreken?
Neen, mijnheer De Korte, ik was heel onbeleefd. Het spijt me. Goed, zorg er dan voortaan voor dat je onder alle omstandigheden jezelf weet te blijven. Je moet je leeren beheerschen.

Vooral tegenover het werkvolk is dat van groot belang.
Zoo, dat is dus in orde. Doe je best en kijk niet meer zoo beleedigd als ik gegronde opmerkingen maak. Afgesproken ? Jawel, mijnheer De Korte.
Uitbetaalavond komen de lui van Goenoeng-Ampat en Soenggei-Panas bij me, ik reken er op dat je ook komt. Neem dan de gitaar mee.
Graag.
Loop nu maar zoover mee, ’k moet naar het kantoor.
Op mijn voorgalerij had ik ’s avonds den tijd om de woorden van De Korte eens rustig te overdenken.
Hij had wel gelijk. Wat moest er niet van zoo iemand uitgaan om het bewind over zoo’n groote onderneming stevig in handen te houden.
Hij was verantwoordelijk voor onze fouten. Moest voor het kapitaal der maatschappij waken en dit alles zonder in moeilijkheden te geraken met het werkvolk, dat tot de grootst mogelijke prestaties moest worden opgedreven. Hiervoor was beleid noodig en bovenal een strenge handhaving der discipline. Bij dit alles was hem opgedragen om uit een eigenwijs, nog westersch voelend singkeh, een planter te vormen.
Onder het ruwe optreden verborg De Korte een warm menschenhart. Hij voelde met je mee en wist zich den toestand van een nieuweling in te denken.
Kort nadat ik had gegeten hoorde ik een paard voor mijn trap stilhouden.
Ben je thuis Reeder?
Jazeker. Kom boven.
O, ben jij het Morain, wat voert je tot mijn nederige stulp?
’k Heb hier een paar boeken en een kaart van je afdeeling. ’k Had geen tijd om ze eerder bij te werken. Kijk, tot hier had ik gekapt toen jij den boel van me overnam.
Tot daar? Dat lijkt me wel wat ver. Je was toch nog vóór de rivier en die rooie lijn is door jou tot aan den anderen kant doorgetrokken. Dat klopt niet.
Zoo? Nou enfin, dat weet ik zoo precies niet meer hoor. Hou

je er nu maar verder aan, een duplicaat hiervan heb ik al naar ’t kantoor gezonden. We kunnen dat moeilijk weer gaan veranderen. ’t Komt toch ook niet op een paar depa aan?
Op een paar depa niet, maar dit zijn eenige hectaren.
Morain het zich op den eenigen gemakkelijken stoel vallen en stak een sigaret op.
Het zwakke licht van de lamp belichtte juist zijn bruin gelaat. Dit bruin was niet, zooals bij de andere collega’s, door de zon gebrand met een ondergrond van de oorspronkelijke Hollandschen roode kleur, maar een matte langsep tint. De scherpe zwarte oogen deden me aan een arend denken. Het sluike, lange haar, was naar achteren gekamd en glom van het een of andere vette plakmiddel.
Heb je bier?
Nee. De baas en Van Dalen hebben mij gezegd dat ik het eerste jaar geen bier of cognac moest koopen. M’n salaris is daar niet toereikend voor en dan zou ik teveel in schuld komen.
Jonge, wat zijn ze bezorgd voor je. We hebben anders allemaal in den beer gezeten hoor. Wat zeg ik, in den beer gezéten, ‘k heb nou nog drie mille schuld.
Drie mille?
Ja, vind je dat zoo erg? ’tZal nog wel meer worden denk ik, mij een zorg. Heb je misschien thee, of mocht je dat ook niet koopen van den baas?
Zonder hierop te antwoorden, het ik Mioen thee en een hlilr biscuit brengen.
Dooie boel hier zeg. Waarom neem je geen meid? Ik weet er wel een voor je.
Dank je. ‘k Zal het voorloopig wel zonder doen.
’t Is anders wè.t gezellig een juffrouw te hebben. Je hebt dan na je werk tenminste wat aanspraak. In dezen rotuithoek is dat zoo gek nog niet.
Wat je met zoo’n inlandsche kampoengmeid moet kletsen is me anders een raadsel. Over kunst, muziek… of over de politiek misschien?
Ah soeda, ’k hoor het al, jullie totoks beschouwen de javaansche

vrouw nu eenmaal als iets minderwaardigs, ’t zijn allemaal soendels in jullie oog, maar ik kan je van de Europeesche jongedames…
Doe me een genoegen en praat over wat anders, je opinie over de Europeesche jongedames interesseert me niet erg.
Voor een singkeh heb je nogal een grooten bek.
Wel mogelijk. Ben je soms hierheen gekomen om me dat te vertellen?
God man, doe toch niet zoo giftig. Heb je de smoor in om dat stukkie bosch dat ik volgens jou teveel op m’n kaart heb gezet ? ’k Wil het wel weer veranderen hoor.
Welnee, laat maar.
Soeda dan. Ik kwam feitelijk om eens te hooren of Van Dalen en Hartman je hebben ingelicht over een kwestie die ik met hen heb gehad. Een snert-perkara over het werk. Ze zullen wel hun best gedaan hebben om de zaak, van hun standpunt gezien, zoo belazerd mogelijk voor te stellen.
Je vergist je. Van Dalen en Hartman zijn wel hier geweest, maar over jou is geen woord gesproken. Wel heeft Huug me eens gezegd dat het niet de gewoonte is om over collega’s te praten.
Prachtig beginsel. Hij heeft me anders bij den baas aardig bekletst.
Huug jou bekletst ? Kom, kom, heb je daar bewijzen van ?
Nee, dat niet, maar zooiets voel je, hè. Wij indische jongens hebben den naam achterdochtig te zijn, maar jullie westerlingen weten niet dat wij een zintuig meer hebben dan de volbloed Europeaan.
’t Is mogelijk, ofschoon ik achterdocht nu niet direct onder de zintuigen kan rangschikken.
Verrek, jij noemt het achterdocht.
Wat anders? Je zit me hier te vertellen dat Huug je bij den baas bekladderd heeft, is ’t niet zoo, maar een bewijs of redelijk motief heb je niet.
Dat zit ik je juist te verklaren. Ons zintuig doet de dingen aanvoelen, die jullie eerst moeten zien of hooren, begrijp je ?

Nee, niet erg. Doe maar verder geen moeite om ’t me uitteleggen, iii die zaken ben ik wat achterlijk.
Ook al goed. Je bent een moeilijke vent om mee te praten zeg. Vertel eens Reeder, wat deed je in Holland, heb je gestudeerd? ’k Ben op een kantoor geweest, maar met de weinige vooruitzichten in de eerste jaren vond ik het beter om naar Indië te gaan.
Gelijk had je, ’t is hier zeker beter al was ’t alleen maar ’t klimaat. ’k Was blij dat ’k indertijd weer hierheen kon gaan. ’k Had er schoon genoeg van. Regen en mist en mist en regen, bah wat een land, om kapot te gaan.
Heb je in Europa op school gegaan ?
Ja. In Frankrijk, vlak bij Parijs. M’n vader was een Franschman. Hij is 18 jaar in Deli geweest, waarvan zes jaar als administrateur op Gedong-Tinggi, daar ben ik dan ook geboren. Waar studeerde je voor?
Voor meester in de rechten, ’k Ben tweemaal gestraald. Ze hadden natuurlijk de pé aan me omdat ik gekleurd ben.
Och dat verbeeld je je misschien. In Holland studeeren zooveel indische jongens en die bereiken bijna allemaal wel wat ze willen. Ik weet niet anders of juist die bruine kleur vinden ze in Europa interessant, in ieder geval wordt het niet als inferieur beschouwd.
Zoo praten jullie in ons gezicht, maar zoodra de totoks onder elkaar zijn wordt er op ons gespuugd. Je behoeft mij niks wijs te maken.
Dat „op jullie spuwen” voel je zeker weer aan door dat „extra” zintuig van je. ’t Spijt me, maar ik noem het weer achterdocht. Kijk eens Morain, ik beschouw de zaak zóó. Stel je een vader met twee zoons voor. Die jongens rekenen er op dat bij papa’s overlijden de bom duiten zal loskomen. De ouwe heer wordt voor vol aangezien, snap je. Mooi. Wat wil nou het geval ? Er blijkt achteraf geen cent te zijn, wel een reusachtige schuld. Volg je me?
Ja, ga maar door.
Nou. De eene zoon scheldt en tiert dat z’n vader hem met de
5 Deli planter

gebakken peren laat zitten. Hij ontziet zich niet om z’n gal hierover uit te storten, aan een ieder die ’t maar wil hooren. Die schuld is z’n nachtmerrie.
De andere zoon zwijgt. Hij heeft geprofiteerd van het geld toen z’n vader nog leefde en voelt zich nu mede-verantwoordelijk voor die onverwachte schuld. Hij stelt alles in het werk om de door zijn vader gedupeerde menschen het hunne te geven, al zal hij daarvoor zijn geheele leven moeten werken. Hij wil trachten goed te maken, hetgeen z’n vader misdreef.
Zoo beschouw ik jullie ook. De indische jongens zijn de „schuld” van onze voorouders. Natuurlijk vind je onder de Europeanen lui, zooals ik den eersten zoon beschreef. Dat zijn de menschen die het erfdeel en hiermede… hun voorvaderen vervloeken. Dat zijn de minderwaardigen en karakterloozen die je per slot van rekening bij ieder volk aantreft, nietwaar?
Er zijn er echter ook genoeg, die zooals de tweede zoon, alles zullen doen om de nagedachtenis van hun ouders in eere te houden en borg willen staan voor de verplichting om de schuld te vereffenen.
Niet onaardig gezegd. Je had advocaat moeten worden.
Toch meen ik het. Ik zou nimmer kunnen neerzien op welk mensch dan ook als hij door karakter of gedrag hiervoor geen aanleiding geeft, ongeacht z’n gelaatskleur, al was die als ebbenhout.
Hoe dikwijls blijkt ons, dat onder een gekleurde huid een edel hart klopt. De achting of de minachting van je medemenschen is m.i. niet afhankelijk van je teint, doch meer van je persoonlijkheid, van je karakter.
Alweer prachtig gezegd. Een zendeling waardig. Als je nou nog zorgt den volgenden keer wat bier in huis te hebben, zullen we het daar nog weer eens over hebben. Nu moet ik naar huis. Enne, da’s waar ook, de boeken zijn nog niet allemaal opgeteld, maar dat doe jij wel voor me, hè?
Hm! Nou vooruit maar. ’t Komt in orde.
Ik bezat géén zintuig meer dan anderen, maar nam me toch ernstig voor om met dezen collega voorzichtig te zijn.

HOOFDSTUK V
Het was Woensdagmiddag. M’n volk was vroeg klaar en ik kon een kwartiertje eerder naar huis dan gewoonlijk. Zoodoende had ik nog tijd m’n boeken bij te werken, mij te scheren, te baden en te kleeden. Het karretje van Huug zou spoedig komen en ik had beloofd het paard niet te laten wachten, ’t was nog al een zenuwachtig dier.
Tijdens het aankleeden at ik eenige sandwiches en dronk een kop thee. Nu nog even m’n sigarettenkoker vullen. Zoo da’s klaar.
Mioen! Je kunt wel sluiten. Ik ga uit. Laat vanavond een klein lampje op de trap staan, anders breek ik m’n nek in ‘t donker. Ik haastte mij naar voren. Door het slaapkamerraam had ik het karretje al zien aankomen.
De seice sloeg met een lap de hinderlijke muskieten van het paard weg en bood mij bij m’n komst de’teugels aan.
Zoodra ik zat schoot het driftige dier vooruit en de koetsier zag nog net kans om met een katachtigen sprong het plankje te bereiken, waarop hij gedurende den rit achter mij zou staan. Inhouden mijnheer, inhouden, hij gaat hoe langer hoe sneller, straks kunt U ’m niet meer baas.
t Begon al wat donker te worden. Het lichte wagentje hotste en danste over den weg. Met alle macht moest ik aan de teugels trekken om den batakker te temperen. Hij rook zeker den stal. Gelukkig, we naderden het emplacement. Nu nog een klein eindje.
Tusschen de boomen door zag ik de lichten van Huugs huis. Zonder ook maar iets van z’n vaart te minderen schoot het paard de scherpe bocht om, het erf op.
Nou nou, riep Van Dalen, die bij het naderen van de buggy de trap was afgekomen, nou nou, öf je bent een geweldige rijder, óf je kent er geen snars van. Je kwam op één wiel de bocht om, ’k dacht beslist dat je zou omslaan. Geen last verder met ’m gehad ?

Neen, maar m’n polsen zijn zoo ongeveer gebroken, ’k Had al m’n spierkracht noodig om dien knol in te houden.
Ja» ‘t is een wilde. Kom binnen.
Ha dat singkeh, hoe is ’t er mee? Je begint al een fatsoenlijker kleur te krijgen hoor.
Dag Karei, Hartman… bonjour Morain.
Laat ik je even aan Rensema van Ogterterpe voorstellen, zei Koos; die heb je nog niet ontmoet.
Rens, hier heb je onze jongste aanwinst, meneer Reeder.
Ah zoo, genoegen met je kennis te maken, ’k heb al een en ander over je gehoord. We zullen het wel kunnen vinden, geloof ik. Kom hier Reeder, d’r zijn er nog meer. Heerema, een stoere Fries, luistert ook naar den naam Sjoerd.
Dit is Arie de Graaf van Pinang-Riboe; bijgenaamd „’t Hijgend hert”.
Ga nou maar zitten, eet, drink en wees vroolijk.
Het personeel van Huug was goed afgericht. Voor je goed en wel je ledige glas had neergezet was Karsim al weer naast je om ’t vol te schenken.
Na een uur werden de bierglazen weggenomen en kwam de pahit op tafel. Met dezen borrel kwam eerst goed de stemming, „’t Hijgend hert” vermaakte den boel met ontelbare aardige moppen. Waar hij ze vandaan haalde, begreep ik niet, maar hij scheen onuitputtelijk .
Ook Rensema had bijzonderen aanleg voor vertellen, ’t Bleek een oerleuke kerel te zijn.
Van Karei hoorde ik dat hij de eenige zoon was van een grootindustrieel in Twente. In Holland hadden ze alles met hem geprobeerd. Papa had ’m laten studeeren in Leiden. Daar was-ie de leider van elke donderjool geweest. Colleges had-ie zoo maar eens een enkele maal gevolgd, natuurlijk zonder eenig succes. Op een bankinstelling te Amsterdam had hij den boel meer op stelten gezet dan eenig productief werk verricht.
Ten einde raad had zijn vader er in toegestemd hem zijn avontuurlijke neigingen te laten volgen. Misschien dat er zoodoende nog iets van ’m terecht zou komen. Dat was niet geheel misge-

zien. Rensema stond bij de maatschappij uitstekend aangeschreven. ’t Was een stoer werker. Natuurlijk kwam bij iederen gezelligen avond zijn humoristische geest boven en was hij zoodoende steeds een prettige en welkome gast.
Schenk jij me eens een pahitje in Huug, dan zal ik jullie het laatste drama van Thiele vertellen. Historisch!
Zeker van die rookhuizen op…
Welnee man, da’s al weer oud. Moet je hooren.
Zoo je weet, is Thiele hoofdbaas geworden van de „Nido” en zoodoende moet hij ook de vier rubberkebons inspecteeren. Nou is het al idioot dat een rasechte tabakker de lakens moet uitdeelen op een terrein waar-ie geen flauw benul van heeft. Hij heeft nog nooit een tapmes bekeken, laat staan een fabriek van binnen gezien. Eergisteren zou hij dan z’n eerste inspectie aanvangen op Silau-Madjoe en de baas had een telefoontje gekregen dat hij Thiele voor de fabriek moest opwachten. Hij wou een en ander van de bereiding zien.
Natuurlijk was hij verstandig genoeg om tegen een ouwe rubberbaas niet dik te doen en was dan ook de geschiktheid in persoon.
De man, die n.b. op inspectie kwam, liet zich om te beginnen haarfijn uitleggen wat sheets waren, wat crêpe was en hoe latex gecoaguleerd werd. De baas legde hem het verschil uit tusschen Ficus-elastica en Hevea-brasiliensis. Hij hoorde voor het eerst waar azijn- en mierenzuur voor gebruikt werd.
Zoo wandelende waren ze eindelijk in de machinekamer aangeland en vond Thiele het tijd geworden om eens te laten hooren dat ie nou niet geheel en al leek was.
Zuiggasmotor, hè ?
Jawel. Merk „Deutz”.
Loopt goed, wat? Is-ie nog al zuinig?
O, ja. We produceeren het gas uit houtskool dat ik zelf op de onderneming laat branden.
Juist, juist, dat is ’t voordeeligst.
Enne… dat is een locomobiel. Waar gebruikt U die voor?
Voor reserve meneer Thiele, er kan eens wat aan de Deutz man-

keeren en dan is het altijd safe om een reservekracht te hebben. Dat voorkomt stagnatie.
Natuurlijk, da’s logisch. Nooit beroerdigheid met dat ding? Niet noemenswaardig. Hij wordt uitstekend onderhouden; ketelsteen hebben we niet.
Wat zegt U, antwoordde Thiele, geen ketelsteen? Maar bestelt U dat dan toch meneer van Walsum. Wat noodig is, is noodig. Geen overdreven zuinigheid alsjeblieft.
Een bulderend gelach beloonde Rensema voor z’n historische mop. Ha, ha, ha, geen ketelsteen? Bestelt U dan toch. Hij ’s goed, verdomd goed, zou je ’m niet?
Ja, dat zijn de gevolgen van het systeem om een tabakker baas in de rubber te maken. Zulke dingen kunnen alleen in Indië, in het land der onbegrensde mogelijkheden, gebeuren.
Stil nou eens lui, maak eens niet zoo’n herrie, zei Heerema, alles goed en wel, maar je kunt bij een maatschappij waar tabak en rubber wordt geplant toch geen twee hoofdbazen hebben? D’r kan altijd maar één kapitein op een schip zijn.
Goed, laat dan een tabakker hoofdbaas zijn over de geheele maatschappij, dat is in orde, maar laat dan een inspecteur worden aangesteld die alléén voor de rubber verantwoordelijk is, een vakman dus. Op een rubberondememing behoort een rubberbaas en geen tabakker, da’s een paskwil. Daar heb je nou bijvoorbeeld De Ruiter, die hebben ze baas op Ajer-Hidoep gemaakt, omdat-ie in de tabak geen kans had. Holland vond op een gegeven oogenblik dat-ie nou toch óók eens baas moest worden en daarom gaven ze ’m maar een rubberkebon. Het gevolg hiervan was dat-ie zelfs bij z’n jongsten assistent mooi weer moest spelen. Hij hing van den „good-will” van z’n menschen af en omdat ze hem van vroeger kenden, had-ie zoo goed als geen medewerking. Vooral niet toen ie pedant ging worden en z’n wijsheid ging uitkramen die hij in een oud en afgedaan rubberboek had opgedaan. Zijn werk liep hopeloos vast en een jaar erna werd-ie ontslagen als… ongeschikt! Hadden ze hem kalm in de tabak gelaten, waar-ie 16 jaar gewerkt had, dan was-ie tenminste niet het slachtoffer van z’n promotie gewor-

den. Weet je dat het de maatschappij daar ruim een ton heeft gekost om de lalang d’r weer uit te krijgen? De Ruiter had op tabakswijze de lalang een beetje laten wegkrabben, met het gevolg dat na een jaar de kebon op een wildernis geleek.
Uit de eetkamer klonk heel magertjes het geluid van een handharmonica. De javaansche huishoudster van Morain, die bij Toeki-san op bezoek was, had muzikale neigingen en meende ons hiervan te moeten laten genieten. Morain, die weinig aan het gesprek had deelgenomen, Scheen uit z’n lethargie te worden gewekt door de melancholische melodie, welke Moesina aan het instrument ontlokte.
Toe Morain, zei Arie de Graaf, zing eens mee, jij kent die liedjes zoo verdomd aardig.
Met een hoog keelgeluid, precies zooals ik dat van de j avaansche jongens aan boord wel eens had gehoord, begon Morain:
Koetjing keroes mandi di papan, papanja lagi, si kajoe djati.
Saja keroes tida koerang makan, keroes menoedji didalam hati.
Moesina speelde het eentonige tusschenspel, langzaam en uithalend:
Nonni manis ramboet keriting.
Negeri saja banjak djahoe.
Ikan bawal dan kepiting,
Tinggal mana, tida tahoe.
Goed zoo, ga verder, zei Rensema. Ik hoor die pantoens wel graag.
Oekir oekir tanah Batawi.
Pinang moeda di belah doewa.
Pikir pikir didalem hati,
Bantal satoe, kapala doewa.
Morain wou graag met twee hoofden op één kussen liggen, jij bent nog zoo gek niet zeg!
Hou je snuit nou, laat ’m verder zingen.

Saja boekan malas kebogor.
Pajoeng djepoen diroemah tjina.
Saja boekan malas berdjoempa, tetapi ada takot jang poenja.
Siapoehhhhhü!
Koos voelde niet veel voor die maleische liedjes. Ze waren hem te week.
Huug, laat Toeki-san liever nog wat katjang brengen, dan houdt die andere jongedame misschien op met d’r gejammer. Zeg menschen, jullie komen toch zeker allemaal op de vendutie van Boekhorst ?
Natuurlijk, dat is geloof ik Zaterdag, hè?
Ja, om zeven uur.
Mooie gelegenheid om je wat beter in te richten Reeder, da’s wel noodig.
Jazeker, ik wil graag een en ander koopen.
Heb je dan nog geen barang, vroeg Rensema. Heb je, toen je aankwam, geen meubilair in Medan gekocht ?
Welja, antwoordde Koos voor mij, ik ben met hem op stap geweest, maar die singkeh’s zijn zoo verrekt eigenwijs. Hij wou met alle geweld een gieter hebben, enfin, hij z’n zin. Een grammofoon heeft ie ook, oh ja, tusschen twee haakjes, hoe speelt dat ding, ben je d’r nou niet blij mee ?
Nee nee Koos, riep Karei, praat er maar niet overheen, mooie jongen ben je hoor. Inplaats van inkoopen te gaan doen, zijn ze met den rooien Giesen aan ’t fuiven geslagen.
‘k Hoor het al, zei Rensema, we kunnen jou voortaan geen jongelui meer toevertrouwen Koos, je brengt ze op het slechte pad.
Waarom is er vendutie, vroeg ik, gaat die mijnheer met verlof? Dat wil zeggen, met ziekteverlof, hij heeft twee jaar achtereen op Sarang-Lang gezeten, dat is een uithoek waar jouw afdeeling nog heilig bij is. Hij is een paar maal ernstig ziek geweest en nou vindt de dokter dat-ie overspannen is. Als je het mij vraagt, kun je het beter zenuwziek noemen.

Was die meneer Boekhorst al een zenuwachtig persoon toen-ie uitkwam of is hij dat hier geworden ?
Absoluut in het laatste jaar geworden, ’t is je reinste stakker op ’t oogenblik. Hij krijgt van die aanvallen dat-ie over z’n heele lichaam beeft. Dan breekt het zweet ’m aan alle kanten uit, ’k heb het eenmaal meegemaakt, maar ’k werd er betoel beroerd van. Angst, vervolgingswaanzin, hallucinaties, ’k weet niet wat-ie heeft, maar hij moet hoognoodig weg.
Wat doet de maatschappij nu voor ’m?
Voorloopig krijgt-ie vier maanden ziekteverlof met vol salaris en dan moet-ie gekeurd worden. Wordt-ie afgekeurd dan ligt-ie d’r meteen uit.
Met pensioen ?
Kun je begrijpen.
Hoe denken jullie er over? Moeten we niet eens opstappen? Ben je mal, zei Huug, ’t is pas i uur. Wat moet je den heelen avond thuis doen?
Nee vooruit jongens, anders zitten we hier morgenochtend nog. Karretje na karretje verliet het erf.
Zoo, laten wij nu nog kalm een split je drinken Reeder, straks zal ik den wagen laten voorkomen.
Wat zegt die Morain toch weinig op zoo’n avond; na het zingen heeft-ie z’n mond niet meer open gedaan.
Och, dat zijn we van ’m gewend, ’t Is een eigenaardige knaap. Hij vertelde mij dat-ie in Frankrijk gestudeerd heeft, is dat zoo?
Ja, dat klopt wel. Hij is niet stom maar overal te beroerd voor. Hij weet zich met een handige manoeuvre overal vanaf te maken en z’n collega’s ervoor op te laten draaien. We hebben er al genoeg herrie over gehad.
Ik vond het niet noodig om het geval van die kaart en de boeken te vertellen, ‘t klopte anders precies met wat Huug over hem zei.
Hoe zit dat nu feitelijk met dien Boekhorst ? Krijgt zoo iemand, die door het werken in zoo’n beroerde omgeving ziek is geworden, nu werkelijk geen pensioen ? Wordt-ie nou maar zoo

op straat gezet ?
O, daar behoef je niet aan te twijfelen, dat is al meer voor gekomen.
Waarom zorgt de maatschappij dan niet voor een soort reservefonds, waar ze, al was het alleen maar in dergelijke gevallen, een klein pensioen van kunnen uitkeeren? Er wordt toch genoeg verdiend?
Gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel denk ik. De duiten worden besteed aan idioot dure hoofdbazenhuizen bijvoorbeeld. Het huis van meneer Seggeli kost maar eventjes ruim honderdveertig duizend gulden en waar is dat goed voor? De hoofdbaas zou zich in een huis van laten we zeggen 25 mille veel gelukkiger voelen dan in zoo’n paleis. Maar neen, het moet een overdadig groot en duur gebouw zijn om hiermede op de voorpagina van het prospectus der maatschappij te kunnen geuren. Verder wil de eene maatschappij niet voor de andere onderdoen. Bouwt A voor z’n hoofdbaas een huis van een ton, wacht zegt B, ik bouw er een van anderhalve ton. ’t Is compleet een wedstrijd geworden… en dat kost kapitalen.
Verder hoorde je zooeven wat Karei zei over dat baas maken van een tabakker op een rubberkebon. Onze maatschappij heeft al meermalen ondervonden wat een geld dat kost. Maar dacht je dat ze er iets mee geleerd hebben? Welnee man, ze gaan met die stommiteiten even zoo vroolijk door.
Voor een armen bliksem als Boekhorst is geen sou in kas, z’n familie krijgt ’m straks als een presentje thuisgestuurd. Laat ’k er liever over ophouden, ’k maak me maar kwaad en ’t helpt allemaal geen lor. Maar enfin, als de maatschappij in haar moreelen plicht tekort schiet zullen wij onzen collega bijspringen. Is de baas deze week nog bij je geweest ?
Ik gaf Huug een getrouw verslag van het gebeurde. Hoe De Korte me eerst geweldig op den stang had gereden en later op vaderlijke manier zijn standpunt uiteen had gezet.
Zoo zie je, zei Huug, hij is de kwaaiste niet. Je moet je werk doen, d’r ontgaat ’m niets. Als je zaken niet in orde zijn, krijg je d’r van langs dat de spanen er afvüegen. Maar hij is eerlijk

als goud en je kunt veel van ’m leeren.
Dat geloof ik graag, ’k Zal ook m’n best doen om het werk te laten marcheeren, maar ’t is soms zoo moeilijk. Hij was bijvoorbeeld woest dat ik vijf koelies had laten mankeeren. Kan ik het helpen dat die kerels ziek zijn of hun vrouwen kindertjes krijgen?
Och man, dat verandert allemaal wel op den duur. Wij ouderen hebben daar veel minder last mee. Je moet zorgen om zoo spoedig mogelijk overwicht op je volk te krijgen. Praat zoo min mogelijk met je koelies, doe alles met je mandoers af en zwam nooit over zaken die niets met het werk hebben uit te staan. Wees kort, zonder direct te snauwen. Doe niets zonder dat je overtuigd bent dat het billijk en rechtvaardig is, de javaan is daar erg gevoelig voor. Je zult zien dat je op den duur zooveel prestige krijgt, dat je omgang met het volk vrij en ongedwongen wordt, zonder dat iemand het in z’n hoofd zal halen om misbruik te maken van je gemoedelijkheid.
Nog een splitje ?
Zou ik niet liever opstappen, ‘t is al laat.
Boy, zeg tegen Amat dat-ie inspant, maar breng eerst even twee whisky-soda’s.
Sigaret? Of liever een sigaar?
O, ja, Huug, mijn dank voor het pak dat je laatst meebracht, ’k was er wel blij mee.
Geen dank. Ik heb in het karretje nog wat vruchten en een stuk hertevleesch gelegd. Toeki-san heeft het gebraden, anders verprutst die boy van jou het toch maar.
Zoo, daar is de wagen. Doe wat kalm aan. Die knol is vooral ’s nachts als een razende Roland. Houd hem flink kort.
Nou Huug, ik dank je voor den gezelligen avond en voor alle andere dingen.
Schwamm d’rüber, wanneer kom je je aap halen?
Volgende week, Mioen is al bezig een kooi te maken.
Saluut dan. Ik kom wel weer eens bij je kijken. Hou je taai

HOOFDSTUK VI
Een gegons van stemmen klonk uit de met petroleumlampen verlichte voorgalerij. Er werd vendutie gehouden, de eerste die ik meemaakte.
Eindelijk zou ik de gelegenheid hebben om mij wat gezelliger in te richten en het geleende meubilair aan de respectieve eigenaars terug te geven.
Veel bijzonders stond er niet doch koopers waren er in massa. Ieder in de buurt was gekomen om Boekhorst aan contanten te helpen.
We waren vroeg genoeg, de vendutie was nog niet begonnen. Eerst werden de voorwaarden voorgelezen, waar niemand naar luisterde.
Toen dit officieele gedeelte achter den rug was, liet de dikke venduhouder zich op een stoel neerzakken en laafde zijn droog geworden keel met een teug bier waar een paard verbluft van zou staan.
De inlandsche helper ging op een tafeltje staan en in grappig gebroken Hollandsch begon hij een rotanzitje aan te prijzen. Toewan toewan, een mooie rotanzitje, wah boekan main bagoes. Tien huldèn gebodèn. Hajo bagoes betoel.
Vijftien, werd er geroepen uit een hoek vanwaar niet eens kon worden waargenomen, wèt nu feitelijk werd verkocht.
Twintig. Vijf en twintig!
Hoed zoo, hoed zoo, tida ada lebih ?
Dertig.
Dertig huldèn. Wie meer dan dertig huldèn? Wie dit zitje koopt, krijgt dit prachtige kleed erbij cadeau. Loh loh loh, sajang.
Veertig!
Tida ada lebih ? Poor toewan Reedèrrr.
Een prachtige lamp aan de beurt. Kan scheefbranden en

stoomen. Api besar la, seperti puurtorèn.
Twee gulden zette ik in en had den vuurtoren, daar niemand hooger bood.
Toewan toewan, djangan zoopeel lawaai, hier ister schilderij, wie biedt er héld voor?
De dikke venduhouder keek op naar zijn helper en zei „.geschilderd door Frans Hals”.
Ja lah, schreeuwde de grappige verkooper, ini schilderij dari Prans Hal’es.
Het mooie schilderij was een uitgeknipte plaat in een bruin geschilferd lijstje gezet en de kooper hiervan zou eenigen tijd noodig hebben om te ontdekken of het een schip in nood voorstelde of een huisje op de heide.
Niettemin bracht dit kunstwerk achttien gulden op.
De pahitglaasjes werden steeds gevuld, waarmede de kooplust aanmerkelijk steeg.
Ik stond verstomd over de prijzen die hier werden besteed voor ouden en eerlijk gezegd, vrijwel waardeloozen rommel.
Een speeltafeltje, waarvan een poot en een hoek van het blad mankeerden ging van de hand voor de som van dertig gulden. Mijn administrateur was zelf niet gekomen, maar had opdracht gegeven om voor een flink bedrag te koopen. Hij zou morgen gelukkig worden gemaakt met het speeltafeltje en nog eenige onbruikbare meubelstukken. Ik had Hartman reeds voor een bedrag van zestig gulden hooren koopen en dit voor De Korte laten noteeren.
Met al den onzin werden er flinke bedragen besteed, welke de oorspronkelijke waarde zeker ver overtroffen.
Nu was de schrijftafel aan de beurt. Daar had ik wel zin in. Ik hoopte maar dat niet te hoog zou worden geboden.
Twintig gulden!
Vijf en twintig, riep Karei van Berghe.
Dertig, bood ik.
Karei keek lachend mijn kant uit. Wou jij die tafel hebben? Ja, als het niet te…
Veertig, viel Karei mij in de rede

Ik hield maar op. Daar kon ik toch niet tegen opbieden. Ik wilde graag meubilair koopen, maar had geen geld voor philantropische doeleinden beschikbaar.
Feitelijk een beetje kinderachtig van Karei om zoo idioot op te drijven. Hij wist dat ik die tafel hard noodig had. Enfin, maar net doen of ’t me niets kon schelen.
Voor acht en vijftig gulden kocht ik een bed met klamboe, wat gordijnen en eenige versleten matten.
Nu kwam de boekenkast aan de beurt. Die zag er niet zoo slecht uit, ’k wilde in ieder geval probeeren haar te koopen. Zoo’n kast zou mijn kamer aardig opvullen.
Lemari boekoe. Vijftien gulden geboden.
Dat kon ik betalen. Twintig!
Wat wordt er verkocht, hoorde ik Huug roepen. Een boekenkast? Dertig gulden! Ga je nog hooger Reeder?
Nee dank je, jij mag ’m hebben.
Nu boden enkele anderen tegen Huug op. ’t Werd met joelen en kwinkslagen door de omstanders aangemoedigd. Van Dalen kwam als overwinnaar uit het strijdperk, maar het bedrag dat het hem kostte, zou ik niet hebben gegeven voor twee nieuwe kasten, ’t Ging hier echter om Boekhorst te helpen en met dat doel voor oogen werd er niet op tien gulden gekeken. Jammer. Geen kast en geen schrijftafel. Ik moest het dan maar weer een poosje zonder stellen.
Het aanwezige meubilair was zoo zachtjesaan verkocht, tot de onmogelijkste dingen toe. Alles had geld opgebracht.
Opeens zag ik Rensema op tafel springen. Wat krijgen we nu ? Collega’s, koopjesjagers, overstemde hij het rumoer, een oogenblik attentie alsjeblieft.
De schitterende inrichting is verkocht. Ik feliciteer de gelukkige nieuwe eigenaars met hun buitengewoon voordeelige koopjes. Maar we zijn d’r nog niet. Boy, waar blijf je met je kruik. Schenk in!
Ziedaar menschen. Ginds hangt een reclameplaat van de Kyriazi-sigaretten en hier heb ik een batakspeer. Wie de kop van den leeuw kan raken krijgt een borrel. Wie die mooie jon-

gedame in d’r hartje kan treffen ontvangt een borrel èn zoo’n fijne sigaar.
Allemaal vóór?
Ja, geef op die speer werd er van alle kanten geroepen.
Tut tut, tut wacht even jongelui, laat me uitspreken.
Iedere worp kost een riks, dat is billijk nietwaar? Dat betaal je op de kermis ook.
Hier Reeder, schenk jij voor de winnaars hun prijs in. Jij mag niet meegooien, dat geeft maar ongelukken.
Suizend vloog de speer door de lucht en bleef trillend in den houten wand zitten.
Mis Joop. Wie volgt ?
Opnieuw werd de punt met hevige kracht in de planken geboord.
Weer mis. Jonge jonge wat een runderen zijn jullie!
Nu greep Koos Geldorpe het zware wapen en met een dreun verdween de ijzeren punt door den leeuwenkop.
Hoera, goed zoo Koos! Schenk in Reeder!
Hierna volgden meer winnaars, zoodat de zijwand van het huis bedenkelijk begon te scheuren.
De animo verminderde en van den leeuw en de mooie jongejuffrouw waren niets anders dan eenige papierflarden over. M’n kruik had ik leeggeschonken en een nieuwe werd ontkurkt. Boem, daar stond Rensema weer op tafel.
Edele speerwerpers, dappere germanenzonen, de leeuw is gevallen en de njonja met d’r zwarte haren is naar het walhalla gespietst. Maar we hebben nog een verrassing!
De laatste kruik! Echte oude Bols. Wie biedt geld voor een pahitje ?
Een gevuld glas in de hoogte houdende, riep hij den vendumeester toe om hem voor een rijksdaalder te debiteeren en dronk het in een teug leeg.
Schenk in Reeder! Wie wil drinken op het spoedige en volledige herstel van onzen collega? Wie!
De vendumeester had volop werk om de namen en daarachter de rijksdaalders te noteeren.

Het laatste glas, dit krijgt de meest biedende. Ik geef er vijf gulden voor. Tien, werd er onmiddellijk geroepen. Vijftien. Twintig!
Den heer Matthes van het hoofdkantoor werd de borrel gegund voor het bagatel van vijf en twintig gulden.
Zoo, de ledige kruik krijgt meneer Seggeli, die heeft een opdracht voor vijftig pop gestuurd.
Ik stond paf! Zooiets had ik nog nooit meegemaakt. Zelfs de hoofdadministrateur leefde mee met den afgekeurden assistent. De vendutie was ten einde en bij het opmaken der rekening bleek dat aan Boekhorst een bedrag van f 2800 kon worden overgedragen. Het verkochte meubilair was misschien twee honderd gulden waard, de collegialiteit had de rest opgebracht. Ik had een flink bedrag besteed en verheugde me in het vooruitzicht om straks op mijn eigen stoelen te mogen zitten, in mijn eigen bed te kunnen slapen.
Het speet me dat die schrijftafel en boekenkast boven m’n koopkracht waren gegaan, maar enfin, er komen nog wel meer venduties.
Inmiddels hadden de bedienden voor sandwiches gezorgd. Groote stapels werden rondgedragen. De stemming zat en bleef er in, tot laat in den nacht.
Het gekochte zou morgen thuis worden bezorgd,vertelde Hartman, daar behoefden we geen zorg voor te hebben.
Hoe verrast was ik den volgenden dag bij mijn thuiskomst van het werk, behalve het door mij zelf gekochte meubilair, tevens de schrijftafel èn de boekenkast te vinden.
Mioen overhandigde mij een briefje.
Waarde Reeder. Aangezien wij dien rommel toch niet kunnen gebruiken, moet jij het maar een plaatsje in je huis geven. We komen d’r wel eens een borrel voor drinken. Met beste groeten en tot kijk. Huug en Karei.
Ik was blij, maar tevens beschaamd. Gisterenavond had ik het onaardig gevonden dat zij deze voor mij zoo hoognoodige barang voor den neus hadden weggepikt en nu…
Ja, ik zou hier nog lang moeten zijn om die schijnbaar ruwe,

oudere collega’s, naar waarde te leeren schatten.
Hoe gèheel anders zag het er nu al uit. Er hingen thans gordijnen, wel een beetje oud en versleten, maar goed, er hingen toch gordijnen.
Op den planken vloer lagen matten, ook al rafelig en kaal, maar ik vond ze mooi en dat was de hoofdzaak.
Aan den wand hingen enkele koperen en steenen borden, zelfs een schilderij. Ik wist zeker dat ik dit nooit gekocht had. Wie dit hier had laten brengen zou wel nimmer bekend worden. Mioen vond dat bij dien vooruitgang der huiselijkheid een extra menu behoorde.
Glunderend kwam hij de eetkamer binnen met een vuilen bordendoek over den schouder geslagen. Hij had waarschijnlijk de keurige bedienden van het „Hotel de Boer” wel eens zoo met een servet zien loopen.
Sop, Toewan.
As je me nou! Mioen had soep gekookt. Door zijn zenuwachtigheid hield hij het bord een weinig scheef, zoodat de rand met het groezelig uitziende soepje werd besmeurd. Een haastige veeg met den vuilen lap herstelde deze fout. Ja, Mioen wist wel dat de blanda’s niet van smerige borden hielden.
Om den ijverigen boy niet al te zeer teleur te stellen, at ik de helft van de „potage inconnu” op en wachtte met angst op de dingen die komen zouden.
Voor dezen keer waren de aardappelen eens niet tot moes gekookt, doch de eerste die ik aan mijn vork wilde prikken, sprong met een sierlijken zwaai van de tafel.
Nu kwam de clou van het festijn. De boy had al met ongeduld eénige malen om de deur gekeken of hij het knalslot van den maaltijd nog niet kon opbrengen.
Klaar! Heb je nog meer verrassingen ?
Tjoba tjoba sadja toewan. Ik heb het maar eens geprobeerd meneer en vol trots zette hij een schotel op tafel,
Heere me tijd, wat is dè.t Mioen?
Punning toewan.
O, juist, pudding, nu zie ik het.
6 Dell planter

Nee, loop niet weg. Waar heb je dat van gemaakt? Wat zit daar allemaal in?
Chocolade.
Dat zie ik, maar wat is dat dan ?
Katjang.
Ha ha ha, maar halve gare, je gooit toch geen katjang door chocoladepudding? En hier heb ik een kruidnagel. Hoe kom je daar nou bij ?
Ik heb het maar eens geprobeerd, mijnheer, de kokki van den toewanbesar doet het ook zoo.
Dat zal wel, maar je hebt je best gedaan hoor. Je begint het al aardig te leeren.
Is er post gekomen ?
Een courant en twee brieven. Ze liggen op Uw schrijftafel.
Ha, eindelijk een brief van Jaap. ’t Werd tijd.
Hij had zich bijzonder uitgesloofd. Zes kantjes vol.
Met aandacht volgde ik z’n humoristischen stijl. Zijn huis stond tegenover het huis van den baas, dus in de elitebuurt. Evenals ik had-ie op een vendutie allerlei mooie dingen gekocht, waarvan de helft onbruikbaar was. Z’n huishouden werd bestuurd door een oude vrouw, die door hem Sonja werd genoemd en voor de derde maal van kiezen en tanden wisselde. Haar kookkunst strekte zich niet verder uit dan drie gerechten, namelijk, rijst, tjampoeran, d.i. aardappelen en groenten door elkaar gestampt en dan als attractie een met gehakt vleesch gevulde komkommer in water gekookt.
Z’n administrateur had het monopolie van de nieuwste vloeken, had een huishoudster met vier kinderen en werd op de onderneming „de stier” genoemd. Niettegenstaande Jaap heel zuinig leefde, had-ie f 800 schuld gemaakt, maar dat was niet erg, schreef-ie, er waren er die nog veel meer in den beer zaten, ’t Was altijd z’n streven geweest om nooit voor een ander onder te doen.
Om niet met de correspondentie achter te geraken, zette ik me maar meteen achter mijn pas verworven schrijftafel om Jaaps brief te beantwoorden. Na een half uur onafgebroken al mijn

wederwaardigheden te hebben opgesomd, mocht ik aannemen dat Jaap volkomen op de hoogte was gesteld van mijn omgeving, werk, administrateur en collega’s. Belangstellend had hij naar dit alles geïnformeerd.
Nu nog een brief naar huis. Ik had beloofd om trouw iedere veertien dagen te schrijven en wilde hiermede niet in gebreke blijven.
Natuurlijk gaf ik een zoo aangenaam mogelijk beeld van m’n leven hier. Wat zou het voor nut hebben om over die tergende eenzaamheid te spreken. M’n lot zou er niet mee verbeteren en moeder had zonder dat al genoeg zorgen.
Nu nog een klein briefje aan Tine, mijn vriendinnetje in Holland? Och neen, beter van niet. ’k Had het wel beloofd, doch vreesde illusies te zullen scheppen en in beloften te vervallen, die ik toch in de eerste acht of tien jaar niet zou kunnen nakomen. Stel je voor, hier een vrouw! Ik zou wel een heel erge egoïst moeten zijn om een Hollandsch meisje over te halen mijn ballingschap te komen deelen in mijn moeilijke aanvangsjaren. Neen, ze zou ’t misschien wel gemeen vinden, maar voor haar bestwil was het beter zoo. Later misschien. Eerst maar eens zien of het me zou gelukken om voor mezelf te zorgen. Eerst dan zou ik verantwoord zijn om een meisje naar deze binnenlanden over te brengen.
Kom, ’t is half elf. Morgen wacht er weer een zware dag, dus naar bed.
Nog even over de balustrade leunen, brr wat somber!
Mioen! Boleh toetoep, je kunt sluiten.

HOOFDSTUK VII
Door den jongen aanplant was een olifant geloopen. Het spoor kwam uit het oerbosch en was duidelijk te volgen.
Diepe voetafdrukken gaven aan waarheen het beest zijn schreden had gericht. De keurig op rijen geplante 2 tot 3 jarige boomen hadden den boschbewoner blijkbaar geïrriteerd, want het geheele spoor langs lagen deze ontworteld en afgebroken. Het leek wel of hier een cycloon had gewoed.
Aan de andere zijde der afdeeling was de gevreesde viervoeter weer het bosch ingegaan, doch niet voordat hij op ergerlijke wijze zijn ontstemming op de kweekbedden had gelucht.
Een chaos van door elkaar gegooide stammetjes, vertrapt en gebroken, had-ie als herinnering achtergelaten.
De Korte was niet zuinig uit z’n humeur over dit bezoek. Onmiddellijk verzocht hij van Geldorpe om jacht op het dier te maken. Voor een jachtpartij op groot wild behoefde je Koos niet lang te bidden. Reeds den volgenden dag stond hij met Karei van Berghe, Huug van Dalen en Morain, allen voorzien van uitstekende geweren, voor het kantoor.
Het deed me een geweldig genoegen dat Koos aan meneer De Korte had verzocht mij in de gelegenheid te stellen zulk een avontuur mee te maken. Deze had wel eenige bezwaren geopperd, maar op aandringen van Huug er eindelijk in toegestemd. Ik mocht dus mee. Kun je schieten? vroeg Koos.
Jazeker, heel goed zelfs, maar ik heb geen geweer.
Dat was minder, de kantooroppasser kon er wel even een bij Hartman gaan halen. Die had nog een zwaar kaliber en kon zelf toch niet mee. Hoor eens even hier, zei Koos, schieten kunnen jullie wel, daar ben ik niet bang voor, maar ’t gaat er meer om je kop op het kritieke moment niet kwijt te raken. Handel niet op je eigen houtje. Als jullie van plan bent om stommiteiten uit te halen, ga ik liever alleen.

Heeft U voor een paar koelies gezorgd, meneer De Korte ?
Ja, die staan al op den boschrand te wachten. Vier is wel genoeg zeker?
Welja, ’t is maar om voorloopig de geweren en het brood te dragen.
Nou, succes heeren, als jullie ’m neerlegt geef ik een fijnen avond.
Afgesproken meneer. ’k Zal U aan Uw woord houden.
Aan den boschrand gekomen werden geweren en mondvoorraad aan de dragers overgegeven.
Een koelie moest vooruit loopen om de hinderlijke takken en doorns weg te kappen. De drie anderen volgden ons op den voet.
Koos, die onmiddellijk de leiding had genomen, zei, dat we in de eerste uren niets anders hadden te doen dan het spoor te volgen. Vooreerst was er geen sprake van het dier te zullen treffen.
Heb jij wel eens meer een olifantenjacht meegemaakt, Morain?
O jawel, in ’t Serdangsche.
En geschoten ?
Wat dacht je? We hebben acht uur achter ’m aangesjouwd, aanvankelijk met z’n zessen, maar reeds na twee uur gingen er twee terug. Ze konden niet meer van vermoeidheid.
Was jij bij die lui die teruggingen?
Ik? Kun je begrijpen. Ik was het die ’m de looien pil gaf. Een reuzen beest, ongeloofelijk zeg.
’k Gelóóf het ook niet erg.
Niet ? Dan moet je het maar aan Vrijberg van Soembir-Estate vragen, die was erbij. Maar soeda, geloof me maar niet, mij een zorg.
Het was voor de eerste maal dat ik zoo ver in een werkelijk oerbosch doordrong. Alleen het spoor van den olifant was begaanbaar.
Links en rechts was het een ondoordringbare massa talrlrpn en lianen. De temperatuur was koel, zelfs kil. Er heerschte een

doodsche stilte, slechts nu en dan verstoord door het snerpend geluid van een krekel.
Waar zitten die beesten toch, vroeg ik, ze maken lawaai voor zes maar ze blijven onzichtbaar.
Kijk, zei Huug, tegen dien stam, vlak onder dien dikken tak. Op ongeveer 5 voet hoogte zag ik nu een grooten zwarten krekel zitten. Zijn vleugels waren aan de binnenzijde helrood gekleurd en trilden onophoudelijk. Door deze beweging werd het geluid voortgebracht, aanhoudend en doordringend.
Een groote, lichtgroen gekleurde vlinder fladderde om ons hoofd en verdween tusschen het dichte looverdak.
Ik dacht dat vlinders de zon zochten en niet in zoo’n donker en kil bosch konden leven ?
Dat meende ik vroeger ook, maar je moet eens opletten hoeveel prachtsoorten je hier ziet. Kijk, daar gaat er juist een, zie je die gouden vlek op de gitzwarte vleugels? Wat een vlucht hè, ’t lijkt wel een adelaar.
Dan toch zeker een leerling-adelaar, vond Karei, maar mooi is-ie in ieder geval.
Hé Reeder, d’r zit bloed aan je dijbeen, natuurlijk een bloedzuiger.
Heb je je niet met klapperolie ingesmeerd?
Nee, ‘k heb er niet aan gedacht.
Daar kun je dan lol van hebben, let maar eens op, ’t kost je vandaag een halve liter bloed.
Op een plaats waar de grond wat drassig was, hadden de sporen den vorm van kuilen aangenomen, ’t Moet wel een groot exemplaar zijn, vermoedde Koos. Kijk, op die hoogte heeft hij nog een tak afgerukt.
In de verte hoorden we een haan kraaien en even later het blaffen van een hond.
Daar ligt een batakkampoeng, zei Karei, ’k ben er vroeger al eens een paar maal met tengkoe Ibrahim geweest voor den afkoop van vruchtboomen. Het bosch was al veel eerder gekocht, maar de vruchtboomen moesten apart geteld en betaald worden. Verder beweerde de penghoeloe dat we op zijn

terrein aan ’t kappen waren geweest en hoewel de kaart genoegzaam aanwees dat die slampampers de grenssteenen verzet hadden, vond de controleur het beter dat de maatschappij maar een ronde som bijbetaalde om moeilijkheden te voorkomen.
Als ik wat te zeggen had, zouden die kerels geen cent hebben gekregen, geen rooie cent. ’k Zou me daar door zoo’n stelletje batakkers laten beduvelen, ’k Had nog liever. Wanneer we werkelijk over de streep waren gegaan en ons ook maar een vierkanten meter onrechtmatig hadden toegeëigend, wat natuurlijk per abuis kan gebeuren, nietwaar, zou ik er vlak voor zijn om een schadevergoeding te betalen. Billijk is billijk. Maar bijbetalen als je overtuigd bent, en ’t zelfs kunt aantoonen dat die kerels je bedonderen, nee, dat gaat boven m’n petje. Och, antwoordde Huug, het schijnt nu eenmaal tot de gouvernementspolitiek te hooren om de inlandsche grooten te vriend te houden. In hun zak komen per slot van rekening de duiten toch terecht.
Krijgt de kampoengbevolking dan die afkoopsom niet ?
Hoe kom je d’r bij, kim je begrijpen. Deli is een vrij nieuw cultuurland, tenminste deze binnenlanden. Hier heerschten tusschen de batakkers en maleiers voortdurend kleine oorlogjes. Van tijd tot tijd vielen de kampoengs elkaar aan en de overwinnaar, hetzij batakker of maleier vergrootte daardoor zijn machtsgebied. Op de meest wreedaardige wijze werden de overwonnenen afgeslacht en…. opgegeten,
Ga weg, maleiers zijn toch geen menscheneters?
De maleiers niet, daarin heb je gelijk, maar de batakker houdt wel van een stukje gebraden menschenvleesch. Toen ik pas in Deli kwam, heb ik nog een stokouden batakker gesproken, die me vertelde dat de handpalm ’t lekkerste beetje was. Aan den duim vastgehouden, kon je zoo’n gegorengde hand als een kippenboutje afkluiven.
Gadverderrie, schei uit man, ’k word er beroerd van, je liegt het toch zeker?
Nee, waarachtig niet, het gouvernement heeft er streng genoeg

achter heen moeten zitten om dat ruzie maken onderling te onderdrukken en het menscheneten tegen te gaan. Om te beginnen werden verschillende expedities uitgezonden om de min of meer machtige potentaatjes aan het gezag te onderwerpen. Op welke manier dit dikwijls ging daar zullen we ’t maar niet verder over hebben. Dat moet je maar eens aan de Ambonneesche marechaussee’s vragen. Enfin, de bevolking ging ‘r na de onderwerping niet weinig op vooruit. Jaren en jaren achtereen hadden ze aan de willekeur van hun vorsten blootgestaan en ik verzeker je dat die de kunst verstonden om het volk uit te persen. Hun rechtspraak en straffen grensden aan het ongeloofelijke, barbaarsch gewoon!
Niet altijd trad het gouvernement gewapend op, in sommige gevallen kon meer bereikt worden met diplomatie. Dan werden de meest gevaarlijken met beloften gepaaid, de onverzoenlijkste hoofden kregen vaak mooie titels en zelfs hooge onderscheidingen. Met zijden koorden werden ze omhangen maar opzoo’n wijze dat ze er met handen en voeten in verward raakten en weerloos werden.
Zij leerden de Europeesche „beschaving” kennen en mèt deze beschaving de behoefte aan luxe en comfort. Hiervoor was geld noodig en… dat had het gouvernement. Ook het particulier kapitaal werd gaarne ter beschikking van de welgezinde inlandsche grooten gesteld. Maar… in ruil voor uitgestrekte complexen bosch.
Op bevel van den vorst verlieten de boschbewoners den grond, dien zij jaren achtereen hadden verdedigd, waar zij van kind af hun ladangs hadden bebouwd en hun rijst geoogst.
De gronden waar hun vader en grootvader lagen begraven, werden met tabak en rubber beplant. Zij moesten hun heil zoeken over de rivieren. Hier vestigden zij zich en bebouwden opnieuw den grond, totdat ook hier de beschaving haar weg vond en hen weer verdreef. Gevochten behoefde er niet meer te worden, het geld der rubbermagnaten veroverde het terrein zonder bloedsporen achter te laten.
Je zei zooeven dat die inlanders er na de onderwerping niet

weinig op vooruit waren gegaan, maar ik zou zoo zeggen dat ze van dén regen in den drup zijn gekomen.
Toch niet, antwoordde Huug, hun boschgronden moeten productief gemaakt worden, daar is nu eenmaal niets aan te doen. Maar je moet niet vergeten dat zij nu door het gouvernement tegen hun vroegere hoofden beschermd worden. Zij hebben nu rechten, al zijn die niet groot, vroeger kenden zij enkel püchten. Halt, riep Koos, wat krijgen we hier?
Bij een steile helling had de olifant het schijnbaar eenvoudiger gevonden om zich maar pardoes naar beneden te laten rollen. Een breede baan van platgedrukt hout voerde naar omlaag. De takken waren diep in den grond geplet. In de diepte hoorden we een rivier bruisen.
We gleden meer dan we Hepen en na enkele minuten stonden we aan den rand van een snelstroomende soenggei. Het water bruiste en spatte hoog op tegen den rotsachtigen oever. Hier had de zon vrij spel en deed het stuifwater van een kleine waterval in allerlei kleuren schitteren. Overweldigd door het imponeerende schouwspel bleven we staan…
Schitterend, hè? Kijk eens aan den overkant, wat een orchideeën.
Wat willen we doen, vroeg Karei, een bad nemen en dan een stukje eten, of doorloopen?
Ik voel er veel voor om eens in dat fijne water rond te plonsen, riep Morain, ’k heb het knap warm gekregen.
De koehes hadden de geweren op den oever gelegd en Heten het koele rivierwater over hun vettige ruggen stroomen.
De pijnlijke voeten vergaten ze voor een moment.
Moet je zien, als ze zich even afschudden zijn ze weer droog, net eenden, wat een vethanen!
Nee, vooruit Morain, zei Koos, zijn we op jacht of hebben we dat eind geloopen om hier te kunnen baden?
Elkaar een hand gevende stapten we het water in. Voetje voor voetje schoven we vooruit, ’t Water reikte tot ons middel. De stroom was sterk en ’t kostte aHe inspanning om op de been te bHjven.

Awas, honderibben, riep Koos de dragers toe, laat de geweren en patronen niet nat worden, houdt ze boven je hoofd, uilskuikens!
Zoo, nu de hoogte op, adoe wat een klim.
Snap jij hoe zoo’n log gevaarte hier tegen op is gekomen?
Hij heeft het in ieder geval klaar gespeeld, nou wij nog.
Hier en daar hadden we aan de lianen steun. Hijgend en blazend kwamen we boven.
Doodop zetten Karei en ik ons op een gevallen boomstam, al spoedig gevolgd door Huug en Morain.
Wat zullen we nu hebben, zei Koos, zijn de jongetjes moe? Kassian.
Je kunt het er mee doen, antwoordde Karei, ‘k ben bek af en voor het eerste kwartier ben ik voor jou noch voor je olifant te spreken. Karto, geef m’n brood.
Ben je aan ’t slachten geweest Reeder, je zit vol bloed. Haal die bloedzuigers van je lijf jö, je wordt compleet opgebikt. Kom hier, ik zal je helpen.
Niet doen, zei Koos, laat ze zitten. Als ze zich vol hebben gezogen vallen ze d’r vanzelf wel af. Wanneer je d’r aan gaat trekken, blijft de kop in je vleesch zitten en hou je dagen lang ontzettende jeuk.
Ondanks dezen goeden raad had ik zoo’n griezelige zwarte patjet tusschen duim en wijsvinger genomen. Tweemaal glibberde hij los en bij de derde poging trok ik het bolvette lijf doormidden.
Zie je nou, eigenwijs stuk singkeh, verdomd jullie zijn toch allemaal eender. Blijf er nou maar verder met je handen af. Na wat gegeten te hebben staken we een sigaret op. Ik hield Koos m’n koker voor.
Merci, ’k Hou het vandaag bij m’n pijp, die geeft meer rook. De muskieten die in wolken om ons heen gonsden, hadden schijnbaar onderling afgesproken om in ons/kampement een bacchanaal aan te richten. Bij mijn bloedzuigersellende zat ik verder in een minimum van tijd onder vurige roode bulten. Overal voelde ik een branderige jeuk.

Laten we maar liever opstappen, adviseerde Karei, ’k ben geen muskietenzuigflesch.
Morain moest z’n schoen even vastmaken, maar sprong plotseling als een veer omhoog. Au, verdomme, wat is dat? Moet je hier zien, dat noemen ze een mier, ’t lijkt wel een meikever. Inderdaad, de mier die op onzen indischen collega zoo’n verwoeden aanval had gedaan, was een bijzonder groot exemplaar. Aan den breeden kop had hij een paar hoomachtige uitsteeksels, precies een nijptang.
Typisch dat dat dier juist jou moest hebben, zei Koos, intelligente beesten toch.
Vooruit, ’t is half twaalf, we moeten opschieten.
Het water sijpelde in m’n schoenen en over m’n geheele lichaam brandde en jeukte het.
Na een kwartier hield Koos plotseling stil.
Opgelet, fluisterde hij, we kunnen niet ver meer van ’m af zijn. Waarom denk je dat?
Kijk. Hier heeft ie zich kort geleden tegen een ficusboom geschuurd, het melksap loopt versch langs den stam. Waarachtig. Hoe ver is-ie nou nog voor ons uit, denk je? Hoogstens io minuten, ’t is ook heel goed mogelijk dat we ’m ieder oogenblik in ’t vizier krijgen.
Neem allemaal je geweer op en dan zonder praten voorwaarts. Ik veronderstel dat het een solitair is, een weggejaagd mannetje, die zijn ’t gevaarlijkst.
De olifant heeft een scherp gehoor; gelukkig is de wind naar ons toe, zoodat we geen omtrekkende beweging hoeven te maken, dat zou hier geen lolletje zijn in dat dichte houtgewas.
We spreken nu zóó af. Morain en Reeder loopen een pas of tien voor ons uit. ’t Geweer natuurlijk vaardig. Zoodra je ’m ziet springen jullie tusschen het hout. Morain rechts, Reeder links, niet op gelijke hoogte anders schiet je elkaar in de raap.
Niet schieten voordat-ie zich heeft omgedraaid en ons tegemoet komt; dan krijgt-ie aan beide zijden van z’n kop jullie schot.
’t Is de minst gevaarlijke positie, want als-ie ons in de gaten

heeft stormt-ie zonder links of rechts te kijken op ons af en passeert jullie. Huug, Karei en ik zullen ’m een eerlijke kans geven. Wij blijven midden op het spoor staan, naast elkaar, ’t geweer vaardig. Hij komt op een draf aanloopen, de slurf omhoog. Karei richt op z’n linker, Huug op z’n rechter oog en ik zal ’m in de linkerschouderholte raken. Hou je nu goed aan de afspraak, anders sta ik niet voor de gevolgen in. Dus denk er om Reeder, niet schieten voordat-ie zich heeft omgedraaid en langs je loopt. Allemaal begrepen? Nou verder mond dicht en langzaam vooruit.
Nu begon het pas duidelijk tot me door te dringen dat we op groot wild jaagden. Hier dreigde ontzettend gevaar!
De dragers hadden aan onze bewegingen het kritieke moment zien aankomen en omkijkend zag ik dat ze wijselijk achter waren gebleven.
Het bloed gonsde mij in de ooren, m’n slapen klopten.
Ik zag dat het bruine gelaat van Morain nu een aschgrauwe tint had aangenomen. Was hij bang? Ik meende dat zoo’n jacht voor hem niets nieuws was en dat hij bij dergelijke avonturen z’n mannetje wel zou staan.
Plotseling bleven we gelijktijdig stilstaan. Heel duidelijk hoorden we nu het breken van takken en zoo nu en dan den zwaren plof van een poot. Waarschijnlijk verorberde hij argeloos zijn maal en rukte jonge takken af. Voetje voor voetje schoven we voorwaarts. Het pad maakte een flauwe bocht. Deze voorzichtig volgend stonden we opeens achter het logge gevaarte.
Daar had je het al. Een korte scherpe knal uit het geweer van Morain. Ik was met een snellen sprong links in het bosch en bezijden het spoor terecht gekomen. Mij vlug omdraaiende legde ik het geweer aan den schouder, doch sloeg meteen achterover door het volle gewicht van Morain die mij was nagesprongen en met alle kracht tegen mij aanbotste. Mijn schot ging door dezen schok af en rakelings langs het hoofd van Morain. Zijn geweer lag op het spoor.
Een door merg en been schetterend geluid klonk op en achteroverliggend zag ik juist tusschen de takken door, dat het ge-

weldige lichaam van den woudreus ons passeerde. Oogenblikkelijk hierop knalden drie zware schoten.
Mij tusschen den warboel van takken loswringend, zag ik het vleeschgevaarte op de knieën doorzakken, nog geen vier pas verwijderd van de drie stoutmoedige jagers, die geen duimbreed achteruit waren gegaan.
Als een rotsblok lag de olifant op zijn eigen gemaakt spoor. Trillend en snuivend. Hij was dus nog niet geheel dood. Een straal bloed liep uit z’n bek en op de plaats waar kort tevoren een oog was geweest, was nu een bloederige gapende wonde te zien. Het schot van Huug.
Büjf even staan, schreeuwde Koos, niet dichterbij komen. De grendel van z’n geweer overhalende trad hij een pas naar voren en opnieuw klonk een zware slag, duizendvoudig weerkaatst tegen de eeuwenoude stammen.
Zoo, die zit!
Een trilling doorschokte het geduchte lichaam van den gevallene. Nog eenmaal bewoog in machtelooze woede de slurf van het dier, waarna het onbeweegelijk bleef liggen.
Dood!
Arm, verstooten beest. Hier in dit ongerepte bosch had het zich veilig gewaand. Oppermachtig en gevreesd had het hier rondgedoold. Nu was de heerscher gevallen, vermoord door enkele stalen kogels, vinding van westersch vernuft.
De emotievolle oogenblikken in deze grootsche natuur maar meer nog het zielloos neerliggen van het kolossale dier, maakten een diepen indruk op mij.
Uiterlijk onbewogen stond Koos z’n pijp te stoppen. Na een dikke rookwolk te hebben uitgeblazen, zei hij; dat was op het kantje af lui. Die stumper daar had ons bijna allemaal de hel ingejaagd. Held!
Nee, verdedig je maar niet, hou je mond maar liever, stakker dat je bent.
De achtergebleven koelies kwamen voorzichtig te voorschijn. Ze hadden de schoten gehoord en rekenden er wel op dat die blanda’s den gadjah hadden doodgemaakt.

Moet je die kerels zien, net zoo grauw als Morain.
Op de hurken gezeten, sloegen zij met ontzag den geschoten reus gade.
La ilah lah, mampoes dia.
Jammer dat-ie geen behoorlijke slagtanden heeft. Eén is finaal uitgebroken en van de andere is nog maar een stomp over. ’t Is wel wat ik dacht, een oude aanvoerder van de kudde, die, na een heroïschen strijd, door een jonger en sterker mannetje op de vlucht is gejaagd.
Enfin, de jonge aanplant van Goenoeng-Ampat zal-ie niet meer vernielen en wij hebben den fijnen avond bij De Korte verdiend. Moeten we dat beest nu maar zoo laten liggen, vroeg ik nogal naïf.
Als je ’m misschien aan je horlogeketting wilt hangen, ga je gang maar hoor, lachte Karei.
We aanvaardden den terugtocht. Karei en Morain voorop. Huug, Koos en ik volgden op een meter of twintig afstand. Wat zeg je van die verdomde kameel, Huug? Dat is eens maar nooit meer.
Och, je moet ‘t hem maar niet al te kwalijk nemen. Toen-ie ineens achter dat beest stond raakte-ie de kluts kwijt. Geen tegenwoordigheid van geest, wat doe je er aan.
Och wat, geen tegenwoordigheid van geest en Reeder dan, die sprong toch ook opzij zonder maar direct te schieten. Hij liep nog tegen je op ook geloof ik, viel je daardoor?
Ja, zei ik, ‘k legde juist aan, ’t scheelde maar een haar of ik raakte hem.
’t Zal je goddome overkomen zeg.
Nu ja Koos, we hebben al meer met hem beleefd, laat het nu maar zoo. We weten tenminste nou dat we op jacht niets aan ’m hebben.
Aan z’n werk zeker wel?
Ach soeda, dat moet de baas maar uitzoeken.
De voorhoede was blijven staan.
Zeg Koos, is het bepaald noodig dat we dat spoor weer volgen ? Je loopt er ’t gemakkelijkst zou ik zeggen, of wou je liever door

dat hput heenbreken.
Nee, maar we kunnen deze droge bedding volgen, dan komen we bij die batakkampoeng uit.
Wat wou je daar uitvoeren ?
In de eerste plaats klapperwater drinken, m’n veldflesch is leeg. Van de kampoeng loopt er verder een weg rechtstreeks naar de kebon.
Weet je dat zeker?
Natuurlijk, ’k ben er vroeger toch menigmaal geweest voor die boomenkwestie.
Dat is waar ook. Nou, vooruit dan maar.
Kijk, daar heb je siamangs.
Waar? ’k Zie niets.
Ginds in dien hoogen top. Wat een knapen zeg, zoo groot als een mensch.
Reusachtig. Moet je die toeren zien. Je reinste gymnasten. Plotseling stootte een der groote zwarte apen een langgerekten toon uit.
Onmiddellijk werd dit overgenomen door eenige tientallen kleinere dieren. Een geheel koor van diepe basstemmen en hoog gillende geluiden waar tusschen door een jodelmelodie in mineur, klonk daverend vanuit de toppen der boomen, zich voortplantend in rollende echo’s.
Jammer, de zangvereeniging had ons in de gaten gekregen. Vliegensvlug slingerden zij zich langs en over de takken, zoodat zij in een minimum van tijd uit het oog verdwenen waren.
Je treft het maar zelden dat je die beesten zoo van nabij ziet, ze zijn verbazend schuw.
Na een goed half uur door de bedding te hebben geloopen, beklom Karei, die voorop ging, een helling. Hier is een klein paadje, als we dat volgen komen we vanzelf aan de kampoeng. ’t Was een glibberig slingerpaadje, vol boomwortels en rottende bladeren. Op een opengekapte plaats stónden een tiental smerige op palen gebouwde hutten.
Jankend en huilend schoten eenige schurftige honden op ons af, zorgdragend om minstens 4 a 5 meter van die vreemde witte

gedaanten verwijderd te blijven.
Husss!, riep Huug, waarop zij onmiddellijk luid keffend en grommend onder de woningen verdwenen, bescherming zoekend bij de losloopende zwarte varkens.
In een moment waren we omringd door een schare naakte vieze kinderen. Op het voorbordes der hutten gluurden overal vrouwengezichten. Haar groezelige ongekamde haardos zagen we tusschen het bamboevlechtwerk door.
Waar is de penghoeloe ?
Een oude batakker met een sirihpruim tusschen de vooruit gestoken lippen, naderde ons.
Zijn linkerhand onder den rechterelleboog houdende, salueerde hij met een diepe buiging.
Tabéh toewan, mahoe pigi mana?
Zoo, ouwe gladdakker, was Kareis wedergroet, we hebben een olifant geschoten. Hij ligt een uur loopen hier vandaan, over de rivier.
Saja toewan.
Jullie mogen het vleesch hebben, dan kunnen je mooie honden voorloopig nog wat blijven leven.
Trima kassi banjak toewan.
Breng ons nu eerst wat klappers, we hebben dorst.
Als apen klommen twee kleine jongens in een hoogen palm en gooiden voor ons ieder een mooie groene vrucht naar beneden. Koos maakte met z’n jachtmes in iedere klapper een gat waaruit we het heerüjke koele water gulzig opdronken. Jonge, jonge, dat smaakt, reuze idee van je geweest Karei.
De vrouwen begonnen vrijmoediger te worden. Net als bij de schapen, als er één over den dam is, volgen d’r meer.
Nog wat schroomvallig naderden ze, schuw maar erg nieuwsgierig. –
De meesten hadden een naakt kind op den arm. Het vuurroode sirihsap liep hen uit den mond en vond in een dun straaltje zijn weg over de bloote borsten.
Onophoudelijk krabden zij zich. De huid was schilferig en hier en daar met open wonden overdekt.

Jassis, wat een viezerikken. ‘k Word er bepaald misselijk van, zei Koos.
Karei zocht enkele losse dubbeltjes, die hij met een zwaai voor zich uit wierp. Als kippen op het voer vlogen de kinderen schreeuwend en krijschend er op aan. ’t Werd een formeel gevecht.
We bedankten den penghoeloe en vervolgden onzen weg door het sombere woud. De stralen der zon konden niet door het dichte bladerdak dringen. Het natte goed hing ons koud om het lichaam. Maar flink doorstappen, meende Huug, dan worden we vanzelf wel warm.
Gelukkig naderden we den boschrand. Voor ons uit vertoonde zich een lichtstreep, daar was de ontginning van GoenoengAmpat.
Zullen we nu eerst naar meneer De Korte gaan? hij zal wel benieuwd zijn.
Da’s best, ga je ook mee Reeder?
Ik was te moe en voelde er meer voor om een bad te gaan nemen. Nat, bemodderd en bebloed als ik was, zag ik er zoo onsmakelijk uit dat De Korte beter van m’n bezoek verschoond kon blijven.
Morain scheen na z’n heldenrol ook meer behoefte aan een bad te hebben dan aan een visite op het administrateurshuis.
We namen van de anderen afscheid en gingen samen in de richting van Huugs huis, waar ik het karretje mocht laten inspannen.
Hoe vond je Koos met z’n grooten bek ? Kon ik er wat aan doen dat ik me een aap schrok toen dat monster zoo ineens voor ons stond?
Och, dat begreep Koos ook wel, maar hij nam ’t je kwalijk, dat je zoo maar pardoes in het wilde weg schoot. Door mij na te springen had je ook de grootste ongelukken kunnen maken. Mijn kogel ging rakelings langs je kop.
Goed, ik was de kluts even kwijt, dat kan een ieder overkomen, maar dat is nog geen reden om zoo idioot op te scheppen. Ik mag m niet, hij doet me te gewichtig, ’t Is of iedereen ’m naar
7 Deli planter

de oogen kijkt. En dan die Huug ook, dacht je dat ik z’n minachtende smoel niet opmerkte?
Och ga weg, hoe kom je erbij ? Koos en Huug zijn prachtkerels, iedereen mag hen graag.
Zoo, ik dan toch niet, ik kijk iets verder dan jullie. Wil ik je eens vertellen wat Huug…
Oh nee, liever niet. Als je iets onaangenaams over hem wilt vertellen, moet je liever wachten tot-ie er zelf bij is.
Natuurlijk, jij trekt wel partij voor je totokcollega’s, ik heb je immers al eens meer gezegd dat jullie achter mijn rug samenspannen. Jullie bent het altijd roerend met elkaar eens.
Klets toch niet man, jij met je samenspannen. We spannen niet samen, niet tegen jou en niet tegen een ander. Dat dénk je alleen maar weer. Je verdomde achterdocht speelt je weer parten.
Oh, ja? Nou ’t is goed hoor. Ik ga hier maar rechtsaf, dan ben ik zoo thuis.
Adieu, tot kijk.
Doodop gaf ik Mioen order om de lamp aan te steken, ’t Was een vermoeiende dag geweest, maar wel de moeite waard zoo’n olifantenjacht, gevaarlijk en spannend.
Nog lang hoorde ik het woedende schettergeluid in m’n ooren. Herhaaldelijk zag ik dien vreeselijken doodsstrijd weer voor mijn oogen.
Arm béést!

HOOFDSTUK VIII
De heer De Korte had natuurlijk woord gehouden. Een gezellige fuif had-ie beloofd en het was bekend dat hij er slag van had om het z’n gasten naar den zin te maken.
Zijn ruime mooie voorgalerij leende zich daar uitstekend voor. We zaten in een grooten kring en er heerschte een ongedwongen prettige stemming.
Natuurlijk was het gesprek in het begin van den avond hoofdzakelijk aan de zoo geslaagde jacht gewijd. Koos, die het woord had, gaf een nauwkeurig verslag van den tocht, doch zonder de houding van Morain te memoreeren. Dit was sympathiek en het pleitte voor z’n collegialiteit.
Had die olifant geen tanden, vroeg Rensema van Ogterterpe, ik had graag het bewijs van jullie heldendaden gezien. We moeten nu maar aannemen wat jullie ons belieft wijs te maken, wat zegt U ervan meneer De Korte?
Zeg lange, als je ons niet gelooft, had je maar mee moeten gaan. Ik heb ’t je nog voorgesteld, of niet?
Dat is waar, maar ’k moest dien dag op de rol komen, ’t speet me wel.
Ja, jij houdt wel van avonturen Rens, zei Huug, vertel de lui maar eens van je uitstapje naar Samoesir.
Rensema begon te lachen. Hoe weet jij dat Huug?
Oh, je moet niet denken dat je liefdesavonturen met een zendelingenvrouw kunt hebben, zonder dat zooiets uitlekt.
Wat was dat, vroeg de heer De Korte, of is ’t een hartsgeheim ? Och neen, dat nu niet direct, maar ’t was een malle situatie die nou zoo’n beetje als mop de ronde doet. Ik doe verstandiger om het maar te vertellen precies zooals het gebeurd is, anders wordt er straks het noodige bijgefantaseerd.
Zooals jullie weet, ben ik kort voor m’n Europeesch verlof twaalf dagen naar de hoogvlakte geweest. De laatste vier dagen was ik op Prapat aan het Tobameer.

’t Is er allemachtig mooi, maar als je alleen bent, verveel je je stierlijk.
Nou hadden ze me verteld dat het eiland Samoesir zoo mooi moest zijn. Je vondt daar alles nog in z’n natuurstaat en de batakkers leven d’r nog net eender als de menschen van 500 jaar geleden.
Niet dat ik wat geef om die mooie boschmenschen, laat staan als ze in hun oerstaat leven, maar ’k had niets anders te doen en zoo’n kanotochtje leek me wel.
’s Morgens om acht uur stak ik van wal. Ik kan je tusschen twee haakjes zoo’n tocht aanraden. Het meer was spiegelglad en als je een eind weg bent zie je niets anders om je heen dan de hooge bergketen rondom. Je kunt je verbeelden alleen op de wereld te zijn.
Zoo nu en dan liet ’k me een beetje drijven, ’k had den tijd aan mezelf. Wanneer ik pagaaide schoot de lichte kano als een visch door het water. Tegen een uur of elf naderde ik het strand, mooi breed en langzaam oploopend. Daarachter groeide laag struikgewas.
Door dat paddelen was ik warm geworden en alvorens m’n uitstapje op het eiland aan te vangen, wilde ik eerst wat zwemmen.
M’n kleeren konden mooi in de aan wal getrokken kano liggen en in no time dook ik in het heldere water, ’t Is daar erg diep zoodat je niet voelt dat je zwemt. Zonder eenige moeite drijf je eenige kilometers weg. ’k Had zoo uren kunnen doorzwemmen. Omkijkende zag ik het eiland op minstens drie kilometer afstand en als je hier wat overkomt is er geen mensch om je te helpen.
Dus terug. Op m’n rug zwemmend, langzaam en genietend van het frissche water bereikte ik het strand weer.
De zon brandde op m’n bloote body, je begrijpt dat ’k geen zwempak bij me had.
Bij de boot gekomen schrok ik me lam. Weg kleeren, foetsi foetsi. Wat nou? Wie kon dat gedaan hebben?
’t Kon niet anders of die interessante oerbatakkers hadden

m’n pakean weggekaapt. Tuig!
Hier in dit paradijs was het wel zonder kleeren te doen, maar ik moest weer naar de bewoonde wereld terug.
Goede raad was duur. Ik moest en zou m’n kleeren terughebben, al moest ’k er ’t geheele eiland voor uitmoorden.
Vijf minuten had ik besluiteloos op den bootrand gezeten, maar ’t vel brandde van m’n rug. Dat was niet uit te houden. Vooruit dan maar, in Adamscostuum het bosch in. Mij een zorg. Ik was giftig en nam me voor om de eerste de beste kampoeng binnen te gaan en alles in elkaar te rammen als ze niet zorgden dat m’n kleeren terugkwamen.
Na een paar honderd meter te hebben geloopen kwam ik op een grasveld.
As je me nou, dacht ik, een Europeesch huis in dit oord? Waarachtig lui, een aardige woning met keurigen tuin ervoor. Blanken zouden hier wel niet wonen, waarschijnlijk had een verlicht batakhoofd zich zoo’n bungalow laten bouwen.
Enfin, ’t had geen doel om er lang over te piekeren, ’t was op de grasvlakte trouwens te warm, dus stapte ik de trap op.
’t Eerste wat ik zag was een staande lamp met zijden kap en eenige etsen aan den muur.
Verdorie dacht ik, die batakker heeft smaak. Zeker in Europa geweest. Nog drong het niet tot me door dat ’r wel eens iemand anders zou kunnen wonen.
Hé, ada orang disini?
Nogmaals riep ik, hé menjahoet la, ada orang?
Niks hoor. Geen geluid in ’t heele huis te hooren. Zeker niemand thuis. Dan maar naar binnen. Juist had ik eenige stappen gedaan tot zoowat het midden van de galerij, toen… een Europeesche dame tusschen de portières te voorschijn trad. Menschenkinderen, ’t was of ik door den grond ging. Daar stond ik, piemelnaakt.
Het verhaal van Rensema werd onderbroken door een bulderend gelach.
Ha ha ha, wat een mop, heerlijk. Wat zei je?

Wat ik zei? Niks in ’t eerst, ’k schrok me ’n beroerte, ’t Scheen dat we elkaar erg interessant vonden want we staarden elkaar als een paar idioten aan, zonder een woord te zeggen.
Na een paar seconden zei ik, stom genoeg, maar ja wat doe je al niet in je verbouwereerdheid, „eh,… dag mevrouw, eh… mag ik even kennismaken?
Ha ha ha, schei uit Rens, ik lach me dood; hij wou eens kennismaken!
Verder Rens, wat antwoordde ze?
Wel, niks natuurlijk, ze schoot als een snoek terug naar de achterkamer. Onmiddellijk hierop kwam een batakbediende voor. Je weet dat de bevolking van Samoesir christenen zijn. Die kerel keek me aan alsof ie Adam voor zich zag, die op z’n vlucht uit het paradijs hier even was aangewipt.
Tot driemaal moest ’k hem zeggen dat-ie zijn mijnheer moest roepen.
Ik dacht, waar een vrouw is, zal ook wel een mannetje zijn. En jawel, kalm en waardig stapte een lange bleeke man de galerij op. Zijn baard hing tot z’n buik. Zijn vrouw had ’m waarschijnlijk al ingelicht. Misschien dacht-ie met een gevaarlijken gek te doen te hebben, want heel zoetsappig en sussend, zei-ie, maar wat is dèt nu? Hoe komt U zóó hier?
Met m’n houding geen raad wetend legde ik dien meneer in enkele woorden de zaak uit. M’n kleeren waren gestolen en of ik van hem misschien een pakean mocht leenen.
Kreeg je het?
Jazeker, direct, ’t Was een Duitsche zendeling en hij woonde al bijna achttien jaar op dat eiland. Zijn vrouw was zoo geschrokken, dat ze maar niet meer te voorschijn kwam. ’k Kon het me wel indenken en besloot de pijnlijke geschiedenis maar te bekorten door zoo spoedig mogelijk te vertrekken. Mijn boot lag er gelukkig nog en ik voelde mij pas een kilometer of zes uit de kust een weinig opgelucht.
Kostelijk, Rensema, ’k had dat gezicht van die zendelingenvrouw wel eens willen zien.
Nou ik verzeker je dat het heelemaal niet zoo leuk was, ’k ge-

neerde me kapot zeg.
Morain zei, ja maar had je niet…
Ach wat, had je niet, had je niet. ’k Stond perplex. Op zoo’n moment sta je immers voor Jan Klaassen. Makkelijk om later te zeggen, had je niet dit, of had je niet dat.
’t Is te begrijpen hoor, antwoordde De Korte, ’t was een moeilijke situatie.
De boy kwam binnen en verwisselde de bierglazen voor hoog op den voet staande kelkjes. De pahit werd door den baas ingeschonken, hierbij verzoekend aan ieder om verder voor zichzelf te zorgen.
Zoo, mijnheer Reeder, nu moet U voor ons eens wat zingen. U maakt Uw liedjes zelf hoorde ik, is dat zoo?
Jawel, maar het is dilettantenwerk, een beetje tijdverdrijf. Geef dat liedje nog maar eens dat je laatst op den kegelavond zong.
Welk bedoel je?
Je weet wel, over die Ford van Huug.
O, dat! ’t Begint anders nogal afgezaagd te worden.
Welnee jong.
Op de auto van Huug waren reeds verscheidene moppen gemaakt. Van Dalen lachte er zelf steeds het hardst om. Kif mijne heeren, niks anders dan kif. Moet je nooit laten merken. In mijn liedje had ik den tocht van Belawan naar Medan beschreven, precies zooals op den eersten dag in Deli mijn indruk hierover was geweest.
Het refrein werd door allen meegezongen:
Schokken, hotsen, lamgeslagen,
Adam reed in net zoo’n wagen.
Beul, maakt ‘t asjeblieft wat kort, Marteldoodstraf… in een Ford.
Lollig, verrekt lollig, Reeder. Hoe kom je er in godsnaam op! Heb je nog meer van die liedjes ?
Ja, een loflied op Mioen, m’n ouden boy.
Drink eerst Uw borrel leeg, dan schenk ik een andere in.
Zóó. Nu van Mioen.

In vier coupletten bezong ik de verdiensten van mijn huisjongen, waarbij zijn kookkunst niet werd vergeten.
Het laatste versje luidde:
Als je eenmaal bent gestorven, is mijn laatste groet, Tabéh.
En mijn maag, die j’ hebt bedorven, treurt vol weemoed met mij mee.
Ook dit werd met een uitbundig handgeklap beloond.
Ja, die ouwe Mioen. Hoelang zit die hier nu al?
’s Kijken, een jaar of dertig geloof ik.
Nog al niks. Wat moet zoo’n kromgewerkte kerel straks beginnen?
Tjangkollen kan die niet meer.
Wat wou jij dan? Een tehuis voor ouden van dagen stichten? Desnoods. Maar de maatschappij zou toch wel een paar gulden pensioen kunnen geven! Wat heeft zoo’n ouwe stakker nou noodig. Ze zijn waarachtig met heel weinig tevreden.
Laat ze dan maar eerst eens beginnen met een pensioenfonds voor de Europeanen, dat is wèl zoo noodig. Zou de directie daar nooit eens aan denken, mijnheer De Korte?
Zeker wel. Er wórdt aan gedacht en zelfs meer dan dat. Ik weet van mijnheer Seggeli dat de raad van beheer al een poos bezig is een schema hiervoor op te zetten. Dat is niet zoo eenvoudig als het lijkt. U moet niet vergeten dat bij onze maatschappij, vooral in de tabak, minstens io of 12 menschen met veertien en meer dienstjaren zitten. Dat moet goed bekeken en berekend worden.
Sjonge, dat is goed nieuws, mijnheer De Korte. Stel je voor. Pensioen!
Ja, ’t zou zeker mooi zijn, maar ik vertrouw er op dat dit voorloopig onder ons blijft. Misschien heb ik al meer gezegd dan ik feitelijk mag doen. Over een maand komt mijnheer Erixhoven op inspectie. De directeur wil zich persoonlijk van den gang op de hoogte stellen. Wanneer die pensioenkwestie werkelijkheid is dan zal hij dat bij een of andere feestelijkheid wel zelf bekend willen maken. In ieder geval houden jullie je mond er

over, ’k heb het in vertrouwen verteld.
Absoluut. Daar kunt U op aan.
Zouden de lui die bij ons al weg zijn ook pensioengerechtigd worden?
Welnee. Tot hoe ver zou dat moeten terugloopen ? Daar kunnen ze niet aan beginnen.
Toch jammer voor de menschen die dan een jaar of 25 hier hebben gewerkt en nu zonder een sou in Holland of in de kampoeng zitten.
Dat is zeker jammer, maar dat is nu eenmaal niet anders. De meeste maatschappijen hebben hun personeel na een groot aantal dienstjaren op straat gezet. Daar heb je bijvoorbeeld die ouwe Piet Duyne. Kennen jullie die?
Van Tanah-Soelit?
Ja. Je weet wel, die een jaar of acht geleden z’n baas uit de handen van een twintig chineezen redde. Herinner je nog? Nou, die zit nu in kampoeng Pisang bij Medan. Zijn meid heeft daar een klapperkebonnetje en onderhoudt hem.
Treurig! Hoelang is-ie in ’t land?
Zes en twintig jaar, waarvan 22 bij dezelfde maatschappij. Heeft-ie nooit wat verdiend?
Och jawel, natuurlijk, maar je weet hoe het gaat. Geen benul van sparen. Altijd even royaal voor een ander. Op iedere vendutie waar geholpen moest worden, stond Piet vooraan en nu… wie denkt er aan om hem nu een hand toe te steken?
Vergis je niet Karei. Zijn collega’s hebben genoeg getracht om Piet op de been te helpen, maar dat wou-ie niet. Hij wilde niet van z’n vrienden afhankelijk zijn.
Wel van een inlandsche meid?
Nou ja, dat zijn per slot van rekening z’n eigen duiten die zij zoo door de jaren van hem heeft gestolen. Licht dat-ie er nu wat van mee eet. Hij moet het maar beschouwen alsof ze al dien tijd voor hem gespaard heeft.
Zijn maatschappij heeft ’m na 22 jaren dienst zonder een cent pensioen aan den dijk gezet. Wegens ouderdom bedankt. Hoepla, jij de laan uit!

Zouden wij met z’n allen niet iets voor hem kunnen doen? Uitgesloten, ’k Zei je toch zooeven dat-ie de hulp van zijn eigen collega’s heeft geweigerd.
Betaalde zijn maatschappij de reis naar Holland niet ?
Jawel, hij heeft z’n overtocht kunnen krijgen, maar dan had-ie moeten besluiten om binnen twee maanden na zijn ontslag aan boord te gaan. Maar wat moet zoo’n ouwe man in Holland doen? Daar is-ie vervreemd. Nee, hij heeft verzocht om de duiten voor den overtocht te mogen ontvangen. Van die contanten had-ie weer een poos kunnen leven.
Gaf de maatschappij dat geld?
Moet je gelooven. Hij kon een ticket krijgen… of niets.
Wat kan het een maatschappij nu schelen aan wienze dat geld betalen? Of ze het nu aan de Rotterdamsche Lloyd of aan Duyne geven kan voor hen toch geen verschil maken, zou ik zoo zeggen.
Tu, tu, dat dacht je maar. Als zoo’n oudgediende naar Europa vertrekt verdwijnt-ie daar wel in de menigte. Niemand kent hem.
’t Is voor de maatschappij wel de overtochtkosten waard om een oud employé in het oneindige te zien oplossen. Liever dan dat zoo’n afgedankt paard hier in de kampoeng verzeilt en een ieder dan zeggen kan: „Kijk, dat is een gewezen assistent van die of die maatschappij.”
Daar moeten ze niets van hebben. Vandaar het gulle aanbod om je naar Holland te zenden. Maar gauw beslissen asjeblieft, anders trekken we onze handen van je af.
Enfin, laten wij maar hopen op pensioen, antwoordde De Korte, geen zorgen voor den tijd. Willen we aan tafel gaan? De kok had eer van z’n werk. Het menu was met zorg samengesteld. Enkele prachtig opgemaakte schotels werden rondgediend. Het geheel maakte een feestelijken indruk. Groote lampen belichtten de keurig gedekte tafel. Het fijne damast, het tafelgerei en de gekleurde wijnglazen glommen en schitterden gezellig. Zoo lang mogelijk werd het diner gerekt. Met een geestige speech memoreerde de administrateur ons geslaagd jacht-

avontuur. Hij dronk op Koos, die de waardeerende woorden volkomen had verdiend. Aan zijn leiding was het succes te danken geweest.
Met enkele bescheiden woorden dankte van Geldorpe.
Drink eens uit Hartman, Reeder, smaakt het niet ?
Nou en of, antwoordde Hartman, maar ik zat er juist over te denken of die De Haan van Damar-Oerat al naar Holland is. Ja, die is den 24sten met de „Tabanan” vertrokken. Hoe kwam je daar zoo ineens op?
’k Weet niet. Zou het waar zijn van dat geval Hallinger?
Wat was dat Hartman, vertel eens op, riep Koos van het andere einde der tafel. Daar weet ik niets van.
Laten we dan liever naar voren gaan, stelde mijnheer De Korte voor, dan drinken we er een splitje bij.
Een sigaar? Sigaret?
Nou vooruit Hartman, kom op met je verhaal, je hebt ons nieuwsgierig gemaakt.
Kennen jullie HaUiger, de hoofdbaas van Djatti-Roewa? Kennen en kennen is twee, antwoordde Rensema, bedoel je dien langen taaien, waar de zaalchef van het „Hotel de Boer” het mee aan den stok kreeg over dat gebroken servies?
Dat klopt. Dat is ’m. Hij is overal bekend als de grootste bazenen assistentenvreter. In drie jaar tijd heeft-ie maar eventjes vier administrateurs en elf assistenten ontslagen.
Het meest had-ie de pé aan z’n oudsten administrateur, De Haan van Damar-Oerat, maar die kon-ie er niet zoo heel gemakkelijk uitwippen. De Haan stond nogal goed bij de directie aangeschreven.
Een maand of twee geleden kwam Hallinger op inspectie. Zooals gewoonlijk knetterde het weer op de onderneming. De spaanders vlogen er af. In de fermenteerschuur ging-ie tegen De Haan te keer, alsof ie de eerste de beste koelie voor had en nogwel in tegenwoordigheid van de twee ontvangassistenten. Op het kantoor werd het feest voortgezet. Het daverde.
Je begrijpt dat De Haan zijn meening niet onder stoelen of banken stak. ’t Ging hard tegen hard. Maar toen de hoofdbaas

naar huis reed, begreep de Haan dat-ie zijn langsten tijd op de onderneming had gezeten.
Wat denken jullie dat ie deed?
De hoofdbaas vóór zijn en zelf z’n ontslag indienen.
Kun je begrijpen. Net iets voor De Haan om zelf zijn ontslag te nemen. Tegen een uur of twee rijdt-ie naar het postkantoor in Benteng-Tinggi en stuurt het volgende telegram naar Holland: Hallinger plotseling krankzinnig geworden. Verzoeke telegrafisch instructies. De Haan.
Twee dagen hierna kwam het antwoord: Vervang Hallinger voorloopig, de Directie.
De baas op z’n buggy naar het hoofdkantoor en duwt Hallinger het telegram onder den neus.
Je begrijpt dat die taaie als een idioot keek. Vervang Hallinger voorloopig. Daar snapte-ie niets van.
Ik ook niet, zei De Haan, maar orders zijn orders. Wanneer zal ik den boel ovememen?
Hallinger tierde als een wilde. Ik geef U niets over, mijnheer De Haan, niets, niets, niets! Ik zal me onmiddellijk met de directie in verbinding stellen. Of zij zijn gek, óf ik ben het. Maar ja, voordat hij bericht had gezonden en antwoord terug kreeg, waren er een dag of drie vier over verloopen. Wederzijds begrepen ze elkaar niet. Er moest over en weer worden geseind totdat eindelijk werd doorgekregen dat De Haan de zaak beduveld had. Toen barstte de bom. De Haan lag er op staanden voet uit, dat begrijp je. Maar dat zou toch gebeurd zijn en nou had-ie tenminste de lol dat Hallinger een paar dagen en nachten als een brieschende leeuw had rondgesprongen.
Een daverend lachen bewees dat Hartman succes had met z’n verhaal. Zijn drooggeestige manier van vertellen deed ons het geval op Damar-Oerat als ‘t ware zelf beleven.
Hebt U al besloten wat U op de aanstaande Javaansche feestdagen voor de koelies zult doen, meneer De Korte? ’t Is de volgende week al.
’k Had zoo gedacht. De onderneming slacht vijf karbauwen en twee ossen. Verder zouden we op den eersten dag het voor-

schot kunnen uitbetalen en hierna bijvoorbeeld wat sportfeesten houden. Hardloopen, touwtrekken, mastklimmen; voor de vrouwen misschien zakloopen. Ik zal wat snuisterijen voor prijzen koopen; baadjes, broeken, shirts, zakdoekjes en fleschjes odeur. Wat stukjes zeep en een paar goedkoope horloges, daar zijn ze gek op.
’s Avonds houden we een wajang koelit en een ronggeng.
Laat U liever een bangsawan komen, zei Huug, als ’t een beetje behoorlijk gezelschap is, gaan we d’r ook allemaal heen. Je lacht je krom op zoo’n avond.
Dat is nog zoo gek niet. ’k Zal den hoofdmandoer morgen zeggen dat hij een bangsawantroep opzoekt. In de buurt van Medan zwerven d’r genoeg. De heer De Korte was een gezellig prater. In z’n 18 jarige plantersloopbaan had-ie veel meegemaakt en kon nu heel wat herinneringen ophalen.
Als singkeh had-ie in Atjeh gezeten. Zonder een spoor van opschepperij vertelde hij van de moeilijke jaren waarin de oproerige vrije Atjeher de contractanten tot verzet aanspoorde. De toestanden in het kebonleven waren destijds heel anders dan thans. De cultures eischten toen mannen met extra durf en doorzettingsvermogen. Zeker, tegenwoordig zou je als verwend moedersjongetje het hier ook niet volhouden; ook nu werd er courage gevergd, doch door de jaren was er al veel verbeterd.
Allemaal nog een splitje?
Nog een dan, ’t is alweer half twee geworden.
Wil ik den jongen eerst wat koffie laten zetten, ’t smaakt best en ’t is een oogenblik werk.
Neen, neen, meneer De Korte, erg vriendelijk, maar we moeten naar huis. Reeder kan z’n oogen haast niet meer openhouden en die moet nog wel het verst van ons allemaal.
We bedankten onzen gastheer voor den gezelligen avond, hetgeen hij lachend afweerde. Nee, de dank is aan mij, jullie hebben ’t eerlijk en lang niet gemakkelijk verdiend, die olifant zal m’n aanplant niet meer vernielen en daar ben ik geweldig mee in m’n schik. Tot weerziens heeren. Wel thuis.

HOOFDSTUK IX
Dof klonken de bijlslagen door het oerbosch. Boom na boom viel kreunend en met een zwaren slag neer op de plaats waar eeuwen lang de schaduw den grond koel en vochtig had gehouden.
Alles wat ondoordringbaar en ontoegankelijk was geweest, werd blootgelegd voor de verzengende stralen der zon. Torenhooge woudreuzen van enormen omvang, werden door scherpe bijlen aan het sidderen gebracht. Zij moesten plaats maken voor de Hevea, waarmede acre na acre zou worden volgeplant. Rondom mij lagen de neergeplofte stammen wild door elkaar gesmakt. Vóór mij strekte zich het donkere woud uit, dat ten doode was opgeschreven.
lederen dag drongen we verder voorwaarts. Steeds werd ons gebied grooter en moest de natuur een deel van haar ongerept machtsgebied afstaan.
Ver voor ons uit, nu nog beschermd door het dichte bosch, krijschten de apen, als protesteerden zij tegen het verstoren van hun paradijs.
Diepe terreinglooiingen doorkruisten deze ontginning en het was zwaar, heel zwaar om hier den geheelen dag leiding te geven.
De werkindeeling moest practisch wezen. De prestaties van het werkvolk moesten ten top worden gevoerd. De veiligheid mocht hierbij echter niet uit het oog worden verloren.
Met den hoofdmandoer en mandoer Soekarman klauterde ik helling op en helling af, tusschen stammen en takken door. Twee koelies zeulden een meetketting achter ons aan. Aan het einde van iedere maand moesten de rapporten worden ingezonden. De later volgende opgave van den aanplant moest overeenstemmen met de kaprapporten. Drijfnat van het transpireeren en doodelijk vermoeid van uren en uren sjouwen door moeilijk terrein, zette ik mij neer op een boomstam en dronk

eenige teugen water uit m’n veldflesch. Bah, lauw. Ik benijdde de koelies die het koele water uit het stroompje konden drinken, hetwelk zich in de diepte van het ravijn een weg baande. Wanneer ik zulks zou doen, zou dysenterie of typhus onvermijdelijk het gevolg zijn.
De hoofdmandoer was naast mij komen zitten en rookte een stinkend strootje.
Ik keek hem van terzijde aan. Het grijze haar vlokte naast de ooren onder zijn hoofddoek uit. Zijn rimpelig, tanig gezicht stond zooals gewoonlijk onbewegeüjk en ernstig.
Soms konden de diepzwarte oogen opflikkeren in toom, doch dikwijls zag ik ze verstarren, als zagen zij droeve histories in een ver verleden.
Hoelang werk je nu al in de cultures Oedin, vroeg ik. Wat deed je vroeger?
De oude javaan bleef eenigen tijd voor zich uitstaren, niets op zijn gezicht verried waarover hij in gepeins verzonken was. Een diepe haal aan zijn strootje, was het eenige gebaar waarmede hij op mijn vraag reageerde.
Strak tuurde hij voor zich uit, als zag hij een visioen.
Eindelijk zei hij zacht, zonder z’n oogen van den horizon af te wenden, „Alles is de wil van Allah, alles is vooruit beschreven.” Ik zweeg op deze alleenspraak. Je moest Oedin niet van z’n stuk brengen. Na enkele oogenbükken begon hij weer, als sprak hij tot zich zelf.
Ik weet niet hoe oud ik ben, nee, hoe zou ik dat kunnen weten ? Toen mijn haar nog zwart en mijn huid nog glad was, woonde ik in de dessa, aan den voet van een berg waaruit vuur en rook kwamen. Mijn vader was landbouwer. Hij bezat een mooie sawah en een karbouw, ’s Morgens vroeg, als de zon nog sliep, gingen mijn broertje en ik met vader mee om rijst te planten. Ik mocht altijd de pat jol en Ramin het eten en drinken dragen. Vader zei nooit veel, maar werkte den geheelen dag. Soms mochten we de dammetjes doorsteken en dan vloeide het water naar de lager gelegen rijstvelden. Ramin was twee jaar jonger dan ik. Het gebeurde vaak dat vader hem naar huis

moest dragen omdat hij op het veld in slaap was gevallen.
In onze dessa was het prettig. Pa Kolot kon mooi vertellen van den berggeest, van de hantoe’s en van den poentianak, die kinderen stal. lederen avond luisterden we naar Pa Kolot; hij wist alles.
Moeder kookte de rijst en zorgde voor m’n kleine zusje. Zij hing nog in de slendang en kon nog niet praten. We hielden allen veel van haar. We waren gelukkig en hadden geen zorgen. Allah was wel goed voor ons.
Hier zweeg Oedin even, z’n oogen verdroomden in wazige verten.
Op een dag, vervolgde hij, kwam de toewan Residèn en de Wedana in de dessa. We werden allen bij elkaar geroepen en‘ hurkten aan de voeten van den Grooten Heer.
De toewan Residèn wees met z’n hand naar den top van den berg en zei: ontruimt de dessa, vlucht voor het te laat is. Waarschijnlijk zal hedennacht het vuur reeds losbarsten en alles verwoesten. Hoort hoe het onder de voeten dreunt, ziet het uitstooten der rookkolom. Groote steenen worden uit den krater geworpen. Ik beveel dat gij allen naar het naastbij gelegen district vertrekt en wel onmiddellijk.
Ook de Wedana maande ons tot spoed aan, we moesten het noodigste bij elkaar pakken en ons haasten.
Huilend en radeloos gaven nagenoeg alle dessagenooten gehoor aan dit bevel. Gepakt en gezakt dromden zij den weg af, de kinderen op den rug gebonden.
Doch mijn vader was niet te bewegen van zijn land te vertrekken. Hij wilde zijn huisje en sawah niet verlaten.
Hoe kon de toewan Residèn weten dat de berggeest boos was ? Vader had reeds zooveel malen die rookkolom gezien. Zoo menigmaal was de dessa opgeschrikt door dat onderaardsche gerommel. Vader woonde hier al z’n geheele leven en nog nimmer was de berggeest er toe overgegaan om de omgeving te vernielen. lederen Maandag- en Vrijdagavond werden immers vruchten en een kip aan den voet van den berg gelegd. Geregeld werden er menjanstokjes gebrand.

Als Allah het echter zoo had beschikt… welnu, dan zou het zoo zijn. Vader bleef… en wij met hem.
Om drie uur werd het stikdonker. Het onderaardsche gerommel had opgehouden en in de verlaten dessa was het doodstil. De vogels zwegen. Geen windje bewoog de hooge bamboetakken.
Ramin en ik zaten angstig tegen elkaar gedrukt, opkijkend naar den vonkenregen die onafgebroken boven en rondom den bergtop zichtbaar was.
Vader hurkte voor ons huis en sprak fluisterend met moeder. Zij was bang, heel bang. We hoorden haar steeds bidden; met zusje tegen haar borst gedrukt zat ze in elkaar gedoken terzijde van het huis.
We moesten maar gaan slapen, zei vader, er zou niets gebeuren. Vader was knap, hij wist alles wat in den Koran stond. Ofschoon om dezen tijd de maan de aarde behoorde te verlichten, was het nu volslagen donker. Een benauwde prikkelende lucht drong tusschen de wanden van het huis door. Lang hielden we de oogen opengesperd, luisterend naar het bidden van moeder.
Ramin viel van vermoeidheid het eerst in slaap en niet lang daarna sloot ook ik de oogen.
Plotseling dreunde de geheele aarde. Een donderend geluid maakte mij wakker. Alles voelde ik waggelen.
Scherpe knallen volgden snel op elkaar en een wolk van asch en rook drong m’n keel en neus binnen.
Ik hoorde moeder gillen. Onze karbouw loeide klagelijk en trachtte zich los te rukken van het touw, waarmede hij aan het huis was vastgebonden. Zonder ook maar iets te kunnen zien, rende ik de deur uit. Achter mij klonk een geluid alsof een rivier bandjirde. Hollend en struikelend ging ik verder. Waarheen? ’k Wist het niet. Overal om mij heen donderde en schudde het. Krakend vielen zware stammen over den weg. De lucht was prikkelend en belette bijna de ademhaling.
Uren moet ik zoo hebben geloopen, razend van angst. Men vond mij bewusteloos liggen, vlak naast het water van een
8 Deli planter

riviertje, dat buiten zijn oevers was getreden.
Toen ik wakker werd lag ik in een schuin: van een suikeronderneming. Hier waren honderden vluchtelingen, maar niemand dien ik kende. Overal klonk gejammer en gekerm. Niemand lette op mij, iedereen zocht z’n eigen kinderen en wie kon zich storen aan een klein jongetje dat om z’n moeder huilde?
M’n vingers stopte ik in m’n ooren en bleef onbewegelijk liggen. Waar was Ramin? Waar was zusje? Vader zal hen wel weggedragen hebben, vader was oh zoo sterk.
‘s Middags bracht een njonja, mij met nog eenige andere kinderen naar een naburige dessa. Hier, ver weg, was.alles vreemd voor mij.
Bij den loerah, waar ik door de njonja was afgegeven, vertelde men mij, dat de berg ’s nachts vuur had gespuwd en alles in de omgeving van ons dorp onder de lava had bedolven.
Van mijn ouders hoorde ik nooit meer iets. Zij waren onder den lavastroom of aschregen bedolven.
Het kampoenghoofd nam mij in z’n familie op. Pa Doelamoenasar en Ma Roes waren goed voor me. Oerip, hun zoon, was twee jaar ouder dan ik en erg heerschzuchtig. Alle kinderen in de kampoeng moesten hem gehoorzamen omdat z’n vader loerah was.
Jaren heb ik de plagerijen van Oerip verdragen. Ik moest zijn werk doen, terwijl hij een sigaret erbij lag te rooken. Mij bij zijn vader beklagen durfde ik niet, want dan sloeg en treiterde hij me later zoodanig, tot ik beloofde voortaan te zullen zwijgen. Op een dag, nadat ik hard gewerkt had om de paddioogst binnen te krijgen, stond bij m’n thuiskomst de loerah mij op te wachten.
Er was io gulden uit zijn kast verdwenen en Oerip beweerde, dat hij mij gisterenavond aan het slot had zien peuteren. Onder mijn slaapmat had hij ook den ring teruggevonden, dien zijn moeder vorige maand was kwijtgeraakt.
De loerah onderhield mij streng en bij m’n pertinent ontkennen verweet hij me dat ik ondankbaar was. Ik moest niet vergeten dat hij me jarenlang den kost had gegeven. Ouderloos en bijna

zonder kleeren was ik bij hem opgenomen en als dank hiervoor bestal ik m’n weldoeners. Ik herinner me nog dat ik ’s nachts huilde van woede en verdriet. Ik had het niet gedaan. Meermalen had ik Oerip op kleine diefstallen betrapt en was er ook nu van overtuigd dat hij en niemand anders de diefstal had gepleegd.
Waar haalde hij steeds het geld vandaan dat hij met de andere jongens verspeelde.
Den volgenden dag naar het werk gaande zag ik een troepje dessagenooten aankomen, die naar de Vrijdagsmarkt gingen. Oerip bevond zich tusschen hen en ik zag duidelijk dat hij op mij wees en over mij sprak.
Hij hield me staande en mij in het gezicht spuwende, zei hij tegen zijn vrienden, kijk, deze bangsat werd als schooier bij ons opgenomen en nu heeft hij mijn vader bestolen. Tji… tji… opnieuw spuwde hij mij tweemaal in het gezicht.
Het werd mij rood voor de oogen. Het bloed suisde in m’n hoofd en mijn mes uit den gordel rukkend stootte ik dit, razend van woede, tot het lemmet in Oerips borst.
Ontzet weken de anderen terzijde, terwijl Oerip op den weg voor mijn voeten neerstortte.
Het mes weggooiende rende ik het rijstveld door, al spoedig achtervolgd door een schreeuwende bende. De tongtong in de dessa werd geslagen, als teeken dat er een moord was gepleegd. Het ging op leven en dood en het gelukte me een grooten voorsprong op mijn achtervolgers te krijgen.
Eindelijk kon ik niet meer, hijgend liet ik me in een natte sawah vallen en bleef den geheelen dag, half onder den modder verstopt, liggen. Ook durfde ik dien avond m’n schuilplaats niet verlaten. Mijn huid brandde van millioenen muskietenbeten.
‘s Morgens waagde ik het om op te staan, ik kon hier niet blijven liggen. Razend van den honger strompelde ik naar een nabijgelegen dessa, waar enkele vrouwen paddi stonden te stampen.
Een oude vrouw keek me oplettend aan en zei me haar te vol-

gen. Hongerig als ik was lette ik niet op de teekens die zij aan enkele mannen gaf, maar verorberde gulzig de aangeboden rijst.
Toen ik echter opstond greep men mij aan alle kanten vast. Bont en blauw geslagen werd ik gebonden naar de nabijgelegen politiepost gebracht.
Iedereen üep uit. Kinderen en groote menschen riepen mij allerlei scheldwoorden toe.
Meer dood dan levend werd ik opgesloten.
Hoelang dit voorarrest duurde, weet ik niet, dag en nacht waren geüjk. Wel weet ik dat niemand een antwoord van mij kreeg, zelfs de blandarechters kregen niets uit me. Oerip was dood, ’k had verder niets te zeggen…
Hier zweeg Oedin even. Zijn hand beefde en waarschijnlijk zonder iets te zien, staarde hij voor zich uit.
Hoe ging het verder Oedin? Met hoeveel werd je gestraft? Levenslang. Achttien volle jaren heb ik aan den ketting gewerkt. Diep in de mijnen was geen daglicht, ’s nachts sloot men ons bij elkaar in donkere hokken. Daar is mijn haar wit geworden.
Waarom ben je vrijgelaten?
Na 18 jaar kreeg ik gratie. Naar Java wilde ik niet terug en ben toen naar Deli gegaan.
Je hebt wel zwaar geboet Oedin, heb je nu na zooveel jaren geen spijt van je daad?
Spijt? Neen, waarom? Ik haatte Oerip. Nu is hij dood. Allah heeft het zoo gewild. Zóó stond het geschreven. Nu ben ik oud en zal hier wel sterven…
Welk een berusting. Welk een tragedie. Hier was diep menschenleed geleden door den onbezorgden gelukkigen dessajongen, die in een nacht van verschrikking zijn familie verloor. Daarna jaren lang onder het juk van den heerschzuchtigen Oerip gebukt ging, totdat hij, getergd door een valsche beschuldiging, naar het mes greep… en tot slot van het drama 18 jaar aan een ketting geklonken werd, welke straf hij in starre zwijgzaamheid berustend droeg met de gedachte, „Allah

heeft het zoo gewild”…
Kom Oedin, roep de koelies, we gaan verder.
Na een uur rekenen en meten, alsmede het op kaart brengen van de gekapte strook, gingen we het terrein verkennen dat in de komende maand ontboscht moest worden.
Eenige dagen tevoren was een ploeg javanen begonnen met rintissen te kappen. Dit zijn rechte, smalle paadjes, overeenkomende met de op de kaart aangegeven lijnen.
’t Was hier onder het hooge geboomte vrij donker. De zonnestralen hadden geen kans om door het dichte bladerdak te boren.
Behoedzaam liep Oedin voor mij uit. Met z’n parang kapte hij hier en daar een doomtak weg of maakte mij attent op een kuil. Vreemd idee feitelijk om hier in de eenzaamheid te loopen in een bosch, dat vóór onze komst, nog nimmer door iemand was betreden, met als eenig gezelschap een veroordeelde, die wegens moord, 18 jaar kettingstraf had ondergaan.
Met welk een gerust hart kon ik mij echter op dezen man verlaten. Ik was er van overtuigd, dat hij bij eventueel gevaar, mijn leven met het zijne zou verdedigen.
Een mul zandwegje kruiste onze rintis. ’t Was de verdroogde bedding van een klein stroompje dat misschien eeuwen geleden zich een weg door het oerbosch had gebaand.
We verheten de rintis en volgden het slingerende pad, totdat we na een half uur weer den boschrand bereikten, enkele kilometers verder dan ons beginpunt.
Je hebt het terrein nu gezien Oedin. Hoeveel borong denk je te kunnen geven ? Welke mandoers zullen we hier laten beginnen ? Ah zou kunnen beginnen met onderbosschen, 150 depaper man. Matsidik kan dan de zwaardere boomen vellen in borong kongsi Nee, laat Matsidik doorgaan met branden, dat is ook hard noodig. Als de regens doorkomen zijn we dan tenminste schoon. Zet mandoer Ronowidjojo maar aan ‘t kappen.
Baik Toewan.
We verheten het heerhjk koele bosch. Onmiddellijk woei ons

een warme gloed tegemoet. –
Hier was drie maanden geleden gekapt, zoodat het hout, door de gloeiende stralen der zon, kurkdroog was geworden. Een enorme rookmassa verduisterde de lucht. Overal om ons heen knetterde het en laaiden de vlammen hoog op.
De koelies hadden pleizier in dit werk. Hun halfnaakte bruine lichamen wrongen zich lenig tusschen de takken door. Met brandende toortsen sloegen zij op het dorre hout. Snel sprongen zij voor- en achterwaarts. Als dansende duivels, met zwart berookte gezichten, schreeuwden ze elkaar toe. Steeds verder breidde het vuur zich uit. Loeiend grepen de vlammen om zich heen. Het vuur bereikte een gedeelte waar doode bamboestammen op en over elkaar lagen. Door de hitte sprongen de dikke buizen met scherpe knallen uit elkaar. Doffe zware schoten, vermengden zich met het geschreeuw der koelies. Men kon zich op een gevechtsterrein wanen. De rook en de hitte werden ondragelijk. Ik week weer achterwaarts naar den beschermenden boschrand.
U treft het met het branden, klonk het plotseling naast me. Oh, U deed me schrikken, goedenmiddag meneer De Korte. Ja, ’t brandt fijn, ’t is ook kurkdroog moet U rekenen.
Let U een beetje op de windrichting? Als de rook gindsen kant opwaait, kunnen de overige koelies niet meer werken. Oedin! Laat die kerels daar stoppen. Steek liever het rechter gedeelte aan.
Enkele minuten later stegen nieuwe rookzuilen op. Het vuur wierp zich gretig op de toegewezen prooi.
Dat blijft toch altijd even interessant, hè? Ik zie graag zoo’n geweldige vuurzee. In mijn assistententijd was dat het liefste werk dat ik deed.
Moet je die kerels zien, da’s een baantje voor ze hoor. Roept U die lui daar terug. Ze zijn zoowat ingesloten, stommelingen! Morgenochtend zal het vuur wel uit zijn. Laat U dan een ploeg van een man of dertig de houtresten bijelkaar halen en opnieuw in brand steken. Hoe schooner de boel wegbrandt, hoe gemakkelijker en goedkooper we straks kunnen werken.

Al pratend en het werk inspecteerend liepen we den boschrand langs. Gaat U zoover mee, mijnheer Reeder? Ginds staat m’n buggy, ’t Is zoo ongeveer tijd geloof ik. U kunt wel meerijden. Wist U dat Oedin vroeger dwangarbeider is geweest ?
Jazeker! Heeft hij ’t U verteld? Hij is anders niet zoo mededeelzaam.
’k Weet ook niet hoe het zoo opeens kwam, ik vroeg ’m zoo terloops wat-ie vroeger uitvoerde en toen vertelde-ie zoo ongeveer z’n geheele levensgeschiedenis, ’t Is verschrikkelijk wat die heeft meegemaakt.
Zoo! Ja, als je eens het verleden van alle javanen op de onderneming kon nagaan, zou je heel wat ellende en misdaad te hooren krijgen. In den regel zwijgen ze liever over dat moois, waar ze trouwens gelijk in hebben.
’k Heb er verder zoo’n idee van, dat 18 jaar kettingstraf iemand wel eenzelvig moet maken. Ieder heeft daar z’n eigen leed en zal zich om het lot van anderen niet bekommeren.
Het wagentje stopte voor mijn deur. Gaat U nog even mee naar binnen meneer De Korte, de thee zal wel klaar zijn.
Nee, later graag, nu moet ik naar het kantoor. Denkt U om de kap- en tjankolrapporten?
Zeker. Op den eersten heeft U ze.
Ik hoop dat er deze maand meer gekapt is dan de vorige maand. Weet U wel dat Uw opgave niet de helft aangeeft van hetgeen mijnheer Morain voor het laatst inleverde.
Ja, ik wist het, maar vond het beter om te zwijgen over de lijn die Morain op de kaart had getrokken als de grens van zijn arbeid.
Nou, enfin, doe Uw best maar. Wees niet te edelmoedig met den borong, daar komen we mee achterop hoor.
Mijn voorgalerij opstappende was de eerste dien ik zag Hartman, die zich zoo lang als hij was op mijn rustbank had laten vallen, een kop thee op een tafeltje naast zich en een wolk tabaksrook om zich heen.
Hallo, old boy, how do you do ?
Ha Hartman. Kun je het zoo nog al uithouwen?

mm
Gaat wel, maar ik vroeg hoe je het maakte.
Dank je, dank je, perfect. Lollig dat je zoo onverwachts komt aanwaaien, hoe komt dat zoo?
Dat zal ik je zeggen. In de eerste plaats had ik niets beters te doen en in de tweede plaats kwam ik je even verwittigen van het bezoek dat je vanavond krijgt.
Bezoek? Van wien?
Hartman begon te lachen. Van minstens io lui. Huug had verteld dat je zoo eenzaam woonde en nou komen de menschen van Pinang-Riboe en van Goenoeng-Ampat den boel hier eens wat op z’n kop zetten. Heb je er iets op tegen?
Welnee, natuurlijk niet. ’k Vind het verdomd leuk. Maar ’k vraag me af wat ik ze te eten en drinken moet geven, ’k Heb zoowat niets in huis.
Ja, dat is erger. Reken er op dat ze wel wat lusten. Heb je niet een paar kruiken Bols of zoo?
Nee, ’k heb niets, alleen thee en een paar fleschjes limonade. Jakkes, limonade, da’s gemeen ongezond goedje, pas maar een beetje op.
Wat denk je Hartman, zal ik een en ander laten halen?
Ben je mal, laat maar, dat regelt zich vanzelf. Hoofdzaak is dat je wat te eten hebt. Kan die boy van jou nassi-goreng klaar maken?
Dat zal wel gaan.
Roep dien sloomen duikelaar dan eens hier als je wilt.
Mioen, zei Hartman, je kimt nassi-goreng klaar maken, hè? Saja toewan.
Mooi. Heb je kippen ?
Neen mijnheer.
Hm, dat wordt beroerder. Kun je ze niet in de pondok koopen ? Mioen keek mij eens aan, wel wetende dat hier de duiten een woordje gingen meespreken.
Hoeveel kippen denk je noodig te hebben Hartman ?
Ze zijn nog al klein hier, laat er maar vier halen.
Dat is in orde. Luister verder, ouwe dief, je haalt vier kippen en dan nog wat garnalen, kroepoek, katjang, wat eieren enz.

Je weet zelf wel wat er zoo ongeveer noodig is. Zie je kans om het voor elkaar te krijgen?
Ik denk het wel.
Goed zoo. Zorg dat het makanan om io uur op tafel staat. Reken maar op 12 personen.
’k Vind het toch vervelend met die drinks. ’k Kan ze toch niet op een droogie laten zitten?
Maak je daar nou maar niet van streek over. Wees blij dat ik je ben komen waarschuwen, anders hadden ze nog niet eens te eten gehad.
Ga je nu maar als de wind baden en kleeden, ik verwacht ze ieder oogenblik hier.
Nauwelijks was ik op de voorgalerij teruggekeerd of een luid gezang kondigde de komst der gasten aan.
Rensema en Huug in het voorste wagentje.
Ha, dat singkeh, bedankt voor je vriendelijke uitnoodiging, hier zijn we.
Gearmd en zingende kwamen Koos en Arie de Graaf de trap op. Hierop volgden Heerema en nog twee collega’s van PinangRiboe.
Tot slot van den stoet traden twee logé’s van Huug binnen, ’t waren assistenten van Gedong-Oeloe, een paar types! Zingende liep het geheele stel, twee aan twee, mijn huis door. Hartman had intusschen de grammofoon opgedraaid en nou was de hel eerst goed losgebroken.
Wat een bende. Geen stoel bleef op z’n plaats.
Van een paar kisten en een oude plank werd een ruime zitgelegenheid gefabriceerd. Mijn meubilair was voor zooveel gasten niet toereikend.
Zoo, singkeh, kom nou maar eens op met je bier, we hebben dorst.
Ja, eh… bier heb ik niet, ’k vind het lam maar eh… Godallemachtig wat een vent. Géén bier. Zijn we daarvoor twee uur komen rijden? ’t Is maar goed dat we zelf een en ander hebben meegebracht.
Karto, Amat, Badoe, breng het minoeman boven.

De dne aangeroepen koetsiers sjouwden een kist bier en nog een kleinere doos de trap op.
Twee kruiken Bols, een flesch whisky en een paar doozen sigaretten kwamen als bij tooverslag voor den dag.
Wat moest er toch gebeuren?
Huug haalde een kurketrekker uit z’n zak en schonk de door Koos gehaalde glazen vol.
Prosit allemaal, leve de lol en onze gastheer.
Ho ho Huug, ik protesteer tegen de benaming van gastheer, jullie zitten nota bene je eigen bier te drinken.
Dat dacht je maar, zei Rensema, kijk eens hier knaap, teeken jij dit bonnetje maar eens even. Meer dan 60 gulden kan het je niet kosten. Een blocnote waarop al het meegebrachte onder elkaar geschreven, werd voor mij op tafel neergelegd. Zoo, zet hier maar je pootje onder. Op ‘t eind der maand kun je het wel met de kedeh verrekenen.
Ik schrok even. Bier, bols, whisky, sigaretten enz., alles bijéén tot een bedrag van 60 gulden. Hoe zou ik dat ooit kunnen betalen?
Ik keek eens naar Huug. Hij had me toch gezegd dat ik in het eerste jaar geen drank moest koopen!
Huug deed alsof hij mij niet zag. Hij zong alweer het hoogste lied uit.
Nou, teeken je nog of niet ?
Natuurlijk. Asjeblieft.
Prachtig. Nou je guitaar en zingen.
Ook dat nog. Een bon van 60 gulden teekenen en dan nog zingen op den koop toe.
’t Werd een dolle avond. De eenzame bosschen hadden nog nimmer weergalmd van zóó’n spectakel.
Om tien uur deelde Mioen mede, dat het eten klaar was. M’n kleine eetkamer was er echter niet op ingericht om zooveel gasten aan den disch te kunnen ontvangen.
We bleven derhalve waar we waren en namen ieder ons bord nassi-goreng op de knieën. Dat ging best, de eetlust bleek er tenminste niet minder om te zijn.

Op een gegeven oogenblik sprong Koos op tafel en voerde een inlandsche dans uit, waarbij allen in de handen klapten en een maleisch lied zongen. Tot laat in den nacht werd de jool voortgezet. De bon was ik vergeten. De vroolijkheid werkte aanstekelijk.
Een van Huugs logé’s imiteerde op meesterlijke wijze een soubrette. Zijn hooge stem en lenig lichaam maakten zoo’n komisch effect, dat hij in een revue geen slecht figuur zou hebben gemaakt.
Het plan om mij wat te komen opvroolijken, was wel geslaagd. M’n collega’s hadden er slag van om zwaarmoedigheid of heimwee op de vlucht te jagen.
Om twee uur gingen de gasten huiswaarts. Nog lang hoorde ik hun gezang en gelach door den stillen nacht klinken.
Wat een ruïne. Geen stoel of tafel stond meer op z’n plaats. Mioen moest ’t maar een beetje bij elkaar schuiven. Ik ging slapen.
Om 5 uur werd ik weer gewekt en het eerste wat in m’n gedachte schoot, was de bon. Zestig gulden. Christenezielen, wat zou de baas zeggen als ik m’n kedehrekening niet kon betalen? Zestig gulden…
Den geheelen dag spookte dat bedrag door mijn hoofd. Ook de volgende dagen liet het me niet met rust.
’k Nam me voor om den baas maar in te lichten, vóórdat hij het van den chineeschen winkelier te hooren kreeg. Maar neen, dat ging ook al weer niet. ’k Kon toch moeilijk gaan verklappen dat m’n collega’s op mijn rekening feest hadden gevierd? Goed beschouwd was het met de beste bedoeling gebeurd. Zij hadden me een afwisseling willen bezorgen.
’t Einde der maand naderde veel vlugger dan anders. De maand was omgevlógen.
Op betaaldag ging ik naar de kedeh. Na aftrek van m’n rijstrekening en salaris voor waterdrager, alsmede eenige andere schulden welke De Korte voor mij had betaald, had ik 22 gulden in handen gekregen.
Hiervan moest ik de maandrekening van m’n huishouden be-

talen en dan nog als extra, „de gruwel-nachtmerrie-bon”.
Hoe hoog is mijn rekening deze maand A Tek?
Er is geen rekening voor mijnheer.
Ik bedoel het bedrag dat ik je schuldig ben voor etenswaren, enz.
Jawel, ik begrijp U, maar er is geen rekening.
En die bon dan? Ik heb toch een bon voor 60 gulden onderteekend?
Daar weet ik niets van. Uw maandrekening is al betaald, dus heb ik van mijnheer niets meer te vorderen.
Wie heeft dat dan betaald A Tek?
’k Weet het niet meer. A Tek moet zóóveel dingen onthouden, terlaloe.
Daar kon ik niet bij. Eerst dagen lang tobben over die schuld en dan tot de ontdekking komen dat alles, zelfs mijn maandrekening was voldaan.
Vreemde, ruwe kerels toch, maar!… met een hart van goud.

HOOFDSTUK X
Lebaran! — het einde van de vastenmaand.
Geen feestdag wordt met zulk een verlangen tegemoet gezien als deze dag. Zooals de kinderen in Europa zich reeds weken tevoren verheugen op het kerstfeest, niet zoozeer om de blijde herinnering aan Christus’ geboorte, doch meer om de cadeautjes welke zij onder den kerstboom hopen te vinden, zoo is de contractkoelie vervuld van hetgeen lebaran hem zal brengen. Behalve zijn verdiende salaris, ontvangt hij vijf gulden voorschot. Deze rijkdom opent ruime perspectieven. Nieuwe kleeren, snoepen en niet te vergeten „gokken” totdat de laatste cent is verdwenen.
Verder een stukje vleesch en sigaretten van de onderneming, ’s Avonds volop ramé-ramé. De javaan houdt van gezelligheid. Muziek, dans en tooneel. Z’n gewoonlijk ondoorgrondelijk en niet uit de plooi te brengen gezicht, straalt dien dag van pleizier.
Met welk een kinderlijk genoegen loopt hij met z’n zijden badjoe te geuren. In z’n zak rammelen zilverstukken, die hij voor en na bij de talrijke vruchten- en manisanverkoopers inwisselt tegen de verleidelijk uitgestalde waar.
Het kwalijk riekende strootje van allen dag is vervangen door een „tjap gadjah” sigaret. Hij voelt zich vandaag de toewan sendiri.
Als westerling moet je even wennen aan de zonderlinge modeopvatting van den uitgedosten koelie op z’n Zondags.
De een heeft zich van helgekleurde gordijnstof, waarop roode en gele bloemen het hoofdmotief vormen, een pakje laten maken, waarmee een circusclown daverend succes zou hebben. De ander, waarschijnlijk geïnspireerd door een wild-west-film, die hij jaren geleden op Java zag, loopt met een cowboy- hoed op. Zelfs de zwierig geknoopte halsdoek is niet vergeten. Dat hij hierbij een gebloemde en veel te korte pantalon draagt, inplaats

van de met franje voorziene leeren rijbroek, wordt niet in aanmerking genomen. De vrouwen leggen meer smaak aan den dag. Het lijkt wel of haar mooie zwarte haren en donkere oogen de oorzaak zijn, dat zelfs de meest uiteenloopende kleuren, opvallend harmonieeren.
De kunstig gebatikte sarong, heel strak om de taille getrokken, doet de slanke heupen duidelijk uitkomen. Het hel-geel, groen of rood gekleurde zijden jasje, staat besüst elegant.
Ook de kinderen zijn de moeite van het bekijken waard. De verschillende combinaties in kleeding en hoofddeksels zijn een probleem.
Je vraagt je af of hier opzettelijke clownerie of naieve naaperij van de Europeesche kleederdracht de jeugd zoo deed toetakelen. Maar niettemin, zij vinden zich geweldig chic, waarom er dan iets belachelijks in gezien?
Vol behagen en zelfgenoegzaam gaan verwonderende en verheerlijkende blikken over bont en weelderig uitgedost kroost. Vader herkent in die opzichtig toegetakelde pop nauwelijks het bruine naakte kereltje, dat zich gisteren nog onder de modderspatten in een parit rondwentelde.
Iedereen is opgetogen; dit demonstreert den goeden geest op de kebon. Tijdens het uitbetalen der voorschotten loopt de heer De Korte tusschen de hurkende vrouwen en kinderen door, hier en daar een praatje makend. Zoo mas, wat zie jij er toch mooi uit. Jonge, jonge wat een fijn hoedje. Ma glundert en zegt tegen haar angstig, zich verstoppend dochtertje, „ajo dan, bilang, tabéh toewan besaaahar, kó maloe”. Zeg dan, dag groote heer, ach ze is verlegen.
Na de uitbetaling, waarbij iedere koelie twee pakjes sigaretten cadeau kreeg, verzamelen allen zich bij de pondok, waar de karbouwen zullen worden geslacht.
De Mohammedaansche priester, staat in het midden, gewapend met een vlijmscherpe parang. De karbouwen staan in de onmiddellijke nabijheid, stevig gebonden, onbewust van het lot dat hen wacht.
Onophoudelijk werpt de hadji ernstige blikken naar de zon en

prevelt arabische spreuken. Hoe langer dit duurt, hoe langer hij naar den stand der zon kijkt, hoe hooger de spanning bij de opeengepakte omstanders wordt.
Eindelijk schijnt het moment gunstig. Met een kalmen, doch forschen haal, snijdt de priester den hals van één der karbouwen door.
De volgenden ondergaan eenzelfde lot.
Zoodra dit ritueele gedeelte achter den rug is, ontspannen zich de gezichten der koelies. Het gelach en gejoel klinkt weer op. Een tiental javanen begint inmiddels de doodgebloede dieren te ontleden. Vlug en uiterst handig snijden zij enorme brokstukken in kleine gelijke porties, welke keurig naast elkaar op pisangbladeren worden gelegd.
Ploeg voor ploeg zetten de vrouwen en mannen zich op de hurken om de uitgestalde stukken vleesch. Op ieder hoopje ligt als toegift een stukje huid, wat darmen en vellen. Letterlijk niets gaat verloren. Alles is voor de consumptie of andere doeleinden geschikt.
Aller oogen zijn op den hoofdmandoer gevestigd. Na zijn commando „grijp’’ graait ieder de voor hem of haar liggende portie weg. Lachend maken zij dan weer plaats voor een volgende ploeg, ’t Gaat alles netjes en ordelijk. Allen zijn opgewonden en luidruchtig. Geen wonder, niet iederen dag krijgen ze vleesch bij hun droge rijst.
Mijnheer De Korte gaf aan Oedin opdracht om de koelies, na het wegbrengen van het vleesch, op de groote open vlakte tegenover den ossenstal te verzamelen. Daar zouden de sportwedstrijden worden gehouden.
In het midden was een tent gebouwd. Hierin lagen, op een tafel uitgestald, allerlei begeerlijke voorwerpen, als: korte broekjes, jasjes, zakdoeken, sigaretten, stukjes sterk riekende zeep, spiegeltjes, nikkelen gespen, ringetjes, oorbellen, enz. enz, teveel om op te noemen.
De heer De Korte zou de prijzen aan de winnaarster hand stellen. Ieder der employés had een gedeelte van het volk om zich heen verzameld.

Hartman liet de mannen mastklimmen. Onder gekrijsch en geroep gleden diverse haantje-de-voorsten langs den met zeep ingesmeerden paal terug, teleurgesteld opkijkend naar de voor hen onbereikbare prijzen.
Honderden begeerige oogen keken naar den mooien lederen buikgordel, de dichtgebonden pakjes met verrassingen, maar bovenal naar het nikkelen horloge, dat in het topje van den mast aanlokkelijk glinsterde.
Ajo Masot, probeer jij het eens.
Masot een kort dik kereltje, met een rijstbuik voor twee, keek met kinderlijk verlangende oogen naar het hooghangende uurwerk en begon met haastige rukken naar boven te klauteren. Onder luide aanmoedigingen van de toeschouwers was hij reeds halverwege gevorderd toen hij door vermoeidheid zijn pogingen moest opgeven.
Mag ik het probeeren mijnheer, vroeg mandoer Aloen.
Ga je gang.
In tegenstelling met de vorige klimmers, klom Aloen met bewuste kalmte naar boven. De spanning steeg naarmate de mandoer vorderde.
Ajo mandoer, sediket lagi, nog een klein eindje. Onverstoorbaar klom Aloen verder, steeds hooger, het doel tegemoet.
Nu strekte hij zijn arm uit en onder donderend gejuich der toeschouwers greep-ie het horloge.
De ketting in den mond nemende liet hij zich vliegensvlug naar beneden glijden.
Iedereen moest het horloge zien, enkelen mochten het zelfs even vasthouden.
Oentoeng mandoer, nasip lah, je hebt geboft mandoer.
Ik had de vrouwen om mij heen verzameld.
Kom hier Koemi, en Toemina, stap in die zakken. Wie van julliehet eerst bij de tentis, krijgt van den toewan besar een prijs. Nga mahoe saja.
Waarom wil je niet ?
Maloe toewan. Verlegen.

Vooruit, niet kinderachtig zijn, stap in.
Koemi en Toemina stapten in de ledige rijstzakken. De honderden vrouwen, die in een wijden kring om ons heen stonden giegelden en grinnikten om de verlegen houding van de eerste twee durfsters.
Nou opletten. Als ik tiga zeg, rennen jullie maar weg.
Satoe… hé wacht even Toemina, ik heb toch nog geen drie gezegd?
Nogeens.
Satoe… doewa… ach kameelenkinderen, terug weer. Hier op die streep.
Oppassen, wachten tot ik drie zeg. Satoe… doewa… tiga!
Met een ruk sprong Toemina met beide voeten tegelijk van den grond en sloeg, na twee buitelingen te hebben gemaakt, languit in het gras.
Het gelach en het aanmoedigend gejoel der toeschouwsters klonk over het geheele veld; ook de verschillende mannenploegen kwamen haastig toeloopen.
Koemi huppelde verder, de zak met beide handen stevig om de heupen knellend.
Lekas, lekas lagi, joelde de menigte. Vlugger, vlugger.
Toemina was weer opgestaan. Met een vlugge beweging haar losgeraakte haren vastknoopend, begon zij Koemi te achtervolgen.
Nu golden de aanmoedigingskreten haar.
Koemi, haar achtervolgster bemerkend, spande al haar krachten in en veranderde van tactiek.
De met succes toegepaste huppelsprong ging over in het om beurten verplaatsen der voeten. Dit werd haar noodlottig.
Een tiental meters nog van de tent verwijderd, waar de heer De Korte een mooi zijden baadje omhoog hield, struikelde zij en tolde tegen den grond.
Toemina maakte hiervan handig gebruik en met korte, weloverlegde sprongetjes, bereikte zij als eerste de tent.
[ kwam de moed er in. Verschillende vrouwen boden zich aan
I haar krachten met elkaar te meten. Het mooie zijden jasje
9 Dell planter

van de winnares van zooeven was ook wel de moeite waard om alle verlegenheid op zijde te zetten.
Er was rijkelijk voor prijzen gezorgd en al waren zij niet kostbaar, toch werden zij dankbaar in ontvangst genomen.
Ook de kinderen werden niet vergeten. Drie kartonnen doozen gingen open en met blij -glunderende oogjes namen de kleuters de presentjes van den grooten heer in ontvangst. Ze waren te beduusd om te bedanken. La ilah, wat mooi. Kralen kettingen, ringetjes van verguld zilver, la, la, la.
De opgetogen uitroepen van de zoo weinig verwende kinderen getuigden dat de administrateur zijn volkje goed kende, en… er hart voor had. Twee groote tonnen waren met water gevuld, waarin enkele flesschen limonade-essence gemengd werden. Groot en klein, mannen zoowel als vrouwen, genoten van deze rijkelijke tractatie.
De animo bleef er in, totdat de maag zich deed gelden. De tongtong bij het kantoor sloeg twaalf en velen verlieten het sportterrein om hun rijst te gaan koken. Vandaag zou er vleeschbij zijn, dat maakte den trek waarschijnlijker nog grooter. De baas noodigde ons uit om een glaasje bier bij hem te komen drinken en daarna van de bamitafel te genieten.
’k Ben er vlak voor, antwoordde Rensema, m’n keel is als leer en m’n maag knort als een wild zwijn.
Waar zijn Morain en van Berghe vandaag, ’k heb ze niet gezien. Karei is naar Medan en Morain is vanmorgen naar den dokter gegaan. Hij heeft een lichte infectie aan z’n voet.
Zullen we onder de boomen opzij van het huis gaan zitten? ‘t Is daar koeler dan binnen.
Reuze-idee, meneer De Korte, kunnen we hier straks ook eten ? Natuurlijk, ’k Heb aan mijn jongen al gezegd dat-ie hier moet dekken.
Wat zijn dat prachtige planten, hebt U die allemaal zelf gekweekt?
Dat wil zeggen, m’n tuinman. Ja, ze zijn mooi, hè? Hebt U wel eens eerder zulke orchideeën gezien? En hoe vindt U deze chevelures?

Schitterend gewoon, ’k Wist niet dat er zoo’n verscheidenheid van orchideeën bestond. U heeft wel 30 soorten geloof ik.
Oh, ja, en wel meer ook. Dat is nu eenmaal een liefhebberij van me.
Boy! Breng bier en sigaretten. Over een half uur kun je de bami opdienen.
Prosit Heeren!
Gezondheid, meneer De Korte!
Oei, dat smaakt, zei Huug, ’k had een dorst als een paard.
We gaan vanavond zeker gezamenlijk naar de bangsawan, als jullie ’r tenminste iets voor voelt. Ik heb de heeren van Pinang-Riboe ook gevraagd.
Allicht, we gaan er natuurlijk allemaal heen. Ik mag zoo’n inlandsche opera wel. Je lacht je een aap.
U hebt zooiets nog niet gezien, meneer Reeder, ’t is de moeite waard hoor.
Wat voeren ze daar op? Europeesche stukken?
Oh, van alles. Wat je maar wilt. Je zult het vanavond wel zien. Een groote schaal chineesche bami werd op tafel gezet. De helder gele kost zag er verleidelijk uit. De kokki had het gerecht met reepjes ommelet en peterselie gegarneerd.
De buitenlucht had ons hongerig gemaakt. Waar Hartman de geweldige portie liet, was me een raadsel, ’t Was een gezonde, flinke eter. Vooruit Hartman, moedigde Rensema aan, neem jij nu nog dat laatste halve bordje, dan is de schaal leeg.
Dank je wel, geef ’t maar aan Reeder, die moet er nog van groeien.
Als we nu den boy de zaak laten afruimen, dan gaan wij een uurtje rusten en daarna een lekker bad nemen. Doen? Uitstekend mijnheer De Korte, zei Rensema; een kussen uit den stoel nemend, vleide hij zich meteen in het gras neer. Ik blijf hier wel liggen, dat lijkt me beter dan in de warme logeerkamer.
Zoo je wilt. En U mijnheer Reeder, wat wilt U ? ’t Logeerbed is ter beschikking hoor.
’k Doe maar net als Rensema en Hartman, ’t is hier in de

schaduw heerlijk koel.
Een uur later werd ik wakker gemaakt door een vloek van Hartman.
Rensema had ’m een groote tor in z’n hals geduwd. Laat zitten, laat zitten lachte Rens, ’t is een gelukstor.
Stik met je gelukstor, toe, haal dat smerige ding d’r uit, ‘t kriebelt gadverderrie… toe, haal uit asjeblieft… grapjas die je bent.
De voorstelling had plaats in de speelloods. Honderden koelies zaten reikhalzend te wachten op de dingen die komen zouden. Ons binnentreden veroorzaakte eenige opschudding. Onmiddellijk werd in het middenpad, waar de vrouwen en kinderen zaten, ruim baan gemaakt.
Oedin fungeerde hier als opperceremoniemeester en leidde ons naar de gereedstaande stoelen, welke vlak voor het tooneel waren geplaatst.
De muziek, bestaande uit een trom, twee violen, een fluit en een guitaar, zette de ouverture in. Een jammerende kater in de maand Maart was hierbij vergeleken een zuiver afgestemde harp. De trom deed verwoed z’n best om in alle hoeken der zaal gehoord te worden. De violist had recht om boven alles uit te zagen en het zich dit recht niet ontnemen. Hij had de muzikale leiding en hij was het toch maar die na een maat of twintig bemerkte dat de fluitist van een geheel verkeerd blad speelde. Nadat de groote heer en zijn staf waren gezeten, kon de voorstelling een aanvang nemen.
Waarschijnlijk als proloog bedoeld, trad een kakelbont gekleede maleier tusschen de papieren coulissen vandaan en hield een redevoering in het hoog-maleisch, die natuurlijk door geen der javaansche operabezoekers werd begrepen. Maar dat was bijzaak. Z’n costuum werkte fascineerend op de menigte. Wat een wonder. Een groen fluweelen korte mantel hing zwierig over zijn schouders. Een nauwe korte broek van roode zijde omspande z’n spillebeenen. Een paar witte katoenen kousen bedekten z’n kuiten. De voeten waren in een paar bruine

schoenen gestoken, minstens een paar nummers te groot waarvan de neuzen „hoera” riepen.
Een oude verroeste cavaleriesabel voltooide het riddercostuum. Met een buiging vroeg hij aan den heer De Korte wat het gezelschap moest opvoeren. Het répertoire was zeer uitgebreid. Faust?
Natuurlijk. Dat kon heel goed.
Verbaasd vroeg ik aan Huug, die naast mij zat, hoe zij aan al de benoodigde kleeding kwamen, welke voor de verschillende stukken toch noodig was.
O, dat zul je wel zien, wacht maar even.
De muziek zette met volle kracht in en tegelijkertijd verschenen de artisten voor het voetlicht.
Nog nooit had ik zoo’n verzameling van kleedingstukken gezien. De mannen waren hoofdzakelijk in korte verschoten jasjes gekleed, alle van fluweel, in de meest tegenstrijdige kleuren. Wat zij voorstelden wisten ze zelf niet.
De vrouwelijke artisten hadden zich toegetakeld met afgedragen Europeesche kinderjurken, hier en daar verfraaid met kleurige linten, strikken en loovertjes. De goedgevormde beenen waren in veel te groote dameskousen gestoken, welke gedraaid en met plooien het toilet allesbehalve elegant voltooiden, ’t Waren waarschijnlijk allemaal figuranten, want niemand deed een mond open.
Ieder had zich naar eigen smaak en artistiek gevoel geschminkt. Dikke roode en zwarte klodders waren op de lippen en onder de oogen aangebracht, ‘t Was geen gezicht!
Rondom mij zag ik de glinsterende en bewonderende oogen der koelies en vooral de kinderen konden een enthousiast „lö, lö, ló,” niet onderdrukken.
Nu trad plotseling de prima donna van het gezelschap op. Zij had met opzet wat lang op zich laten wachten om het effect grooter te maken en de minderwaardigheid van de figuranten duidelijker te laten uitkomen. Die hadden in onwennige en verlegen houding reeds enkele minuten aan de natuurlijke spotzucht der koelies bloot gestaan. Log en zwaar trad de

hoofdrolvertolkster eenige passen naar voren. Haar veel te groote mond trachtte vriendelijk en betooverend te glimlachen. Met huppelpasjes was zij naar voren getreden om met de élégance van een nijlpaard een révérence voor het geëerde publiek te maken.
Begeleid door de veel te hoog ingezette muziek, sperde zij tot ons aller schrik haar mondje open en een vervaarlijk gegil steeg uit de vleeschmassa op.
De figuranten achtten het moment gekomen om zich nu ook eens te doen gelden. In verschillende toonaarden begonnen zij mee te zingen.
De muziek en het koor wedijverden wie het meeste lawaai kon voortbrengen. De prima donna won het glansrijk.
Benauwd keek ik Huug aan en schreeuwde hem in het oor of dit het slotkoor beteekende.
Ja, ze beginnen hier met het dessert en eindigen met de soep. Gelukkig, het angstigste gedeelte was voorbij. Geen der medespelenden had er nadeelige gevolgen van ondervonden.
Door een klein verschil van meening over de volgorde der coupletten was de zang plotseling afgebroken.
Nu begon het eigenlijke spel. Van eenig verband of samenhang was geen sprake. Dreigde het spel te haperen, dan werd maar gauw een geïmproviseerde dans uitgevoerd.
Opeens keken de spelers elkaar aan en overlegden hardop wat nu moest volgen. De meeningen Hepen nog al uiteen, zoodat de regisseur handelend op moest treden. Hij hield van krasse maatregelen. Duwend en scheldend joeg hij het koor achter de couhssen en kondigde hierna aan, dat Faust werd onderbroken en zou worden gevolgd door „Genopipa”
Genopipa?
Och, ze bedoelen Genoveva, lachte Rensema.
In dezelfde costumes van zooeven, traden de spelers opnieuw op. Allen tegehjk. Niemand wilde achterbhjven.
Als houten soldaten stonden zij naast en tegen elkaar opgesteld.
Een snerpende kras op de viool was het sein waarop de zang

wederom een aanvang moest nemen.
Juist waren een paar maten ingezet, toen Hartman een handvol sigaretten op het tooneel wierp.
Weg was alle ernst. De spelers vielen op de geliefkoosde rookwaar aan alsof het goudstukken waren, ’t Werd een duwen en grabbelen als op een Hollandschen St. Nicolaasavond.
Het gelach en gejoel der koelies laaide hoog op. Hoeré, Hoeré, hantam Kromo, dat was spel. Snapten zij iets van Genopipa? De regisseur had zijn aandeel ook weten te bemachtigen en nadat ieder artist den brand in de sigaret had gestoken, kon de voorstelling weer voortgang hebben.
’t Begon er op te lijken dat het nu meenens zou worden. De trom bonkte de maat en schelle stemmen vulden de zwoelheete zaal.
Het eene couplet volgde op het andere. Allen zongen dezen keer hetzelfde lied. De armen bewogen zich regelmatig van de borst naar een onbepaalde richting in het verschiet.
Het deed me denken aan de poppen van een draaiorgel dat vroeger op gezette tijden de rust in onze straat kwam verstoren.
Terzijde kijkend zag ik Rensema een rolletje dubbeltjes openmaken.
Pas op, nou zul je wat beleven!
Half uit zijn stoel opstaande, wierp hij met een zwaai de vijftig zilverstukjes tusschen de zangers.
Een bom in een kippenhok had geen grooter consternatie kunnen veroorzaken. Als duivels vielen de spelers op het geld aan, op en over elkaar. Je zag niet anders dan een chaos van armen en beenen.
Het gegier der koelies zwol nu aan tot een storm. Het gillend gelach der vrouwen en kinderen overstemde het tumult.
Als razenden graaiden de genovevavertolkers over de planken, elkaar stompend en trekkend en plukharend.
Het daverde in de zaal. De pret was ten top gestegen. De koelies amuseerden zich bovenmate en daar ging het toch maar om.

Dnder hevig handgeklap en gegroet van de inlandsche schouwburgbezoekers, verlieten wij het gebouw.
Na de bedompte atmosfeer in de volgestuwde ruimte, deed de frissche buitenlucht ons goed.
Hè, hè, is dat lachen, zei Hartman, ’k heb er krampen van gekregen.
Zag je die dikke prima donna als een meikever op d’r rug liggen? Ze kon onder die anderen geen vin meer verroeren, ‘k Dacht dat ik het bestierf.
Nou heb je het inlandsch tooneel gezien Reeder, hoe vind je het?
Buitengewoon! Och, och, wat hadden die kinderen een dolle pret, ’t was een studie waard om die gezichtjes te observeeren. Oh, geloof gerust dat ze genoten, groot en klein. Wat dat betreft zijn het allemaal kinderen.
Wat gaan we doen? Een potje bier bij Rensema drinken? Eigenaardig, zei Hartman, dat wij altijd biertjes moeten drinken en dat de inlanders een geheelen dag tot ‘s avonds laat feest vieren, zonder één druppel alcohol.
Dat is niets eigenaardig, antwoordde Rensema, ze vinden limonade wèl zoo lekker, waarom zouden ze dan wat anders drinken? ’t Is maar een kwestie van gewoonte en waarom zou het zonder drank ook niet gezellig kunnen zijn.
Natuurlijk Rens, ’t gaat best zonder drank, help me onthouwen dat jij straks limonade krijgt.
Hoor ze eens een lol hebben, je kunt ze hier hooren gillen. Geloof gerust dat het feest nu pas begint. Ze vinden het prettig dat we belangstelling toonen maar ’t moet niet te lang duren. Als ze onder elkaar zijn, komen ze op hun manier los. De aanwezigheid van den toewan-besar werkt altijd een beetje remmend op hun uitbundigheid.
Daar was zooeven anders niet veel van te bemerken.
Dat is waar, maar je moet niet vergeten dat wijzelf den stoot tot die herrie gaven. Die gekke Rens ook met z’n dubbeltjes.
De maan scheen helder over het emplacement. Het huis van Rensema teekende zich scherp af tegen de strakke lucht. Mooi,

hè ? ’t Lijkt wel een plaatje.
Zullen we de stoelen buiten laten brengen, ’t is hier fijn.
Wie wil een goeie sigaar?
Oh, ’k dacht ook al, waarom je zoo graag buiten wou zitten? Maar kom maar op met je giftstengels.
Wè.t denkt U, mijnheer De Korte, zouden we dit jaar tantièmes krijgen ?
t Is niet uitgesloten. De rubber heeft goede prijzen gemaakt en de tabak… jaaa dat moeten we afwachten, hè? Heeft een van jullie nog iets van Boekhorst gehoord?
Ja, antwoordde Hartman, hij is afgekeurd en ontslagen met vier maanden salaris.
Beroerd zeg. Wat moet zoo’n jongen nu in Europa beginnen? Z n gezondheid heeft hier een zoodanigen knak gekregen, dat-ie wel voorgoed een wrak zal blijven. Half verwaarloosde dysenterie, dito malaria en dan niet zuinig overspannen, zeg maar zenuwziek. Begin d’r maar eens aan!
Na een kwartier stond de heer De Korte op.
Gaat U nu al weg?
Ja, ’k heb nog een en ander te doen. Amuseert U zich verder. Welterusten heeren.
Welterusten, mijnheer De Korte, wel thuis.
Zeg Huug, had je zooeven in de gaten dat ie meteen over wat anders begon toen Rensema vroeg of we dit jaar tantièmes zouden krijgen?
Natuurlijk had ik dat door. Maar ’t is voor hem ook niet lollig om daarover te praten met de wetenschap dat hij over dit jaar ruim veertig duizend gulden krijgt en wij, zijn assistenten, geen cent!
Zouden we werkelijk niets krijgen, denk je?
Absoluut. Reken maar op niets, dan ben je er ’t dichtste bij. De rubber heeft zes ton verdiend en de tabak anderhalf millioen verloren. Nul, komma nul, ’k hou een bokkie en wij zijn van de infanterie.
Ja maar Huug, vroeg ik, zooeven zei je toch dat mijnheer De Korte veertig mille uitbetaald krijgt en nou zeg je weer dat we

verloren hebben. Hoe zit dat ?
Begrijp je dat werkelijk niet, of hou je je maar zoo?
Nee, heusch, ‘k snap het niet.
Nou, kijk eens hier. Je weet dat de assistenten 10% van de netto winst der maatschappij krijgen, nietwaar?
Jawel, die winst wordt onder ons verdeeld in zoogenaamde aandeelen die ieder employé heeft naar gelang van zijn aantal dienstjaren.
Juist mijn zoon. Tien % van de netto winst der maatschappij… als er winst is! In den regel verüest de tabak drie of viermaal zooveel als de rubber verdiende. Bijgevolg de maatschappij… Ja, ’k snap het al, de maatschappij werkt met verlies en wij kunnen de io % van „niets” onderling verdeelen.
Kranig uitgerekend. We gaan verder!
De administrateurs genieten echter een andere tantièmeregeling en wel als volgt: zij krijgen 6% van de netto opbrengst hunner onderneming, begrijp je me, van hun onderneming, ze staan dus geheel buiten de verhezen in de tabak. Goenoeng Ampat verdient dit jaar ongeveer zes en driekwart ton en daarvan krijgt De Korte om en bij 40 duizend gulden. Ieder jaar ontvangen we de winst en verliesrekening der maatschappij. Een keurig verzorgd boekje in gelen omslag. Hierin was in de laatste jaren bijvoorbeeld een duidelijk overzicht der rubber opgenomen, die, dank zij de voorverkoopen op contract, een behoorlijke winst had gemaakt. Hierna volgt een eindelooze serie cijfers, welke op de tabak betrekking hebben. Alhoewel de inschrijvingen hoopvol waren geweest, waren verschillende groote partijen zandblad ver beneden den kostprijs van de hand gedaan. De vooroogst was erg tegen gevallen, de middenoogst was niet goed gefermenteerd en de naoogst was slecht. De regens waren niet op tijd gevallen, het blad was dik en grof. De verhezen op de tabak overtroffen verweg de winst der rubber.
Op de laatste bladzijde worden de assistenten met een paar fraai gestelde zinnetjes bedankt voor den ijver en de toewijding waarmede dit jaar weer was gewerkt… en hiermee is de kous af.

Om de zaak voor ons nog beroerder te maken, zijn er te weinig plaatsen beschikbaar om allen een goede kans op promotie tot administrateur te geven en om behoorlijk te verdienen moet je dat toch eerst worden, nietwaar? Tusschen twee haakjes, je begrijpt dat protectie hierbij een heel voorname rol speelt.
Het publiek in Holland ziet straks weer zoo’n Indischen Nabob, zoo’n rubberking, zich in den Haag of in het Gooi vestigen. Daar verspreidt-ie een waas van rijkdom en weelde om zich heen. Op zijn villa prijkt met groote letters, „Kaja Bet oei” of „Soeka Nasip”.
Velen weten zich te herinneren dat hij als arme jongen naar Indië ging… en kijk nu eens!
Zeker, die witte raaf is duidelijk zichtbaar, die valt wel op. Maar die niet opvallen, zijn zij die ginds even hard of harder hebben gewerkt, doch nu even arm als voorheen en gedésillusioneerd, op kosten van hun familie leven, of nog erger, hun verdere leven in de kampoeng slijten. Daar hebben ze geleerd hun lot te dragen en… zwijgend daarin te berusten.
Er zijn gelukkig maatschappijen, die tegenover de bewezen diensten hunner employés, een pensioentje stellen, maar hoeveel directies zijn er nog die er niet aan denken om in de goede jaren iets voor hun personeel te reserveeren.
Het oppervlakkig ingelichte publiek in Europa weet niet, dat hier menschen zijn die 20 jaar en meer hun beste krachten en vaak hun gezondheid offerden in dienst van een directie, die als eenige tegenprestatie diezelfde menschen wegens lichamelijke ongeschiktheid ontslag aanzegde, zonder ook maar eenige tegemoetkoming laat staan pensioen toe te kennen.
Gelukkig is de samenleving en de collegialiteit der planters van dien aard, dat zoo iemand niet direct aan z’n lot wordt overgelaten. Hij vindt bij z’n oude vrinden langen tijd een onderdak een boterham. Zoo trekt hij van den een naar den ander. Noempangen noemen ze dat.
Hij weet dat het hem wordt gegund, overal is-ie welkom, maar eens komt toch de tijd dat hij gaat voelen dat het zoo niet eeuwig kan duren. Dan zoekt-ie z’n oude huishoudster weer op.

Zij is begaan met het lot van haar vroegeren heer en overtuigt hem dat de kampoeng zijn laatste en eenige toevlucht is. In deze gemeenschap wordt hij liefderijk opgenomen… en niemand uit zijn oude omgeving denkt meer om hem, en zeker niet zijn maatschappij.
Heb ik overdreven lui?
Welneen Huug, zoo is het. Ik kan je direct eenige namen opnoemen van menschen die er zoo aan toe zijn. Kijk b.v. maar eens naar Verkerk, Neumann, Lagerwey, De Wilde van Soenggei Sangkir, enz. enz., oh, ja, niet te vergeten de ouwe Piet Verhaar van Tandjoeng-Loempoer. Ze zitten nu allemaal in de kampoeng en we weten dat het vroeger toch waarachtig geen zwabbers zijn geweest. Piet Verhaar heeft 24 jaar bij de I.O.C. gewerkt en is nu wegens chronische malaria afgekeurd zonder een cent pensioen. Die malaria heeft-ie toch zeker niet in de soos opgedaan ?
Kom ik stap op, zei Huug. Of we d’r nu lang, of kort over kletsen, we schieten er geen klap mee op. Adieu menschen! Bonjour Huug, saluut!
Wat was-ie vanavond weer zwaar op de hand, zei Rensema. ’t Was wel allemaal waar wat-ie beweerde, maar in den regel gaat-ie er niet zoover op door.
Och jullie kennen Huug nog zoo slecht. Hij heeft zoo’n verdomd eerlijk karakter dat al die onbillijkheden hem ontzettend dwars zitten. In Holland heeft-ie vroeger ook een hoop beroerdigheid meegemaakt. Precies weet ik het niet, hij laat zoo weinig los. Een kwestie met een meisje geloof ik. Maar dat nog allemaal daargelaten. Wie heeft Goenoeng-Ampat geopend? Wie heeft de beroerdste jaren meegemaakt toen hier alles nog bosch en wildernis was? Hij had volgens recht al jaren geleden baas moeten worden. Dacht je dat-ie ook niet eens aan de toekomst denkt ?
Waarom is-ie feitelijk al drie maal gepasseerd, weet jij dat Hartman?
Ja, waarom, waarom, dat weet niemand, ’t Is een harde werker, dat weten we allemaal, maar hij loopt zoo weinig met z’n

verdiensten te koop. Je moet hier nu eenmaal met jezelf loopen geuren, je moet reclame maken.
Goede wijn behoeft anders geen krans wordt er wel eens beweerd.
In een gezonde maatschappij niet, daar heb je gelijk in. Maar in Deli moeten ze nu eenmaal niets van bescheidenheid hebben. Plaats je jezelf niet op den voorgrond, door bij iedere gelegenheid die zich maar voordoet het grootste woord te voeren, dan val je niet op.
Alleen zij, die door bluf en grootspraak kunnen imponeeren, worden onder de klasse „superieur” gerangschikt. Bescheidenheid is „inferieur”.
Wanneer De Korte eens voorgoed naar Holland gaat, zou Huug dan kans op promotie hebben, denk je?
Wat zal ik zeggen, je kunt er zoo weinig van op aan. In ieder geval gun ik het hem van harte. Als iemand ’t verdient, is hij het.
Enfin, we zullen afwachten. De tijd zal ’t leeren. Vandaag hebben we een prettigen dag gehad en wat hierna komt, zullen we wel zien.

HOOFDSTUK XI
De atmosfeer van de ondernemingen onzer maatschappij was hoog gespannen. Met het oog op de groote dingen die komen zouden, heerschte overal een opvallende bedrijvigheid. Een ieder, doch vooral de staf, was doordrongen van een gevoel, dat iedere rechtgeaarde huisvrouw in Holland bezielt, wanneer de zgn. schoonmaaktijd hoogtij viert.
Het geringste hoekje en gaatje van de kebon werd nauwkeurig onder handen genomen. Een afgelegen, stiefmoederlijk bedeeld onderdeeltje, werd thans in de puntjes verzorgd.
De hoofdbaas deelde kwistig standjes uit en de bazen heten hun te sterk gespannen zenuwen langs de natuurlijke bliksemafleiders, ofwel hun assistenten, afvloeien.
De heer Erixhoven, directeur onzer maatschappij, zou binnenkort te Belawan debarkeeren en de ondernemingen aan een duchtige inspectie onderwerpen.
Wonderlijk hoe ieder verzoek, om bijvoorbeeld een lek dak te mogen laten repareeren, thans gewillig werd toegestaan. Een extra koelie om je tuin wat toonbaarder te maken, werd je als ’t ware opgedrongen. Elk ongewenscht opkomend lalangsprietje, werd een boom op je conduite. In de boeken werd met dagloonen gegoocheld, een Bamberg waardig.
Inplaats van eens in de maand, zooals gewoonlijk, verscheen de hoofdadministrateur, de heer Seggeli nu op de meest onverwachte oogenblikken, en bij iedere inspectie barstte een hevig onweer los.
Ik had steeds het idee dat de onderneming er wel mocht zijn en met zijn prachtig emplacement waarachtig geen slecht figuur sloeg.
’k Scheen me vergist te hebben. Er deugde niets van. Hier waren de afvoerparits niet diep genoeg, daar waren de koeliewoningen niet op tijd gewitkalkt. Ginds bleken de grenzen niet afdoende schoongehouden, overal mankeerde iets aan. Niets,

letterlijk niets bleek in orde te zijn.
De nervositeit steeg met het uur. Langzamerhand was ieder er van overtuigd dat de onderneming een complete wildernis geleek. Er moest aangepakt worden.
Geen boom stond op z’n plaats, tenminste zoo zag de heer Seggeli het. Laaghangende takken werden gesnoeid. Tientallen javanen waren dagen lang bezig om in den jongen aanplant de boomen recht te trekken en te stutten. Alles scheen kromgetrokken te zijn. Vreemd dat het niemand te voren was opgevallen.
Volgens de berichten der collega’s ging het op de tabakskebons nog een graadje erger toe. De directeur zou zijn aandacht voornamelijk aan deze cultuur wijden. Jaren en jaren achtereen had de maatschappij met verlies gewerkt. Er moest ergens een wondeplek zijn. De groote operateur zou zelf komen en het mes zoo diep mogelijk in den patiënt zetten.
Van ’s morgens vijf tot ’s avonds zes uur en later waren administrateurs en assistenten druk bezig om het stokpaardje der aandeelhouders te roskammen.
Zelfs een enkel flegmatiek aangelegd assistent, die het groote voorrecht bezat om onder alle omstandigheden zijn kalmte te bewaren, werd nu opgezweept met bedreigingen van conduite zoo zwart als steenkool of met ontslag.
De directeur komt! Het deed me denken aan m’n leeraar op de H.B.S. die, bij absoluut gemis aan prestige, als zoo nu en dan de herrie in de klas onhoudbaar werd, zijn hoofd buiten de deur stak, quasi de gang inkeek en dan verschrikt ons toeriep „de directeur komt”!
Zelfs de heer De Korte was door de opwindingsbacil aangetast. Hij kon geweldig lastig zijn. ’k Nam het hem niet kwalijk omdat ik wist dat hij zelf al menig onverdiend standje van den hoofdbaas had moeten slikken.
Hoemeer de gewichtige dag naderde, hoe hooger de manometer opliep. Eindelijk brak het uur aan waarop de heer Seggeli en nog andere vooraanstaande hoogwaardigheidbekleeders van zustermaatschappijen het moment verbeidden dat de trap van

den mailstoomer zou worden neergelaten. Zij oefenden zich reeds in het „gewoon doen” om vooral een onbevangen indruk te maken.
Op de kebons ging nu alles weer zijn gewonen gang. De stilte die den storm vooraf gaat was duidelijk merkbaar.
Het kon nog wel enkele dagen duren voor de „allerhoogste” onze onderneming in oogenschouw kwam nemen. De tabak was in ieder geval het eerst aan de beurt.
Op de club kwamen de eerste verhalen los van de tabakkers die reeds een voorproefje van des directeurs stemming hadden genoten.
De heer Erixhoven had de sorteering nauwkeurig onder de loupe genomen. Er waren nog al enkele fouten geweest en de hoofdbaas had een paar onaangename oogenblikken doorgemaakt.
De schuurassistenten kregen hier en daar een knauw. Den administrateurs werd ronduit verweten dat de misoogsten hoofdzakelijk aan hun te weinig betoonde energie waren te danken.
De administrateur van Batoe-Soekoe, die als eenige verontwaardigd hiertegen in verzet kwam, werd op staanden voet ontslagen.
Er werd gehamerd tot de vonken in vlammen overgingen en menig assistent schroeide zich de vleugels zoodanig dat hem de kans om hooger op te vliegen voorgoed benomen werd. Honderden kleinigheden, waar dagen lang de meeste aandacht aan was besteed, werden door den heer Erixhoven totaal genegeerd. Daartegenover kwamen zaken, welke als nutteloos over het hoofd waren gezien, thans in het volle daglicht.
De tabakkers maakten een zenuwachtigen tijd mee. Niemand voelde zich safe.
lederen dag werd een andere onderneming verontrust en wist de betreffende baas het zwaard van Damocles boven zijn hoofd.
Den dag vóór het gewichtige gebeuren op Goenoeng-Ampat, kwam de heer De Korte nog even op het werk om verschillende

aanwijzingen te geven, ’t Moest er in de puntjes uitzien. Ik hoopte van harte dat de inspectie bij ons een succes voor den baas zou worden. Hij verdiende het.
Oedin had met onbegrijpelijk geduld mijn steeds herhaalde orders aangehoord en stereotiep geantwoord dat het in orde zou komen.
Hij was de kalmste van allen. Hij had geen hoogere idealen en ook geen angst voor de toekomst. Alles zou gaan zoo het beschreven stond.
De mandoers, allen nog jonge kerels, waren minder flegmatiek. Zij waren min of meer opgewonden en actiever dan ooit. Zij meenden dat alle belangen waren gediend met het uitzetten hunner stembanden en maakten te recht of ten onrechte aanmerkingen op de behoorlijk doorwerkende koelies.
Meermalen moest ik remmend optreden. Al te ijverige mandoers konden excessen met het volk veroorzaken en dat moest, nü vooral, voorkomen worden.
Om negen uur werd het hooge bezoek verwacht. Herhaaldelijk had ik reeds den weg afgekeken. Eindelijk naderde, in een groote stofwolk, de grijze auto van het hoofdkantoor.
Ik haastte mij naar het begin der afdeeling, onder het loopen mijn kraagknoopen dichtmakend.
„Dit is mijnheer Reeder,” zei de hoofdadministrateur.
Ja, ja, ik herinner me mijnheer Reeder nog wel. Hoe maakt U het? Kunt U zich nog al schikken hier?
Uitstekend, mijnheer Erixhoven, ’t bevalt mij hier goed.
Zoo, zoo, dat vind ik prettig te hooren. Kunt U goed tegen het klimaat?
’k Ben gelukkig nog niet ziek geweest, ’k voel me heel gezond. Dan zult U ’t wel bolwerken, vermoed ik. U werkt in de ontginning, hè?
Hoeveel acre liggen er hier nu plantklaar?
Totaal 1200 acre gekapt, waarvan er 900 zijn beplant en 200 plantklaar liggen. De overige 100 acre moeten nog gebrand worden.
Heeft U dat allemaal gedaan?
10 Deli planter

Neen, gedeeltelijk. Ik heb het werk van meneer Morain overgenomen.
Hoeveel boomen kimt U op een acre zetten?
Ongeveer 117.
Hoeveel boomen zijn er al geplant.
Ruim honderd en vijf duizend.
Mooi. Willen we nu maar eens rondkijken, mijnheer Seggeli? De heer De Korte en ik volgden op twee passen afstands. De meest uiteenloopende vragen werden vlot beantwoord, ’t Ging gesmeerd.
De directeur was een goed tabakskenner, doch absoluut geen expert op rubbergebied. De vragen die zoo iemand stelt, zijn in den regel moeilijker te beantwoorden dan de vragen die door een vakman gedaan worden. Op een vraag die bijvoorbeeld kant noch wal raakt, kun je in zoo’n geval niet antwoorden met een nietszeggend schouderophalen; het is dan het verstandigst je te verlaten op de diplomatie van den hoofdbaas die het gesprek wel in andere banen weet te leiden.
Iedere boom was voor den directeur gelijk aan den andere. De eindeloos lange rijen geleken precies op elkaar. Rechte stammen met aan den bovenkant een verzameling takken.
We naderden een gedeelte waar nog niet lang geleden was gekapt. Zou hij hier met z’n glimmende bruine schoenen in willen stappen?
Oh, hier kunnen we niet verder. Hoe kunnen we bij de menschen komen die aan ’t boomenvellen zijn, dat interesseert me wel. Hierlangs, mijnheer Erixhoven, hier loopt een smal paadje.
Ah, dank U, juist, hier is het beter begaanbaar.
Het terrein liep tamelijk steil omhoog. De niet getrainde directeur gaf al spoedig blijken van vermoeidheid. Aan den boschrand gekomen, herademde hij even. Hè, hè, wat een hitte, nietwaar ? Met een zijden zakdoek wischte hij zich gezicht en polsen af. ‘k Ben waarachtig doornat. Waar werken die koelies nu? Ik zie niemand.
Daar, voor U uit, kijk daar staat juist een boom op het punt

van vallen. Gaat U liever een eindje achteruit.
Met haastige korte pasjes wipte de heer Erixhoven het zonnige gedeelte weer in. Hij was niet zoo heel jong meer en hijgend en blazend retireerde hij naar de veilige zone.
Met donderend geweld stortte een geweldige stam tegen de aarde, krakend en brekend, en al vernielend wat op zijn weg kwam.
Ontzet keek de heer Erixhoven dit schouwspel aan. Gebeuren daar nooit ongelukken mee, mijnheer Reeder? ’t Lijkt me een gevaarlijk werk.
Och, ‘t is natuurlijk oppassen, voor jezelf en voor je volk. Die kerels zien geen gevaar en als je d’r niet op let, halen ze de grootste stommiteiten uit.
Nou, weest U maar voorzichtig hoor. Kom, laten we maqr verderop gaan. Doordat de directeur weinig of niets van de rubber afwist, waren we gevrijwaard voor standjes, ‘t Ging er hier maar om een bevredigend antwoord op de naïeve vragen te kunnen geven.
AL 1 3.1 • • . i i – _
• QwuuMkttvuja l«V V» V VI tlVIXVU, UCL aigC”
I werkte product was in goede handen. Planten en produceeren waren ondoorgrondelijke problemen voor hem.
Tot half elf duurde de „inspectie”. De hitte op het dorre veld werd echter te ondragelijk en doodop liet de „allerhoogste” zich op de achterbank van de auto neerzakken.
Beleefd lichtte ik mijn hoed en nam de toegestoken hand aan. Ik zie U binnenkort nog wel, mijnheer Reeder. Doe Uw best maar verder.
Zoo, dat was achter den rug. Hadden we ons daar zoo druk om gemaakt ? Enfin, beter zoo dan anders.
Eenige dagen later kreeg ik van den heer De Korte een briefje, waarin mij werd medegedeeld, dat de directeur, vóór zijn verI trek naar Holland, een diner zou aanbieden in de groote club. Hij noodigde het geheele personeel der maatschappij op een gezelhgen avond, om van die gelegenheid tevens gebruik te maken, eenige belangrijke mededeelingen te doen. Zou het dan waar zijn wat de baas ons onlangs onder geheimhouding had

verteld? Pensioenfonds? Als dat eens waar was.
De groote zaal van de soos was keurig versierd. Talrijke lampen verlichtten het smaakvolle interieur. Overal waren gezellige zitjes geplaatst en een geroezemoes van stemmen steeg uit de reeds half gevulde zaal.
Rensema, Huug, Hartman en ik waren gezamenlijk gekomen en begaven ons naar het middengedeelte waar de heeren Erixhoven en Seggeh de gasten ontvingen.
Achter ons aan volgden er steeds meer. De stemming was ongedwongen en prettig. Een ieder was blij dat de inspecties achter den rug waren en een royaal afscheidsdiner animeerde de stemming.
Na een minuut of tien bleken alle genoodigden aanwezig te zijn. Ieder zocht zijn plaats aan de in halve-maanvorm geplaatste tafel.
Een buitensporig uitgebreid menu werd vlot en volgens de regelen der kunst door de afgerichte clubboys opgediend. De champagne schuimde hoog in de kristallen glazen.
De directeur tikte even tegen z’n glas en wetende dat er iets bijzonders moest komen, legde ieder mes en vork neer om in gespannen aandacht te luisteren. Het rumoer verstomde als bij tooverslag.
Hij begon met ons allen hartehjk welkom te heeten. Vanzelfsprekend waren de bevindingen inzake de gehouden inspecties reeds met den heer Seggeh behandeld, doch hij wilde niet nalaten om nog eens duidelijk den nadruk te leggen op de geconstateerde fouten. De aanwezige administrateurs begrepen ieder voor zich wel waar hij op doelde.
Het is U allen verder welbekend, vervolgde de heer Erixhoven zijn rede, dat de maatschappij over de laatste jaren enorme verhezen te boeken had. De U toegezonden jaarverslagen behoeven waarlijk geen nadere toelichting. De getallen spreken voor zichzelf.
Gedeeltehjk moeten wij dit aan den laten regenval wijten.

Tegen de natuur staan we machteloos. Doch lang niet het kleinste gedeelte mislukte door andere zaken, die ik echter niet in het openbaar zal behandelen.
Verschillende fouten zullen worden hersteld, enkele werkmethodes veranderd, en ik geloof waarlijk niet al te optimistisch te zijn, wanneer ik als mijn overtuiging uitspreek dat de oogst, die nu in de schuren ligt, aan de hoogste verwachtingen zal beantwoorden.
Gelukkig hebben de goede rubberprijzen het nadeelig saldo der tabak aanmerkelijk kunnen verminderen.
Na de geleden verhezen kon de maatschappij niet anders dan 100% energie van ons eischen. (Het was duidelijk dat onze energie tot heden, niet op 100% was beoordeeld, en dat de geleden verhezen der maatschappij, gedeeltelijk op de te geringe prestaties onzerzijds werden geschoven).
Na eenige oogenbhkken te hebben gezwegen, waarschijnlijk om het laatste gezegde goed te laten dóórdringen, verhief de directeur zich een weinig uit z’n gebogen houding en vervolgde: Het is mij echter een groot voorrecht en genoegen U allen, namens den raad van beheer, te kunnen mededeelen, dat na rijp en langdurig overleg, is besloten een pensioenfonds te stichten.
Hier werd de rede van den heer Erixhoven onderbroken door een donderend gejuich. Iedereen verhief zich van z’n stoel. De wanden der club weerkaatsten de spontane hoera’s.
Dankend boog hij naar links en rechts en trachtte door het opsteken van zijn hand den storm te doen bedaren.
Eindelijk kon hij verder gaan.
Door ons behoefde geen premie te worden gestort. Geen inhoudingen van salaris of tantièmes. Na twintig dienstjaren werd het volle pensioen uitgekeerd.
De kas van het pensioenfonds zal zich kunnen vergrooten naar gelang de oogsten beter uitvallen. Veel hebt ge zelf in de hand, om door de jaren het voorloopig vastgestelde bedrag te vergrooten. Laat het voor U allen een aansporing te meer zijn om alles te geven wat in U is. Uw streven is ook ons streven en U

kunt er van overtuigd zijn dat de directie zich ten doel stelt, U allen een behoorlijke toekomst te garandeeren.
Opnieuw barstten de toejuichingen los en stralend van genoegen nam de directeur deze ovatie in ontvangst. Het applaus groeide aan tot een orkaan.
Geen wonder ook. Welk een prettig vooruitzicht werd hier voor ons geopend. We hadden een directie die borg stond voor den onbezorgden ouden dag.
Zelfs de grootste pessimisten en kankeraars der maatschappij moesten nu wel erkennen dat zij de welwillendheid van onze werkgeefster hadden onderschat.
Een ieder nam zich op dit moment voor om van heden af nog intensiever z’n werk te verrichten en zijn geheele energie en werkkracht te concentreeren op het belang der maatschappij, dat nu nog meer ons belang was geworden.
Na tafel werd de gezelligheid voortgezet, er was bij allen een ongekend tevredenheidsgevoel.
Voor den aanvang van het diner was er weinig gelegenheid geweest om vrienden en bekenden te begroeten.
Met Huug wandelde ik de zaal door en maakte hier en daar kennis met een collega van een ver afgelegen onderneming. Met het administratief personeel medegerekend, telde onze maatschappij 64 employés. Hieronder waren er enkelen die ik nog niet ontmoet had.
Ah, daar heb je Morain. Wat zit jij hier op je eentje? Wat zeg je wel van het nieuws, boffen wij even?
Och ja, ’t is niet onaardig, ’k Had anders liever gewild dat we dit jaar een beetje tantièmes hadden gekregen. Wat maal ik om hetgeen ik misschien na twintig jaar krijg, ’k Heb liever iets in m’n handen dan een belofte. Beloften kunnen worden nagekomen., of niet.
Verhip nou effe. Vind jij het dan geen safe idee dat je straks tenminste niet aan de liefdadigheid wordt overgelaten? Je weet nu dat je op een pensioen kunt rekenen.
’k Help ‘t je wenschen!
Wat bedoel je? Dacht je dat ze de zaak zouden bedonderen?

Wees toch wijzer man. Ja’ t is me daar een stelletje kwajongens. ’t Komt toch verder alles op contract te staan.
Heb je wat aan. Contracten lap ik aan m’n laars… net als de directie.
Kom Reeder, laten we dien godvergeten kankerpit maar aan z’n lot overlaten. Heb je nou ooit zoo’n vent meegemaakt? Daar zitten de andere lui van Goenoeng-Ampat, laten we daar maar aanschikken.
Het gesprek kwam onmiddellijk weer op de nieuw geopende vooruitzichten. De laatste jaren hadden we niets anders dan teleurstelling, zei Koos en ’t is juist daarom dat zoo’n mededeeling je dubbel goed doet.
De heer Erixhoven naderde ons tafeltje. Rensema bood hem een stoel aan.
Nee nee, dank U, ’k blijf liever even staan. Zoo, dus allen tevreden? Dat vind ik prettig, ’t Is jammer dat de tantièmes weer zijn tegengevallen, maar het doet me genoegen dat de stemming er niet onder heeft geleden.
’t Pensioenfonds heeft weer veel goed gemaakt, mijnheer Erixhoven!
De heer Seggeli trad met glunderen lach naderbij. Wordt er op Goenoeng-Ampat tegenwoordig niet meer gekegeld, heeren? Huug begreep dat deze vraag met opzet werd gedaan en dat hij de mooie gelegenheid met beide handen moest aangrijpen.
Och nee, het dak lekt als een zeef en de baan is verzakt, ’t is wel jammer.
Misschien mag dat nog wel op de begrooting worden gezet, wat dunkt U mijnheer Erixhoven? De menschen op zoo’n ver afgelegen onderneming hebben wel een verzetje noodig.
Maar natuurlijk, mijnheer Seggeli, zegt U het maar aan den administrateur van Goenoeng-Ampat. Dat is dus in orde! Hebben de heeren misschien nog iets?
Neen, dank U mijnheer Erixhoven, een ondememingsclub is al wat we wenschen.
De beide hoogsten gingen naar een ander tafeltje om ook daar een praatje te maken.

Met de handen in de zakken kwam Morain aanslenteren. Moet je die raar uit z’n oogen zien kijken, hij heeft geloof ik te veel van het goede genoten.
Wat hadden jullie met den directeur te smoesen?
O, antwoordde Rensema, we vertelden hem dat jij zoo’n fideele orang bent.
Stik! ZegVan Dalen, ik rij straks met jou mee naar huis, anders moet ik weer een auto huren.
‘t Spijt me, maar we zijn al met z’n vijven. Rensema, Reeder, Hartman en ik en Van Geldorpe heeft juist ook al gevraagd om mee te rijden.
Dan niet. ’k Had het anders vooruit al gedacht.
Stom van je om het dan nog te vragen.
Kom, zei Koos, laten we vanavond niet kiften. Laten we liever nog een fijne flesch openmaken.
Hier en daar maakten er reeds eenigen aanstalten om te vertrekken. De meesten moesten nog 90 km en meer rijden en ’t was reeds één uur geworden.
Huug had z’n wagen voorgereden. De directeur wees onzen dank lachend af. Rijdt maar kalm aan heeren, morgen is ’t een vrije dag en kunt U uitslapen.
Van Dalen zette er een stevig vaartje in en na een kwartier bewees de rustige ademhaling der achterinzittenden dat de slaap allen had overmand.
Ongeveer twee maanden na het diner kwam op een avond Hartman plotseling bij mij binnenvallen.
‘k Heb nieuws jö, ga eens rustig zitten. Praat er echter voorloopig niet over totdat het je officieel wordt meegedeeld.
Vertel op, je maakt me nieuwsgierig met je geheimzinnige inleiding.
In de eerste plaats ga jijjover een paar dagen de ontginning uit. Waarom is dat?
Jij krijgt de tapafdeeling van Morain. Hij heeft geweldige herrie met den baas gehad en jij moet zoo onderhand eens tappen leeren.

Waar gaat Morain heen?
Die krijgt jouw ontginning weer over.
Dat is geen slecht bericht, ik wil graag tappen leeren. Wat denk je, zou ik de fabriek nu ook krijgen?
Natuurlijk, dat spreekt vanzelf.
Wat heb je nog meer, je zei zooeven, „in de eerste plaats”.
Ja, er is nog wat, de klap op den vuurpijl. De baas gaat over twee maanden weg!
As je me nou!
Ja, hij wordt inspecteur bij de rubber cultuur maatschappij „Ara”, ’t Is hem aangeboden en hij heeft het natuurlijk met twee handen aangenomen. Z’n ontslag heeft-ie hier al ingediend.
Daar sta ik van te kijken zeg. Voor den baas vind ik het prettig. maar ik voor mij had ‘m liever hier gehouden, en jij ? Allicht, we mogen De Korte allemaal graag, ’t Is een prachtvent, door en door eerlijk.
Krijgt Huug nu een kans?
Meer dan een kans zelfs, hij is al op het hoofdkantoor geweest. Hij moet de administratie van De Korte ovememen. Meer is hem nog niet gezegd, maar dat hoeft ook niet zou ik denken, ’t is duidelijk genoeg.
Dat is fijn Hartman, ’k Ben verdomd blij voor ’m.
Dat zijn we allemaal. Maar doe me een genoegen en laat niet merken dat je het weet. Als er over gepraat wordt voordat de officieele benoeming is afgekomen, zouden we den Wfrn boel misschien voor Huug verprutsen.
Wees maar niet bang, ’k zal m’n mond houden.
Je gaat toch mee naar de dub? ’t Is vanavond weer voor het eerst kegelen.
Zou ik dat wel doen? ’k Heb nog zooveel aan m’n boeken te werken. M n kaart moet ook nog klaar voor den eersten.
Ben je gek, dat komt immers wel in orde. Morgenavond kom ik je wel even helpen. Vooruit, kleed je maar vlug aan.
Hartman had de teugels stevig in handen en vliegensvlug reden we den smallen boschweg af.

Weet je ook van wien ik de tap zal leeren? Van Morain misschien?
Dat zal wel niet. Dat hooren we a.s. hari-gadji wel op het kantoor.
Wat heeft Morain feitelijk voor herrie gehad?
Over knoeien op z’n latexlijsten, ze waren allemaal een beetje bezijden de waarheid. De Korte had al lang iets gemerkt maar nou heeft-ie ’m te pakken. Bemoei je d’r echter maar niet mee, laat Morain z’n eigen peultjes maar doppen. Hij loopt ’r nog eens vies tegen aan.
Het gerestaureerde clublocaal stond op het emplacement. Op grooten afstand hoorden we al het gerol der zware ballen.
Er was vanavond blijkbaar veel animo. Luid gelach klonk ons tegemoet.
Ho, blang, ho beesie, ho ,ho, ho. Stap gauw af.
Ha, daar heb je ze eindelijk, ’k Dacht dat jullie nooit kwamen. Hallo Huug, Rens, bonjour Arie, dag Sjoerd, hoe gaat het? Fijn, fijn, met jou?
Hé, zie je de kleine menschen weer over het hoofd, riep Van Geldorpe.
’k Zou er geen kans toe zien om jou over het hoofd te kijken, alles goed Koos? Hoe staan de zaken?
Als je de kegelzaken bedoelt, allerberoerdst. Sjoerd wint natuurlijk weer.
Een groote lamp verlichtte het ruime rondgebouwde vertrek. Op gelijke afstanden hingen verder eenige kleinere lampen boven de baan.
De wandversiering bestond uit enkele reclameplaten voor bier en een paar geklemde afbeeldingen van Japansche dames, die zooals het onderschrift in twee talen luidde, de voorkeur gaven aan een of andere poudre de riz van een groote toko in Medan. Even later kwam de heer De Korte ook nog binnenstappen. Leuk van ’m en heel verstandig. Na diensttijd ging hij als vriend met z’n ondergeschikten om, zonder dat ooit iemand vergat dat hij de administrateur was.
Zeg, kegelen we nog of hoe zit het ? Als jullie wilt praten doe ik

de lampen op de baan uit, riep Arie de Graaf.
Dat is verstandig gezegd door ’t hijgend hert, een goede penningmeester mag geen petroleum verspillen.
Wat spelen jullie, vroeg meneer De Korte.
Huisnummertje. Doet U mee?
Natuurlijk.
De jassen waren uitgetrokken en in singlet, met bloote armen, werd getracht om Sjoerd er af te gooien. Geen kans, hij handhaafde zijn hoogste aanteekening.
Rang, alles om! Negen voor Huug. Pas op Sjoerd, je gaat er aan jong!
Jouw beurt Rens, schiet op.
Hou je gemak, eerst even m’n biertje opdrinken. Nou, daar gaat-ie dan. Een rondje als het geen negen is.
Prachtig Rensema, mooi zoo, alles om. Geef je nou toch een rondje?
Welja. Boy, kassi bier!
Zeg menschen, krijgen we vanavond nog wat te eten?
Daar heb ik al voor gezorgd, antwoordde meneer De Korte. Mijn jongen zal straks wel komen.
Heb jij al eens gekegeld Reeder?
Nee, nog nooit.
Hindert niet, zei Huug. Kom hier, ik zal ’t je leeren. Pak aan dien bal. Kijk, eerst even richten en dan flink afzetten, zoo laag mogelijk en dan het midden zien te houden, zóó!!
Nou jij.
Nee, verkeerd! Geef hier, ‘k zal ’t je nog eens voordoen.
Hé, kijk eens, wat krijgen we nou ? Daar heb je waarachtig den rooie.
In de deuropening was plotseling de dikke planter verschenen, dien ik in Medan had ontmoet. De man die zoo aandoénlijk van een haring in de maneschijn had gezongen.
Ik groet U allen zeer!
Wat kom jij hier doen rooie? Waar kom jij zoo opeens vandaan Niet schelden lafaards, hou je netjes. Ik ben als de pimpernel, zoo zie je me en zoo zie je me niet.

Klets nou niet, vertel liever waarom je den boel hier onveilig komt maken.
Laat me eerst eens op m’n gemak het biertje opdrinken dat jullie me allemaal tegelijk wilt aanbieden, ’k Kom zoo van Medan gereden en ik heb een dorst als een kameel.
Zoo, nu kunnen we praten. Kan ik bij jou logeeren Koos? Natuurlijk. Zoolang als je wilt. Ben je ontslagen ?
Ja, ’k lig er uit. Gisteren m’n ontslag gekregen.
Zeker weer te bont gemaakt.
Niks te bont gemaakt.
Nou vertel dan eens op, schavotdanser, ze gooien je d’r toch zeker niet pertjoema uit. Doe niet zoo geheimzinnig.
Och, de kwestie is de peine niet waard, ’k Was aan het rintissen en toen kwam de hoofdbaas ineens op inspectie. M’n baas was al een keer of vier geweest en die had alles perfect in orde bevonden. ’t Was ook goed. Maar de H.A. vond toch alles krom en scheef en ik zag geen kans om het recht te praten, ’k Heb hem met het kompas aangetoond dat-ie zich vergiste, maar ‘t was paarlen voor de zwijnen. Hij vond den boel krom en daar bleef het bij.
Maar daar word je toch maar zoo niet voor ontslagen?
Nee, niet direct, maar er kwam meer bij. Hij zei, ik geef U drie dagen om de zaak in orde te brengen…
En wat zei jij hierop?
Dat ik hém drie dagen gaf om een ander voor mij te zoeken. Ha, ha, ha, wat een wonder dat je d’r uitlag. Vrijwel je eigen stomme schuld. Je moet ook niet zoo dadelijk een grooten smoel opzetten, rooie.
Je zult wel gelijk hebben. Dus ik kan bij jou noempangen Koos ? Dat heb ik je al gezegd. Zoolang je maar wilt.
Bij de Para maatschappij wordt een oud assistent gevraagd, dat is wat voor mij. ’k Zal morgen onmiddellijk solliciteeren.
Jij moet gooien Arie. Wie schrijft op?
Ah, nou zie ik het. Jij bent toch dat singkeh dat met een tuingieter door Medan liep te sjouwen? Hoe heet je ook weer? Reeder.

O, ja, dat is waar ook. Hoe bevalt het hier ? Al ’n beet je op dreef ? Uitstekend, ’t is hier niet kwaad.
Waarachtig niet., ’t Is een mooi land, reusachtig gewoon, maar je moest meer hari’s-besar in een maand hebben en dan moesten alle ondernemingen zoo’n beetje om Medan liggen. Zit je weer op te scheppen, rooie ? Let maar niet op hem Reeder, hij ’s nog een beetje in de war moet je maar rekenen.
Jij moet gooien Sjoerd.
Willen we liever ophouwen en een beetje kletsen?
Nee, eerst dit spelletje uit. Nog één gooi.
Alweer een negen. Heerema heeft gewonnen. Straks rekenen we wel af.
Zeg Giesen, hoe ben je feitelijk aan dien mooien rooien haardos gekomen?
Weet ik niet. Ik denk dat m’n moeder me een nacht buiten aan de lijn heeft laten hangen.
Boy! Haal de glazen weg en breng de pahit.
Je hebt toch vroeger in Utrecht gestudeerd Giesen?
Jawel, wat wou je daarmee ?
Heb je daar Otto van Lexmond nog gekend, hij was juridisch candidaat.
Was ’t een nette vent?
Jazeker.
Nee, dan ken ik hem niet. Maar nou je het toch over Utrecht hebt, wil ik je wel eens vertellen hoe ik van m’n ongeloof in de reïncarnatie genezen ben.
Geloof jij daar dan aan?
Absoluut. Laat die jongen nog maar eens een pahitje inschenken, hij staat toch maar te geeuwen, dan zal ik ’t jullie vertellen. Waar gebeurd!
Je weet dat in de theosofie de voortdurende vervolmaking der schepselen wordt aangenomen, nietwaar?
Zooiets ja.
Deze strekking berust op bewijzen, die ik zelf heb ondervonden. Een overleden studiegenoot ontmoette ik weer vijf jaar na z’n begrafenis.

Ha, ha, ha,!
Als jullie me niet gelooven, kan ik maar beter m’n mond houwen, waar of niet ?
Nee, we gelooven je, vertel maar op.
In m’n eerste jaar hadden we op ’t college een hals van een jog. Guts Wuppe heette-ie. Een moederskindje, dat nergens aan meedeed. Sport ? Hield-ie niet van. Op ’t water durfde-ie niet of mocht-ie niet van thuis. Op de soos kwam Wuppe ook al niet, ofschoon z’n papa er goed bij zat. Aan duiten mankeerde ’t niet, maar hij moest nu eenmaal niets van onze donderavonden hebben.
Onze bacchanalen op de ploerterij waren in zijn oogen heidensch. Kortom, ’t was een suffer in optima forma.
Je kon ’m alleen aan de praat krijgen als je over theosofie begon. Dan kreeg je in het eerste uur geen kans meer om ook eens wat te zeggen. Hij was er van overtuigd dat-ie later weer als een veldbloem op aarde zou verschijnen.
Als een veldbloem ?
Ja, als een veldbloem, weet je niet wat een veldbloem is? We hebben ’m er genoeg mee bedonderd en ’t was zijn eigen schuld dat-ie „de klaproos” genoemd werd.
Lang heeft de stakker echter niet naar dien naam hoeven luisteren. In het begin van het tweede jaar overleed hij aan een longaandoening. Z’n begrafenis had in Utrecht plaats, waarbij de prof. een gevoelvolle rede hield. Die prof. mocht hem wel, omdat de klaproos eerlijk gezegd de ijverigste student van het college was.
In het begin werd er nog wel eens over Wuppe gepraat, maar och je weet hoe het gaat, na een jaar waren we hem vergeten. Nu moet je hooren. Na een jaar of vier, vijf, ’k was in dien tijd al tweemaal gestraald, liep ik me op zoo’n landelijken weg om Utrecht een beetje te ontkateren. We hadden een vroolijken nacht gehad, ’t Was nog vroeg in den morgen en ik had nog geen bed gezien.
’t Was er mooi en de zon, die ik tusschen twee haakjes, voor het eerst van mijn leven zag opkomen, deed me waarachtig in

een verheven stemming geraken.
Links en rechts strekten zich onafzienbare weilanden uit, waarop talrijke koeien graasden.
Zoo in gedachten verdiept, hoorde ik plotseling een zachte stem achter mij. „Giesen, Giesen”!
Ik keek natuurlijk direct om, maar ik zag niets anders dan den stoffigen landweg.
Zeker vergist, dacht ik. Hallucinaties misschien.
Juist wou ik doorloopen, toen ik opnieuw mijn naam hoorde roepen.
Verrek, ’k had het nu toch duidelijk gehoord. „Giesen, Giesen” Tot driemaal toe herhaalde zich die roep. Een akelig piepstemmetje. En waarachtig, nu kreeg ik in de gaten dat dat geluid van een flinke hoop kwam, die daar pas door een der grazende koeien was gedeponeerd.
Herken je me niet Giesen? Ik ben Guts Wuppe. Gisteren was ik nog een veldbloem, maar een koe heeft me opgevreten.
Ja, nu herken ik je, zei ik, je bent niet veel veranderd, alleen heb je wat gezonder kleur gekregen.
Een daverend lachen beloonde Giesen voor z’n verhaal. Ha, ha, ha, zeker waar gebeurd, hè rooie?
Waarachtig lui, zoowaar ik hier zit. ’k Zal er toch zeker niet om liegen?
Natuurlijk niet. Weet je nog meer van die ware geschiedenissen? Jullie schijnt me toch niet te gelooven, wat zal ik me dan nog verder druk maken!
Wie gaat er mee naar huis. ’t Is tijd.
Het wagentje van Hartman stond voor. De seice overhandigde mij de teugels en sprong op het achterbankje, waar hij mij hielp uitkijken.
Pas op mijnheer, we zijn vlak bij de brug.
Blang trok zich van mijn rukken en trekken niets aan en rende als een bezetene de duisternis tegemoet.
Kletterend sloegen de hoeven op het brugdek en Blang gaf wel blijk dat hij meer op zijn eigen oogen, dan op de mijne vertrouwde.

Dat was maar goed ook, ik had geen brug gezien, ‘t Was te donker.
Tusschen de dichte bosschen door was het nu niet bepaald een pleizierritje te noemen. Vooral bij de afgravingen en langs de ravijnen hield ik mijn hart vast en kon mij niet anders dan op het rennende paard verlaten.
’k Was blij het kleine petroleumlampje op de voortrap te ontwaren. Goddank, dat was zonder ongelukken afgeloopen. Zoo’n clubavond is wel een aardige onderbreking van de dagelijksche sleur, maar je moest er wat voor over hebben om er te komen en weer terug te keeren.

HOOFDSTUK XII
Mijnheer Van Berghe, twaalf honderd gulden en veertig centen.
Rensema en Hartman moeten nog even voor ontvangst teekenen. En U, meneer Reeder, hoeveel heeft U voor de uitbetaling noodig? Is Uw afrekening al op ’t kantoor?
Jawel, mijnheer De Korte, alstublieft. Achttien honderd gulden en veertien centen.
Ziezoo. Gaat U nu eens even op Uw gemak zitten, ’k heb U iets mede te deelen.
Hartman keek mij vluchtig aan en hem begrijpend knipoogde ik even terug.
Ik zal maar met de deur in huis vallen en de heeren kennis geven van mijn ontslag dat ik met ingang van i Augustus heb ingediend.
Rensema, die werkelijk onkundig was van deze gebeurtenis, keek verwonderd op en gelijktijdig met Karei riep hij uit: ontslag ingediend? Gaat U dan naar Holland terug?
Nee, daar heb ik geen duiten genoeg voor, dat zal nog wel een paar jaartjes duren. De kwestie is dat mij een inspecteursbaan bij de rubbercultuur maatschappij „Ara” is aangeboden en die heb ik natuurlijk aangenomen.
We stonden op en feliciteerden hem met deze promotie. Daar sta ik paf van, zei Geldorpe, dat is als de spreekwoordelijke donderslag bij helderen hemel!
‘t Doet ons in ieder geval genoegen voor U.
Weet U al wie U hier zal opvolgen ?
Dat zal Van Dalen wel zijn, die moet tenminste de administratie ovememen. ’t Is hem echter nog niet definitief toegezegd, je weet dat ze daar altijd tot het laatste oogenblik mee wachten. En dan is er nog wat. Mijnheer Reeder gaat overmorgen de tap in en geeft de ontginning aan Morain over. U behoeft daar geen verontrustende reden achter te zoeken, het wordt alleen tijd
11 Deli planter

dat U het tapwerk en de fabriek leert. Morgen kunt U naar het emplacement verhuizen. Verder had ik graag dat mijnheer Hartman U den eersten tijd wat op de hoogte brengt. U stelt zich dus geheel onder zijn leiding. Bij eventueele bijzonderheden kunt U zich natuurlijk tot mij wenden.
Buiten gekomen, zei Hartman, nou, wat heb ik je gezegd? Wist jij het dan al, vroeg Rensema?
Ja, ik heb het van m’n neef gehoord, je weet wel, Meerhuis, die is immers administrateur bij de „Ara”. Hij is daar al een jaar of acht baas en ze hebben niet zuinig de pé in, dat een outsider inspecteur bij hen wordt.
Ze treffen anders geen kwaje aan ‘m. De Korte zal zich heusch niet gehaat maken.
Nee, dat niet, maar het neemt niet weg, dat ’t voor de administrateurs daar een leelijke tegenvaller is.
Nou enfin, De Korte boft er mee en Huug niet minder. Zullen we na de uitbetaling naar ’m toegaan ?
Goed. Denk er om Reeder dat je aan Oedin zegt om morgen je barang naar het emplacement over te brengen.
De mandoers hadden het volk reeds laten aantreden, dus kon ik meteen beginnen.
Ploeg na ploeg werd uitbetaald. ’t Ging vlug dezen keer. Nu nog even de vrouwen.
Ajoh Koemi, laat je koelies hier voor de tafel komen.
Wat? Voorschot? Hoe kom je erbij mandoer. Je hebt nog negen gulden schuld, die moet je eerst afbetalen.
Ik wou een kandoeri voor m’n overleden grootmoeder houden. Je geeft maar een kandoeri hoor, maar op eigen kosten. Toemina! Zijn je vrouwen d’r allemaal? Jawel mijnheer, op Kassi, Sarmi en Toemidja na, die zijn gaan baden.
Dan zijn ze d’r dus niet allemaal, kletsmajoor.
Als…
Soeda! Je zorgt dat ze voortaan allemaal present zijn. Begrepen?
Tasroena!
Saja toewan.

Vier gulden en dertig centen. Pak weg.
Kartodinomo!
Ada toewan.
Drie gulden en twee en negentig centen.
Sonowidjojo!
Twee gulden en acht centen. Pak weg.
Waarom zoo weinig mijnheer?
Heb je niet gemankeerd?
Jawel, maar.,.
Och schiet op. Als je denkt dat het niet in orde is, ga je maar naar het kantoor.
Iedere koelie die eenige dagen op het werk gemankeerd had en derhalve minder in handen kreeg dan een ander die geregeld haar werk had verricht, vond zich tekort gedaan.
Zoo. Dat was klaar. Wat wou jij nog Kanna?
Graag tien gulden voorschot.
Even zien. Neen, je hebt nog acht gulden schuld. Eerst afbetalen.
Als mijnheer me tien gulden geeft zal ik meteen die acht gulden terugbetalen.
Niks. Donder op.
Mioen! Leg m’n schoone pakean klaar. Hier, vul meteen m’n sigarettenkoker.
Hartman zou mijn leermeester dus worden. Dat was wel in orde. Beter dan dat ik van Morain taponderricht moest krijgen, ’t Zou een groote verandering voor me zijn. Het werk in de ontginning was ontzettend zwaar. Heuvelterrein en dan den geheelen dag in de gloeiende zon. In de tap was het altijd schaduw en de afdeeling welke ik zou krijgen was mooi vlak. t Was echter geheel ander werk. In de ontginning was je pas goed als je in den kortst mogelijken tijd het grootste aantal boomen vermelde, in de tap kon het je betrekking kosten als je teveel boomen beschadigde.
Hartman kwam me afhalen en samen begaven we ons naar het huis van Van Dalen.
Rensema en Morain zaten er reeds.

Wij hebben hem al gefeliciteerd, zei Rensema, hij hield zich of hij van niets wist. Wat een huichelaar, hè?
Och, ’k Wist het natuurlijk wel, maar ‘k mocht er niet over spreken.
Je geeft toch een fijne flesch Huug? Als je d’r geen in huis hebt laat je ze maar bij mij halen. D’r moet op gedronken worden, ’k ben razend in m’n sas voor je.
Zoo zie je dat je toch nooit vooruit kunt praten. Een tijdje geleden had je ‘t nog over de weinige promotiekansen en kampoengvooruitzichten.
’k Keek er ook wel vreemd van op. Wie had nu kunnen denken dat De Korte zoo opeens zou inpakken?
Is het nu definitief dat je baas op Goenoeng-Ampat wordt, vroeg Morain.
Natuurlijk, antwoordde Hartman voor Huug, wie zouden ze anders moeten nemen? Je had toch niet gedacht dat jij baas zou worden?
Ik? Nee, daar ben ik te bruin voor. Ik maak nooit kans.
O, daar heb je hem weer hoor. Wat heeft nou je kleur in godsnaam met het administrateurschap te maken? Zoo goed als ze je als assistent bij de maatschappij hebben aangenomen, zullen ze je ook wel baas maken als ’t je tijd is… en als je d’r geschikt voor bent.
Prosit Huug, op je promotie hoor en ik kan je namens allen wel verzekeren dat we van harte zijn ingenomen met dezen verstandigen zet van den hoofdbaas. Daar ga je kerell Dank je wel lui, dank je wel en ik hoop dat we het straks even goed met elkaar zullen vinden als we het tot nu toe deden. Op onze medewerking kun je rekenen, shake hands!
Daar heb je Van Geldorpe en Karei ook.
Hebben jullie den rooien Giesen niet meegebracht?
Nee, die is vandaag naar Medan. Hij krijgt misschien een baan. Laten we je nu eerst eens geluk wenschen met je a.s. promotie, Huug. Jonge jonge, wat een nieuws, ’t Is fijn voor je.
Dank je. Een glaasje champie?
Nou, wat dacht je. We zullen d’r op fuiven hoor.

„En d r is nog nooit een Deliaan gestorven van verdriet of brandewijn”, klonk het opeens van buiten. Zingend kwamen Ane de Graaf en Sjoerd Heerema de trap op.
Goddome Huug, pardon, mijnheer Huug bedoel ik, gefeliciteerd jong, van harte gefeliciteerd, ’k Begin respect voor de wijze besluiten der maatschappij te krijgen.
Hoe weten jullie het zoo opeens allemaal? ’t Moest n.b. geheim blijven.
Van De Korte. Wat heeft die lak aan wat al of niet mag verteld worden. Je zult wel meubilair bij moeten koopen. ’t Administrateurshuis is zeker drie maal zoo groot als dit.
Ik heb al met mijnheer De Korte afgemaakt dat ik een hoop van hem zal ovememen. Je begrijpt dat hij zich als inspecteur wat beter moet gaan inrichten.
Heb je het al naar huis geschreven Huug? Je ouders zullen wel in hun schik zijn.
Ja, die weten het al gauw, direct toen ik van ’t hoofdkantoor kwam heb ik een brief gezonden.
En Reeder, ik hoor dat jij de tap ingaat ?
Ja, overmorgen al. Hartman zal me inwerken.
Doe je best maar jo, de ontginning heb je d’r goed afgebracht.
Hoe weet jij dat ?
Dat doet er niet toe; neem maar van mij aan dat je daar geen slecht nummer hebt gemaakt.
Jij gaat weer boschkappen Morain? Dat is ook geen promotie voor je.
Mij een zorg, k ben blij dat ik die verrekte tap uit ben.
Kijk eens aan, dan zijn alle partijen tevreden.
Toeki-san! Nog twee flesschen!
Drink uit mannen. D’r is nog.
En d’r is nog nooit een…
Hou je gemak Sjoerd, je zingt zoo valsch als een kraai.
Wat duvelt dat nou, ik heb schik vandaag.
Zing dan wat in ’t Friesch. Ken je dat?
Natuurlijk.

Frysk bloed tsjuch op!
Wol nou ’ris briize en siede.
En bounzje troch üs ieren om.
Flean op. Wij sjonge it béste lên fen e ierde.
It fryske lên fol eare en rom.
Hou op, hou op, wat een stem en wat een taal, bnr, menschenkind, schei uit alsjebheft. Jammer dat de rooie d’r niet is, die kent ook van die mooie liedjes, om bij te huilen.
Dat wordt toch ook niks met die Giesen. Ieder oogenblik ligt-ie ’r weer uit.
Zonde van dien kerel, ’t Is een geschikte vent maar hij kan z’n mond niet houden. Als ’m iets niet bevalt flapt-ie ’t er maar meteen uit en dat gaat nu eenmaal niet.
Nee, je moet je tandjes op elkaar weten te houden en dat is niets voor den rooie.
Weet je dat-ie vorige maand in Medan door de politie is opgebracht?
Ga weg. Waarom? Was-ie tipsy?
Welnee.
Vertel eens op Rens, wat had-ie dan uitgevoerd?
Op een avond zat-ie in ’t hotel de Boer met dien mallen Van Delden uit Bila. Ze hadden een flinken borrel op toen opeens de kapelmeester van het Kota-Radja bataljon binnenkwam. Je weet dat een paar compagnieën uit Atjeh, in de buurt van Medan een oefeningstocht of zooiets hebben gemaakt.
Giesen begon direct dien kapelmeester te tracteeren en goed ook.
Den volgenden morgen zou het bataljon met muziek uitrukken en daar had de rooie het op gemunt.
Op een vendutie had-ie pas een klarinet gekocht en zoo onmuzikaal als-ie is, had-ie toch kans gezien om de eerste maten van het „Salut au drapeau” er op te leeren blazen.
Met een kruik Bols onder den arm ging de kapelmeester ’s nachts naar huis, maar niet voordat hij aan Giesen had beloofd, om straks uit te rukken met dien marsch als beginnummer. Om negen uur naderde het bataljon het „Hotel de Boer” en

juist toen de kapelmeester het teeken gaf om het „Salut au drapeau” in te zetten, kwam Giesen naar buiten met z’n klarinet onder den arm en Van Delden met een grammofoon om z’n hals gebonden.
Daar gingen ze. Voorop natuurlijk. Nee, man, als je dèt had gehoord, om te gillen!
De klarinet snerpte hoog en valsch boven de stafmuziek uit en de grammofoon jankte d’r nota bene een andere mop doorheen. Een hoop Europeanen en inlanders dromden om den marcheerenden troep, ’t was een bende van je welste. Geen soldaat liep meer op z’n plaats, iedereen wilde die dolle planters zien.
Een kapitein rende naar voren en gelastte een politie-opziener om die twee in te rekenen.
In optocht ging het nu naar de politiepost, steeds spelende. Hoe is dat afgeloopen? Hebben ze d’r nog last mee gekregen? Nee. Ze moesten hun instrumenten afgeven, die waren ze kwijt. Verder een flinke schrobbeering van den Commissaris.
Om te brullen zeg. Wat een stel idioten.
’k Hoop maar dat-ie dat baantje krijgt. Is het in de rubber? Ja, op Seriboe-Batang wordt iemand gevraagd. Hij heeft wel kans.
De champie is op, vertelt Toeki-san. Willen j ullie nog een split je ? Nee, we lusten vandaag niets anders dan champagne, als die op is gaan we maar naar huis.
Hoeveel boomen tapt iedere koelie nu per dag?
Driehonderd en vijftig. Op de hellingen iets minder. Als ze hier om half zes beginnen, kunnen ze zoowat om half tien met den laatsten boom klaar zijn. Dan geef je het sein voor ophalen. De boomen die het eerst getapt werden zijn dan uitgeloopen en de koelies kunnen de cups verzamelen. Let er wel op, dat ze niet eerder gaan ophalen, anders lekken je boomen na en valt de latex op den grond.
Latex is dat melksap nietwaar?
Ja, de rubber in vloeibaren toestand. Vanmiddag zal ik je in de fabriek laten zien hoe we die latex in vasten vorm krijgen.

Is dat tappen moeilijk?
Probeer het maar eens, hier heb je een mes. Het is de bedoeling om de bast van den boom in te snijden, zonder het cambium te raken.
Je weet dat als je een stok afpelt, dan blijft er een vliesje om het hout zitten. Dat is het cambium.
Wanneer nu een slecht tapper z’n mes te diep in den bast zet, beschadigt-ie het vliesje en dat geeft wonden. Die wonden vormen later houtwoekeringen en als dat te erg wordt, kun je zoo’n boom d’r wel uitgooien.
Hoeveel tappers heb ik nu in deze afdeeüng.
Vier mandoers, ieder met 30 man;
Wat doen de koelies met de latex als ze met het ophalen klaar zijn?
Dan is het zoowat elf uur. Je ontvangt iederen koelie apart om hun emmers stuk voor stuk te wegen. De lui die je genoteerd hebt gieten de latex in den tankwagen, die ze verder naar de fabriek transporteert. De lijsten stuur je ’s middags naar het kantoor, waar de baas ze nakijkt en wee je gebeente als je productie is gezakt.
Kan ik er dan iets aan doen als de koelies te weinig binnenbrengen?
Natuurlijk. Je hebt maar te zorgen dat ze diep genoeg snijden. Hoe dieper hoe meer latex, de steencellen liggen vlak tegen het cambium.
De kwestie is dus als ik het goed heb begrepen, dat als ze een tiende millimeter te diep snijden, hebben we houtwonden. Dat mag niet.
Als ze niet diep genoeg tappen zakt de productie en dat mag ook niet.
Zóó is het. Je zult nog wel tot de ontdekking komen dat het niet meevalt om den gulden middenweg te houden. De koelies zijn steeds geneigd om van het eene uiterste in het andere te vallen. Maak je aanmerking op houtwonden, kun je er verzekerd van zijn, dat morgen de productie is gedaald. En dan incasseer jij de standjes van den baas.

Heb je op een gegeven oogenblik een prachtproductie, reken er dan maar op dat je afdeeling vol houtwonden zit. Ja, zucht maar eens. Je zult nog wel eens aan je ontginning terugdenken. Wat doen we ’s middags?
In de eerste plaats wieden. De afdeeling moet er schoon en netjes uitzien. Verder zorgdragen dat de grond om de boomen niet wegspoelt, anders komen de wortels bloot te liggen. En dan de ziektebestrijding, dat is een heel voornaam ding. Ik zal je een boek geven, dat moet je maar eens flink bestudeeren. Morgen zullen we de verschillende ziekteverschijnselen eens onder de loupe nemen en dan vertel ik je meteen de geneeswijze. Voorloopig moet je maar onthouden dat je de ziekten in de Hevea-Brasiliensis in drie groepen kunt verdeden. Djamoer-oepas, een schimmel op de takken.
Bruine binnenbast en mouldy-rot, vind je in den bast van den stam.
Fomus, dat is een wortelschimmel. Er zijn natuurlijk nog veel meer ziekteverschijnselen, maar die leer ik je later Wel. Niet teveel te gelijk, anders kom je in de war.
Hoe laat is het nu, Reeder?
Half tien.
Mandoer! Ophalen.
Ik ga nu naar de fabriek. Blijf jij hier maar toezicht houden en weeg straks de latex in. Het middagwerk heb ik al ingedeeld. Mandoer Soema is de oudste en kent den gang van zaken wd. Als je nu vanmiddag om twee uur in de fabriek komt, zal ik je de bereiding laten zien.
Tot vanmiddag dan.
Bonjour Hartman.
Dat was dus het begin nog maar. Van half zes tot half tien had Hartman mij theoretisch en practisch les gegeven. Het had allemaal zoo eenvoudig geleken. Nou ja, tappen, een snede in den bast en je had de rubber maar voor ’t opvangen. Jawel, zoo leek het. Maar ieder vak vereischt kennis en routine. In de rubbercultuur raakte je nooit uitgestudeerd. Verschillende proefnemingen, in alle mogelijke richtingen, waren noodig om

de productie op te voeren en gelijktijdig de kosten te verminderen. Proefaanplant zus, proefaanplant zoo. Hartman jongleerde met vaktermen die mij al moeite gaven om ze goed uit te spreken.
Maar interessant was het, heel interessant.
Ik nam mij voor om mij zoo spoedig mogelijk in te werken. In de ontginning had ik ook honderd en een dingen moeten leeren. Hoe vlot en makkelijk werkte ik later niet!
Als Huug straks administrateur van Goenoeng-Ampat werd, moest-ie in mij een goede werkkracht vinden en geen leerling. Op onze medewerking kun je rekenen, had Rensema gezegd. Ik wou het mijne er ook toe bijdragen.
Zoo alles bij elkaar genomen was ik er wel op vooruit gegaan. Mijn huis stond op het emplacement. Een mooie woning, heel wat beter dan in die afgelegen ontginning. Zoo’n achteraf-huis krijgt geen kwastje verf of witkalk. Daar komen toch geen menschen langs, dus…
De emplacementswoningen werden voortdurend en met zorg onderhouden. De tuin er voor is een lusthof. Het uitzicht over het prachtige gazon, hetwelk zich tot het administrateürshuis uitstrekt, verschilt wel veel met dat op het donkere bosch en de zwartgebrande vlakte.
Mioen had ik vijf gulden per maand opslag gegeven. Hij verdiende het. Gokken deed-ie gelukkig niet. Zijn salaris werd voor betere doeleinden besteed. Een keurig wit jasje en een mooie hoofddoek gaven hem nu het aanzien van een Europeanenbediende. Dat had in het begin wel iets te wenschen overgelaten.
Z’n kookkunst was er ook op vooruit gegaan. Met ware doodsverachting had ik langen tijd zijn soep en pudding geslikt, totdat ik hem aanried om zijn licht eens op te steken bij de boys der collega’s.
En met succes, ’t Was wel niet altijd even smakeüjk, maar met een beetje goeden wil, was het toch te genieten. Tegenwoordig smaakte de koffie zelfs anders dan de thee.
Voor ik naar de fabriek ging had ik nog een uurtje tijd om m’n

voorgalerij wat gezellig aan te kleeden. ’t Was nog een allegaartje. Die ouwe lap kon wel schuin tegen den muur hangen. Keurig, keurig. Nou dat schilderijtje nog boven die rustbank. Mooi zoo. In dit huis kwam ik meubelen te kort. ’t Was ook zooveel grooter, ’k moest hoognoodig een en ander bijkoopen. Tien minuten voor twee.
Aan den overkant van het emplacement zag ik den heer De Korte loopen. Hij wenkte me. Waar gaat U naar toe? Dit is toch niet de richting naar Uw afdeeling?
’k Was op weg naar de fabriek. Meneer Hartman zal me vanmiddag de bereiding laten zien.
Dat had anders nog wel den tijd, maar enfin, loopt U maar even met me mee naar het kantoor. Uw kaart is me niet erg duidelijk.
Ibrahim, geef me even de kaart van toewan Reeder.
Dit heeft U gearceerd, is dat het gekapte gedeelte?
Ja, tot hier toe, langs de rivier.
En die stippellijn?
Tot daar moet nog gebrand worden.
Nog gebrand? Is dat dan nog niet gebeurd? We hadden toch afgesproken dat dat voor den eersten klaar zou zijn?
Ik dacht…
Ach wat, ik dacht, ik dacht… wat hebben we daaraan? We zitten nu al in den regentijd. Weet U wat dat voor soesah geeft? ’t Kost minstens driemaal zooveel.
Het kan nu-toch aangestoken worden? Ik had mijn volk voor ’t planten noodig.
O, juist, planten in den drogen tijd en branden in den regen. Dat is weer eens wat anders, hè? Ik hoop dat U in de tap meer gezond verstand zult toonen, mijnheer Reeder. Als U daar op die manier werkt… nou enfin, gaat U maar naar de fabriek, ’t Is fraai hoor.
Hartman stond al uit te kijken waar ik bleef.
Wat ben je laat, heb je je verslapen?
Nee, de baas nam me nee naar ’t kantoor, ’k Heb op mijn donder gehad.

Waarover?
Och, over de ontginning. Ik had in den drogen tijd geplant, zei-ie, en wou gaan branden in den regen, ’t Lijkt verdorie wel of ik…
Ha, ha, ha, maak je niet kwaad jó, ken je De Korte nou nog niet? Heusch hij meent ’r geen lor van. Tegen Rensema en mij heeft-ie uitgelaten dat je buitengewoon goed werk hebt geleverd. Hij is bijzonder tevreden over je.
Waarom doet-ie dan zoo raar?
Omdat het nu eenmaal z’n systeem is om te mopperen. Achter je rug spreekt-ie dan sympathiek en waardeerend over je. Er zijn ook bazen die je in je gezicht vleien, maar op het kantoor met het dikste stuk houtskool dat ze maar kunnen vinden, je conduite schilderen. Waar ben je meer mee gebaat, denk je?
O, ja, zoo beschouwd heb je natuurlijk gelijk, maar als je voor jezelf overtuigd bent dat je je uiterste best hebt gedaan, klinkt het zoo beroerd als ze tegen je zeggen dat je in de tap meer gezond verstand moet toonen. ’t Is nog al lollig.
Pieker d’r nou maar niet verder over. Neem maar van mij aan, dat De Korte het goede met je voor heeft. En nou de fabriek.
Kom eens hier staan, hier kun je zoowat den heelen boel overzien. De latex wordt in deze bakken gestort. Als ze tot op deze hoogte staat gaat de waterkraan open. Met dit instrument, de metrolac, meten we nu of we op het goede gehalte zijn. Zoodra de latex voldoende verdund is, gaat deze kraan open en vloeit ze vanzelf naar die aluminium bakken.
Wat doen die koelies daar?
Die mengen de chemicaliën voor de coagulatie. Vijf procents oplossing mierenzuur.
Wat is dit voor goedje?
Natrium bisulfiet voor het opbleeken van de scrap, dat zul je straks zien. Hier heb je den loogbak waar de zuren weer onttrokken worden. Inmiddels zijn die stukken rubber door de toevoeging van het azijnzuur wat opgestijfd en kunnen ze door de walsen. Dit is de grofwals en zoo vervolgens door de nau-

were, totdat de laatste het ruitfiguur en de letters der maatschappij erin drukt.
De blokken rubber zijn nu sheets geworden en moeten naar het drooghuis.
Is ze dan voor de verzending gereed?
Kun je begrijpen. Loop maar even mee, dan zal ik je laten zien wat er verder mee gebeurt.
Kijk, als ze nu winddroog zijn, worden ze in de rookhuizen gehangen, dat voorkomt het schimmelen tijdens de zeereis. We hebben geen tijd om alles nauwkeurig na te gaan. Later, als je de fabriek krijgt, zullen we alles tot in de finesses behandelen. Hier is de kistenmakerij. Daar de sorteer- en pakkamer. Waarvoor dienen die groote walsen?
Voor de Compo-bereiding. De scrap en barkrubber wordt in deze afdeeling verwerkt. Laten we hier maar even blijven. Hartman legde me alles uit, maar ’t was teveel om te onthouden. Alles was ook nieuw voor me.
Dit is de machinekamer. Heb je verstand van motoren?
Niet veel. Is dat noodig?
’t Strekt tot aanbeveling, dus interesseer je d’r voor. Dit is de „Winterthur” 75 P.K. Hij drijft de sheet- en compowalsen en tevens de twee perspompen en den dynamo voor het licht. Weet je hoe’zoo’n dynamo werkt?
Nee, ’k weet zoo goed als niets van die machinerieën.
Je zult je toch op de hoogte moeten stellen. Help me onthouden dat ik je straks wat boeken geef. Ik geloof dat ze afgedraaid zijn, zullen we eens kijken?
Mandoer! Let even op de rookhuizen voor je weggaat. Is Kardi klaar met pakken?
Nog niet heelemaal, nog twee kisten.
Die moeten vanavond klaar, laat desnoods overwerken. Vergeet niet om op de zending voor Hamburg „Optie” te zetten. Kom, dan gaan we maar.
Zeg Hartman, je moet me niet kwalijk nemen, maar d’r is nog een heeleboel wat ik niet snap.
Allicht. Er zullen nog wel eenige maanden overheen gaan voor-

dat je d’r een beetje kijk op zult hebben.
Hoe vind je het emplacement hier, mooi hè ?
Zeldzaam. Wie heeft dat toch zoo aangelegd?
Huug natuurlijk. Hij heeft Goenoeng-Ampat immers geopend. Moet je eens hier komen kijken. Heb je ooit zoo’n uitgezocht hoekje gezien?
We stonden achter het huis van den heer De Korte. Een diep ravijn met begroeide hellingen konden we in z’n geheel overzien. In de diepte hoorde je een rivier ruischen en tusschen de takken door glinsterde hier en daar het snel stroomende water. Aan de overzijde üep het steil omhoog en ging het lage struikgewas der hellingen over in zwaar bosch. De ondergaande zon wierp haar laatste stralen over het prachtige groen der woudboomen. Dit gaf zulk een gouden terugkaatsing dat het geleek alsof het bosch op sommige plaatsen brandde. Als ik van de fabriek naar huis ga, blijf ik hier altijd een poosje staan kijken, ’k Vind het steeds weer mooi.
’t Is ook overweldigend. Als een schilder het zoo op een doek zou brengen, zou je van overdrijving spreken.
Daar komt de baas.
Ik sta weer op mijn lievelingsplekje, zei Hartman. U heeft toch een schitterend uitzicht vanuit Uw huis.
Misschien komt U hier later nog wel eens te wonen, dan heeft U het panorama voor U alleen, lachte de heer De Korte. Hebben jullie trek in een kop thee? De boel staat net klaar.
Ja, graag.
Om dezen tijd zit ik altijd hier. U een sigaret, mijnheer Reeder? Alstublieft.
En weet U nu al wat rustiness is?
Rustiness? Nee, ik geloof niet dat Hartman me dit heeft laten zien.
Gelukkig maar, ’t zou er voor mijnheer Hartman niet al te best uitzien als-ie dat kon toonen. Zorg maar dat U het nooit te zien krijgt.
Gebruikt U suiker en melk?
Weinig suiker alstublieft. Dank U.

Weet U al waar U komt te wonen meneer De Korte?
Op Darat. D’r wordt een nieuw inspecteurshuis gebouwd. Uw neef is daar administrateur, nietwaar?
Jawel, Meerhuis, kent U hem ?
Nou kennen, kennen, ’k heb ’m wel eens ontmoet. Een ouwe baas al, hè? Ja, voor de administrateurs daar is het niet prettig dat ik als inspecteur ben benoemd. Om die reden kan ik echter niet bedanken, dat begrijpt U wel.
Natuurlijk, ieder voor zich. ’k Hoop dat U ginds succes zult hebben.
Mijnheer De Korte was een aangenaam prater. Voor we er erg in hadden was het donker geworden. Wat valt de duisternis toch snel in, hè ?
Wat dunkt je Reeder, zullen we je boeken eens gaan ophalen ? We volgden het smalle paadje naar Hartman’s huis. Hé, daar heb je Koos en Giesen. Hoe is het gegaan ? Ben je aangenomen rooie?
Natuurlijk. Ze waren zoo blij als kinderen dat ik bij hen wilde komen. Maandag begin ik. Veertig gulden meer dan in mijn vorige betrekking.
Gefeliciteerd hoor. Waar kom je te zitten?
Op Ajer-Soedji.
Niet slecht. Dicht bij Medan, dat is net wat voor je. Als je nou maar je grooten mond weet dicht te houden. Laten we hier niet blijven staan, kom binnen.
Zeg Hartman, als je me nu even die boeken wilt geven, dan ga ik maar meteen naar huis.
Blijf je niet hier een stukje eten?
Nee, laat ik maar liever naar huis gaan. Mioen heeft het eten klaar en ’k wou nog wat werken aan m’n boeken.
Nou, zoo je wilt. Kijk, hier heb je het nieuwste boek over de tap en dit gaat over de ziektebestrijding. Neem ze maar eens goed door. Oh ja, nou nog een boek over machinerieën. Hier heb je de beginselen der techniek.
Wacht nog eens even Reeder. We zijn van plan om van de onderneming verschillende foto’s te laten maken en daar een

album van samen te stellen. We willen dat dan De Korte bij z’n vertrek aanbieden als een herinnering aan Goenoeng-Ampat. Ook een voor Huug als-ie hier baas wordt. Doe je er aan mee, veel kan het niet kosten.
Natuurlijk doe ik mee, ’t is aardig bedacht. Komt dat idee van jou?
Nee, Rensema kwam er ineens mee aanzetten. Dat is dus afgesproken?
Jullie kunt mijn portret ook krijgen om er in te plakken, zei Giesen.
Goed, maar dan graag een gekleurd als ’t kan, antwoordde Hartman.
Nou, saluut menschen.
Bonjour Reeder.

HOOFDSTUK XIII
Hartman had wel gelijk gehad. Ik dacht nog dikwijls aan de vlotte, prettige manier van werken in de ontginning. Wanner je daar uit gebrek aan ervaring een fout had gemaakt, kon je met een beetje overleg je tekortkomingen herstellen. Was de grond niet diep genoeg omgewerkt, doordat een of andere koelie aan je aandacht was ontsnapt, dan liet je zoo’n gedeelte opnieuw omtjankollen en hiermede was de zaak afgedaan.
In de tap was dat anders. Houtwonden herstelden zich niet, maar vergroeiden tot wratten, die, zoolang de boom in je afdeeling stond, de onervarenheid van den betreffenden assistent duidelijk demonstreerden. Diep tappen, geen wonden en een hooge productie, dat was hetgeen verlangd werd. Maar om dat te bereiken moest je eenige jaren routine hebben. Koelies die hun boomen beschadigden, werden gestraft met geheele of gedeeltelijke inhouding der tappremie.
Meneer De Korte was absoluut niet onbillijk, z’n aanmerkingen waren gegrond. Er was te weinig latex uit mijn afdeeling gekomen. Ook was ik er van overtuigd dat het percentage wonden veel te hoog was. Hoe kreeg een ander het toch gedaan ? Rensema had mijn afdeeling al eens doorgeloopen en gezegd dat het wel te zien was dat hier een nieuweling toezicht hield. Je hebt het nog niet onder de knie, maar dat zal op den duur wel beter worden. Laat je niet ontmoedigen, we zijn allemaal zoo begonnen. Ga maar kalm door en laat je niet te veel opjagen door het geroep om meer latex.
Op een avond kreeg ik bericht van den heer De Korte, dat ik mij den volgenden dag bij Van Dalen moest vervoegen. Ik moest brood en thee meenemen en begreep dat ’t een latertje zou worden.
Om zes uur stond ik voor Huugs woning. Kom eerst even binnen dan zal ik je uitleggen wat er gebeuren moet. Heb je al eens meer grenspalen gezocht?
12 Dell planter

Jawel. In de ontginning. Ik moest immers tot de grens van onze concessie kappen?
Dat is waar ook. Nou, ik heb opdracht van den hoofdbaas om alle grenssteenen van de onderneming op te zoeken en op kaart te brengen, ’t Wordt een heele wandeling, ’t zal je niet meevallen. Gaan we samen?
Ja, op de grens staan twee koelies op ons te wachten. Laten we nu maar meteen opstappen anders zijn we vanavond niet voor donker terug. We zullen den loop van de rivier volgen tot dien zijarm, kijk hier. Van dit punt loopen we verder dwars door het bosch naar paal 4, die moet ongeveer op deze hoogte staan. Ik zal een potloodstreepje zetten, dan kunnen we straks zien of ik gelijk had.
Hoeveel steenen moeten er staan?
Totaal 22, maar 14 heb ik er al. Vandaag moeten we de nummers 1 tot 8 zoeken.
Wat een donkere dag, ’k hoop niet dat we regen krijgen, ’t Ziet er wel naar uit.
Hé, Walim en Amir, hierheen. Dragen jullie deze barang en volg ons maar.
Wat denk je Huug, zou die zuivere grensopname verband houden met het ovememen der kebon?
Ik vermoed van wel. Mijnheer Seggeli zei me gisteren dat ik straks de ontginning moest uitbreiden tot de steenen die we vandaag gaan zoeken. Daarmee heeft-ie tevens genoeg te kennen gegeven dat mijn promotie zoo goed als zeker is.
Dat was toch al tegen je gezegd?
Welnee, dat doen ze nooit voordat het zoover is. Maar uit de opdrachten die je krijgt merk je het toch wel.
Hoor je de druppels op de bladeren tikken? Dat kan goed worden vandaag.
Na een uur vonden we grenspaal no: 1 en achtereenvolgens 2, 3 en 4. Dicht begroeid onder slingerplanten waren ze niet anders dan met moeite te onderscheiden. De beide koelies maakten de steenen schoon en Huug teekende op de kaart nauwkeurig de plaats aan waar ze stonden. Zie je, dat klopt

precies met dat potloodstreepje van daarnet. Nu de anderen nog. De regen begon overvloediger te vallen en droop weldra door het bladerdak dér boomen. We waren drijfnat en kil plakte onze witlinnen kleeding op het lichaam.
We moesten nu eerst maar gaan eten. ’t Is maar goed dat Walim ons brood in pisangbladeren heeft gerold, dat is tenminste droog gebleven.
Jasses, vol mieren. Moet je zien, zwart van dat tuig.
Heb jij d’r niks op? Hier pak aan, dit is brood met ham, Merci. Heb je nou zelf wel genoeg over Huug?
Never mind.
Zitten konden we niet, de grond was door en door nat. Staande gebruikten we onze boterham.
Wat eet jij daar, Amir? Rijst met krenten?
Amir grinnikte. Semoet toewan. Mieren.
Waarom haal je ze d’r niet uit ?
Hoeft niet.
Willen we weer doorgaan Reeder? ’t Is hier toch ook niks gedaan.
Ja, vooruit maar, ’t water staat in m’n schoenen, t Werd steeds donkerder in het bosch. We moesten ons door de takken wringen en onophoudelijk zwiepten deze hun natte bladeren in ons gezicht.
De grond werd drassig. Tot over de enkels zakten we weg. Op die manier werd de tocht nog zwaarder dan hij al was. Gelukkig, hier hebben we no: zeven. Nu nog één!
Weet je wat we doen? We gaan niet denzelfden weg terug, dat is te ver. Van paal acht gaan we recht toe recht aan naar de kebon terug, dat scheelt op z’n minst een paar uur loopen. Hoe laat heb jij het ?
Drie uur.
Paal acht was niet zoo gemakkelijk te vinden. Ik vermoed dat we al kilometers te ver zijn Reeder, laten we maar terug gaan.
Na een uur heen en weer zoeken, bleek het dat we den steen al eenige malen voorbij waren geloopen. Walim ontdekte hem

doordat hij, om een paar lianen te kappen, de takken wat opzij schoof.
Je zult wel moe zijn. Wou je eerst wat rusten of maar direct terugkeeren?
Och, we zijn kletsnat en ik verga van de kou. Jij ook?
Ja, ’k sta te rillen als een juffershondje, ‘k Verlang naar huis. Moeten we dit ravijn door?
Moeten niet, we kunnen d’r ook omheen loopen, maar wie weet hoe ver het zich uitstrekt?
Dan d’r maar door. Brr, wat een glibberboel.
Je moet je ook aan de takken vasthouden, laat mij maar voorop gaan.
Aan de andere zijde van het ravijn werd het hout nog ondoordringbaarder. ’t Was een compleet vlechtwerk van takken en slingerplanten.
We hadden beter terug kunnen gaan Huug. We komen hier nooit door.
Welja, alles kan. Als die smerige regen maar wat ophield, ’t wordt verdorie steeds erger.
Alweer een ravijn, we treffen het wel. Geef me maar een hand. dan vallen we niet zoo gauw.
Glijdend en schuivend kwamen we beneden. Hier in de diepte had het regenwater den grond in een moeras herschapen. Tot de knieën worstelden we er doorheen.
Ik was dood en dood op. Ook Huug hijgde van vermoeidheid. Voetje voor voetje, ging het nu de helling op. Tot driemaal toe gleed ik op m’n knieën en hielp Huug me door z’n stevigen greep weer op de been. Hó, vasthouden jong, we zijn er bijna. Plotseling trapte Huug in een gat en viel zijwaarts. Ik kon hem niet houden en onze handen glipten los.
Au, verdomme, m’n poot zit achter dien wortel.
Opnieuw greep ik Huugs hand en trachtte hem op te trekken. Au, niet zoo wild man. ’k Heb geloof ik m’n voet verzwikt. Met een pijnlijk gezicht wreef hij op het gekwetste gedeelte.
Ik maakte zijn schoen los en trok z’n kous uit. Niets te zien hoor, enkel een paar roode schrammetjes.

’t Doet anders gemeen zeer. Mooie boel zoo.
Kun je verder?
t Zal wel moeten, we kunnen moeilijk hier blijven zitten. Walim en Amir zijn den anderen weg teruggegaan.
Na tien minuten te hebben doorgestrompeld, werd het been van Huug steeds pijnlijker. ’t Was vuurrood en begon erg op te zetten.
Even wachten Reeder, ik kan haast niet meer.
Weet je zeker dat we de goede richting te pakken hebben Huug, laten we in godsnaam niet verdwalen, dan zijn we heelemaal aan den duivel overgeleverd.
Ja, we zijn bijna op de grens van Toekir-Estate, dat is vlak bij Goenoeng-Ampat.
Nou, vooruit dan maar, hoe langer we blijven staan, hoe beroerder het met je been wordt. Steun maar op me, zoo, kalm aan.
Het terrein bleef gelukkig vlak en na eenige minuten waren we zoover dat we de tabaksvelden van Toekir konden zien liggen. Ken jij iemand op die kebon? Misschien kunnen we daar dan een karretje leenen.
Ja, Rozemond en Van Erkelens, maar die wonen te ver weg. Als we dezen weg volgen komen we vanzelf bij het huis van A Poh, dat is de chineesche hoofdtandil. ’k Ben voorloopig al blij dat we het bosch uit zijn, ’t ergste is achter den rug.
Hier is het, laten we maar eens zien of ie thuis is*.
A Poh!
A Poh!
Even een haastig geschuif van stoelen, waarna tusschen het afsluitgordijn der middendeur een oude chinees te voorschijn trad. ’t Was het type van den echten ouderwetschen tabakskoelie, die van armen emigrant, door noesten vlijt en toewijding, was opgeklommen tot hoofd eener 800 tot 1000 zielen sterke koeliebevolking, welke als regel op een behoorlijke tabaksondememing huist.
Reeds 35 jaar werkte hij op Toekir en genoot het vertrouwen

van alle Europeanen, alsmede van zijn ondergeschikten. Tabéh Toewan-toewan. Boleh masoek la. Komt U binnen.
Ik heb m’n voet verstuikt A Poh, kunnen we je karretje even leenen?
Natuurlijk mijnheer, ’k zal direct aan den seice zeggen dat-ie inspant.
De hoofdtandil zag ons van koude rillen en nadat hij verzocht had om plaats te nemen, verdween hij naar de achterkamer. Even later trad hij weer te voorschijn met een flesch cognac en twee glaasjes zonder voetstuk in z’n handen.
De heeren zijn nat en koud, mag ik U een brandy inschenken, anders wordt U ziek.
Wat denk je Reeder, zullen we ’r een nemen? ’k Heb er wel trek in.
Ik ook. Graag A Poh, schenk meneer Van Dalen maar eerst in. Drie sterretjes, dat is geen slechte die die ouwe in huis heeft. Ja, chineezen weten wel wat goed is. Hij kan het trouwens betalen. Weet je wel dat zoo’n hoofdtandil jaren van 20 tot 25 duizend gulden tantièmes maakt ?
Nog al niks ook. Dan zal die kerel wel schatrijk zijn.
Welnee, ze vergokken alles wat ze verdienen. Een hoogst enkele gaat met een behoorlijke bom duiten naar China terug. Nog een inschenken, mijnheer?
Nee, dank je wel, eentje is genoeg A Poh. Hoe oud ben je? Denk je er nog niet over om naar je land terug te keeren?
Och nee, ’k ben over de zestig jaar en zou in China niet meer kunnen wennen. Ik hoop hier te mogen blijven werken en als ik dood ben op de kebon te worden begraven. De koelies zijn m’n kinderen, de heeren zijn m’n vrienden.
Zoo is het A Poh. Je bent hier al te lang en zou toch weer naar Deli terug verlangen. De administrateur zou je trouwens niet graag willen missen.
Willen de heeren rooken?
Nee, nee, doe geen moeite, we gaan weg. Je ziet dat we doornat zijn. Het wagentje staat voor. Help je me even Reeder ? Gezamenlijk hielpen we Huug de hooge trap af en het karretje

in, waar-ie zich met enkele uitroepen van pijn op het leeren kussen liet neerzakken.
Juist passeerde met vliegende vaart de buggy van Morain. Hij scheen ons niet op te merken, daar hij, zeer terecht, alle aandacht aan z’n wilden viervoeter besteedde.
Moet je die weer zien racen, zei Huug. Die knaap maakt vandaag of morgen ongelukken.
Hij kan anders wel rijden, dat moet ik zeggen. Waar zou-ie nu nog naar toe moeten, denk je?
Naar Dumont, ook een sinjo, daar is-ie nog al dik mee.
Rijd jij, of zal ik de teugels nemen?
Laat mij ’t maar doen, jij bent patiënt.
Nou tabéh A Poh, dank je wel hoor.
Tabeh toewan.
Hoe moeten we, links af?
Ja, na een paar honderd meter zijn we op den hoofdweg, dan wijst het verder vanzelf.
’t Was een goed paardje. Met kittige pasjes draafde het den muilen zandweg af .’k Liet ’m zijn eigen gang maar gaan, ’t dier kende den weg in donker beter dan ik overdag.
Zoo, hier even inhouden, we zijn direct bij den draai.
Op den geharden hoofdweg ging het nog vlugger en na korten tijd stonden we voor Huugs huis.
Laat de seice dat paard nou even vasthouden en roep jij dan Toeki-san, wil je?
Het japansche meisje schrok. Ada apa toewan?
Niks bijzonders hoor, help me maar even.
Ho, ho, houd dien knol dan toch vast, idioot. Ben jij koetsier? Nou, zoo gaat het wel hoor. Dank je voor je hulp.
Moet ik morgen weer terug komen?
Nee, ga maar gewoon naar je afdeeling. Ik blijf een dag of twee thuis om de kaart te maken, dat komt meteen goed uit met m’n zeeren voet.
Prachtig. Adieu Huug en beterschap.
Dank je, wel thuis.
De regen had opgehouden maar de koude wind deed me klap-

pertanden. Onmiddellijk liet ik een warm bad klaar maken en gebruikte een paar koppen heete thee. Nu pas voelde ik goed hoe vermoeid ik was. M’n ledematen deden me overal pijn.
’k Ging eens fijn van mijn rust genieten. Languit op de rustbank, een stapel oude tijdschriften en een doos sigaretten naast me. Dat was zoo niet slecht bekeken. Schuin tegenover mij had ik het uitzicht op de helverlichte voorgalerij van den baas. Hij scheen bezoek te hebben. Voor z’n deur stonden tenminste twee auto’s en zoo nu en dan hoorde ik praten en lachen. Mioen kwam binnen en aan zijn linksche manier van doen zag ik direct dat hij iets bijzonders had te zeggen.
Is er iets Miöen? Kom je weer geld te kort?
Welnee, antwoordde de boy, welnee en hij keek hierbij zoo verwonderd alsof hij verbaasd was over zoo’n veronderstelling. Eh,… ja ziet U,… mijnheer moet maar niet boos zijn, maar eh… Nou, wat had je? Vertel toch op.
Ja, ziet U,… eh, ik ben altijd maar zoo alleen en eh… mijnheer weet toch ook wel dat ik altijd alleen ben.
Dat heb je nu tweemaal gezegd, wat wou je feitelijk?
Kawin toewan. Ziezoo ’t hooge woord was er uit.
Wit zeg je? Trouwen? zoo’n ouwe gek als jij en dan trouwen? Heb je al iemand gevonden die net zoo mal is als jij ? Mijnheer moet niet boos zijn, maar ze is al achter. Mirdja heet ze.
Zoo zoo, dat zijn geen halve maatregelen. Is ze erg oud?
Tida berapa. Niet zoo heel erg.
Roep ‘r maar eens hier.
Eenige oogenblikken later bewoog het afsluitgordijn van de deur, doch alleen een bruine hand werd zichtbaar.
Ja, kom maar binnen Ma. Onwillekeurig had ik het woord gebruikt waar in den regel oude javaansche vrouwen mee worden aangesproken.
Neen maar, wat krijgen we nou? Moet jij met Mioen trouwen? Kalau toewan kassi. Als meneer het goed vindt.
Een tenger jong meisje stond verlegen bij de deur. Met neergeslagen oogen bewoog ze zenuwachtig de magere handjes over

de zijden slendang, welke losjes over de smalle schoudertjes was geslagen.
Mioen! Kom eens hier. Bedoel je dat je met dit kind wilt trouwen?
Als mijnheer het goed vindt.
Klets toch niet, met je goed vinden. Wat kan het mij schelen met wie je trouwt. Maar hoe kom je erbij om zoo’n jong Hing te nemen?
Hoe oud ben je Mirdja?
Dat weet ik niet.
Ben je al 14 jaar.
Misschien wel meneer.
Nou, ga maar weer naar achteren. Mioen blijf nog even hier. Vertel eens even, vinden haar ouders het goed?
Jazeker, ik heb het aan den hoofdmandoer gevraagd.
’t Is toch geen dochter van den hoofdmandoer?
Nee, maar die heeft toch gezegd dat ik haar mocht hebben. Ze is al eens getrouwd geweest met mandoer Sidik van afdeeling vier.
Zie je nü niet in dat zoo’n huwelijk alleen misère voor je kan geven? Dacht je nu dat je zoo’n vrouw alleen zult hebben? Man wees wijzer. Ze vindt je witte jasje mooi, maar lacht om je ouwe karkas. Haar ouders vinden je een rijke schoonzoon, omdat je bij een blanda werkt. Snap je dat niet ?
Ze zegt dat ze wel van mij houdt.
Dat zal wel. Nou, ’t kan me verder niet schelen, ik heb je gewaarschuwd. Wanneer wou je trouwen ?
Morgen.
Hm. Enfin, slamat kawin.
’k Was benieuwd hoeveel Mioen aan zijn a.s. schoonouders haH moeten betalen om de „gelukkige” echtgenoot van hun dochter te mogen worden.
Maar kom, wat maakte ik me druk. Laat ze maar onderling knoeien. Je krijgt er toch geen hoogte van. Hoe minder je je met hun particuliere aangelegenheden bemoeit, hoe beter het is, had Rensema me eens gezegd.

Den volgenden dag vertelde ik de kwestie aan den heer De Korte.
Ja, daar weet ik van. ’t Is een dochter van den ossenstalwaker. Mandoer Sidik heeft ’r de deur uitgegooid. Wilt U die vrouw niet thuis hebben?
O, jawel, ’t kan me niet schelen. Ik heb er geen last van.
Nou, laat ze dan d’r gang gaan. Schwamm driiber.
Hier heb ik de latexlijsten van de afgeloopen week. ’t Ziet er fraai uit, vindt U niet? Hier, kijk eens, de totaalproductie van Amat. Dertig procent naar beneden.
Amat z’n ploeg heeft veel houtwonden gemaakt en toen heb ik order gegeven om ondieper te tappen. Ik kon toch de boomen niet laten vernielen?
Dat moest er nog bijkomen. Maar ik wil een goede productie en dat zónder houtwonden, begrijpt U me mijnheer Reeder, zónder houtwonden.
Ik doe m’n best genoeg meneer, maar ik kan het toch niet helpen als die kerels den boel verknoeien?
O, nee? Kunt U dat niet helpen? Dat is wat nieuws hoor. U bent afdeelingsassistent en als zoodanig verantwoordelijk voor Uw boomen. U zórgt voor een betere productie en dat zónder houtwonden. Hebt U me goed begrepen?
Jawel.
Goed zoo. En dan nog wat. Ibrahim, geef eens even de betaalboeken.
Juist hier heb ik het. Mandoer Mardjoeki. Geeft U hem tappremie? Is dat misschien omdat-ie idem zooveel kilogram omlaag is gegaan? En hier, mandoer Marlöno, heeft die zoo uitgeblonken deze maand?
Hij heeft beloofd dat-ie beter zou tappen en om ’m aan te moedigen heb ik hem ook maar premie gegeven.
Met een slag smeet mijnheer de Korte mijn boeken op de schrijftafel.
U kort deze maand alle koelies die houtwonden hebben en de betreffende mandoers krijgen geen cent premie.
Goed mijnheer.

Ik wist waar ik me aan had te houden. Makkelijk zeggen op het kantoor, achter de schrijftafel. Ik stond tegenover de ontevreden koelies, die in elke inhouding of korting op de tappremie een grove onbillijkheid zagen. De koelie die ridderlijk zijn fouten erkende, moest nog geboren worden.
In m’n afdeeling gekomen begon ik nauwkeurig de verschillende bagians in oogenschouw te nemen. Er waren houtwonden, ontegenzeggelijk. Nog maar weer eens opspelen, zonder dat ging het schijnbaar niet.
Hé, Soepardi, kom hier, niet zoo vlug tappen. Je behoeft niet zoo vroeg klaar te zijn. Let maar liever op je cups, ze hangen allemaal scheef.
Niti, Sarmin, Roesdi, kom terug. Hier weer beginnen en nou langzamer.
Mandoer! Zie je niet dat je kerels den boel maar wat afjakkeren? Sta je hier om te lummelen of om op je volk te passen? Als jij je salaris maar krijgt hé, hoe ’r gewerkt wordt is bijzaak. Ik…
Hou je mond maar. Als je niet met je latex omhoog gaat kun je op het eind der maand wel opdonderen, begrepen?
Saja toewan.
Mandoer Rasmat! Hoeveel man heb je aan de ziektebestrijding gezet?
Vier man aan den bruinen binnenbast en twee aan de djamoeroepas.
Heb je een vijf procents oplossing laten maken van carbolineumplantarium?
Jawel meneer.
Heb je het zelf onderzocht, of klets je maar wat? Laten we maar eens gaan kijken.
Hé, Sandwirdja, kom eens hier met dat blik. Wat zit daar in? Obat toewan.
Wat ziet dat helder, ’t lijkt wel enkel water. Zit daar carbolineum door?
Neen meneer, dat was op.
Was dat op? En zit je nu de boomen met schoon water in te

smeren? Ben je nou heelemaal gek geworden?
Mandoer! Gebeurt dit allemaal onder jouw toezicht? Zie je niet dat je kerels hier uren zitten te verprutsen met enkel water op de zieke boomen te smeren omdat ze te beroerd zijn om obat te halen? Lummel. Je krijgt deze maand geen cent premie, kaffer dat je bent.
Ik was ginds bij het tappen en ik kan niet overal tegelijk zijn. Houd je brutalen mond dicht vlegel, of ik sla ’m dicht.
Ik vraag mijn ontslag mijnheer.
Kun je krijgen, direct. Ga maar naar het kantoor.
Als mijnheer me d’r uitgooit, betaal ik mijn schuld niet terug. Je vroeg toch zelf ontslag… ? Donder maar op, zeg maar tegen den Toewan besar dat je je schuld niet wilt terugbetalen, misschien trapt-ie je wel den grond in.
Karsan! Jij vervangt voorloopig mandoer Rasmat. Laat die kerels eerst obat halen en zie goed toe dat het behoorlijk gemengd wordt.
Ziezoo, de baas joeg mij op, ik zou op mijn beurt den wind er bij mijn mandoers en koelies onder jagen, t Scheen niet overbodig te’zijn. Steeds stond je voor nieuwe verrassingen. Natuurlijk zou ik nu weer te hard aangepakt hebben. Je moest kunnen werken zonder mandoers te ontslaan. Nee, nee, mijnheer Reeder, U is nog een echt singkeh hoor.
Het was niet zoo héél eenvoudig om een tapafdeeling te beheeren.

HOOFDSTUK XIV
Een courant, een brief van Jaap en twee rekeningen. Eerst maar de soerat van Jaap lezen. Kijk eens aan, een foto van m’n ouden hutgenoot. Leuk genomen, een interieur van z’n voorgalerij. ’t Zag er werkelijk niet ongezellig uit. Meer planten dan meubilair, zoo op de kiek tenminste.
’k Moest toch ook eens een kiek van m’n huis laten maken. M’n zuster had er al eenige malen óm gevraagd.
Nu zijn brief. Godzalige honderib. (Mooie aanhef, erg vleiend!) De rest van het epistel was doorspekt met dergelijke fraaiigheden. Hij sprong zooals gewoonlijk van den hak op den tak. Zijn koelies waren brutaal en z’n tante in Amersfoort had zich van den blinden darm laten opereeren.
De verloving met m’n meisje is uit, je weet wel schreef-ie, dat meisje waar ik dat mooie halsdoekje van kreeg wat jij aan boord voor een handdoek aanzag. Ze vond dat ik te weinig schreef, ’k heb er nota bene iedere vier maanden trouw een brief gestuurd. Hij had over ons pensioen gehoord en vond dat ik geweldig bofte. Binnenkort kwam-ie me beslist eens opzoeken.
Jawel, dat kende ik. In iederen brief had-ie dat al gezegd. In de laatste twee regels verweet-ie me dat ik zoo weinig het hooren. Hij vergat dat ik zeker vier maal schreef tegen één brief van hem. Enfin, Jaap is Jaap. Om ’m tevreden te stellen nam ik me voor om maar direct terug te pennen. Eerst even de courant inkijken.
Mioen! Breng de thee in de klamboekamer en steek de lamp aan.
Twee rekeningen. Gauw bij de andere leggen. De lade dicht, zoo, niks meer van te zien. Makkelijk wel, zoo’n groote la in je schrijftafel.
Nieuws in de courant ? Bandjir op Java. Geheele dessa’s weggespoeld, aantal dooden nog niet bekend. Aardbeving in den

oosthoek. Seismograaf registreert zware schokken. Paniek onder de bevolking. Mooi land daar. Gordel van smaragd die zich om den evenaar slingert. Jawel, aan slingeren ontbreekt het daar niet.
Wat hebben we hier. Sultan van Indragiri bezoekt Medan. Hmm.
Advertenties. „Hotel de Boer”, a.s. hari-besar rijsttafel. Kwan Hie verkoopt plantersschoenen voor f 2,50 per paar. Hin A Foen heeft een nieuwe zending importsigaretten aangekregen en beveelt zich verder aan voor het soldeeren van pannen en ketels. Weg die courant!
Nu Jaap terugschrijven? Nee, morgen maar .’k Had juist vanmiddag een boek van Rensema gekregen, waar lag dat nu? O, ja, onder het kussen op de bank. „She” van Rider Haggard. Fijn. Nu een paar uurtjes ongestoord lezen. Mooie geborduurde omslag, zeker uit Holland gekregen.
Opeens stapte mijnheer De Korte mijn voorgalerij op.
Reeder! Waar ben je?
Hier, mijnheer, ’k lag juist te lezen. Haastig sprong ik van m’n stoel op en opende de deur van de klamboekamer. Wat is er? U doet zoo zenuwachtig, is er iets meneer?
Reeder jongen, d’r is iets ontzettends gebeurd, iets verschrikkelijks.
?????
Heeft U mijnheer Van Dalen vandaag nog gesproken?
Van Dalen? Neen, is er iets met ’m? Zegt U toch wat, U doet zoo vreemd.
V’an Dalen heeft zich zooeven doodgeschoten!
Wat zegt U? Doodgeschoten? Godallemachtig… waarom?
Ik weet het niet Reeder, ik weet het niet… Een half uur geleden kwam zijn boy bij me binnenstormen. Ik begreep in ’t eerst niet wat-ie bedoelde. Hij riep maar „Toewan mati, Toewan mati”
‘k Ben onmiddellijk naar z’n huis gegaan en vond ’m in zijn slaapkamer op den grond liggen. Vreeselijk!
Weet U zeker dat-ie dood is?

Ja, z’n geweer lag naast ’m. ’k Heb den dokter en den controleur van Kwala-Tinggi opgebeld. Ze zullen wel direct hier zijn. Ik ga nu naar Hartman en de overige heeren. Blijft U rustig hier, misschien kom ik straks nog terug.
Ik kón het me niet voorstellen. Huug zich doodgeschoten. Huug zich doodgeschoten. Droomde ik het ? Waarom dan toch ? Juist nu hij baas zou worden. Het klamme zweet parelde op mijn voorhoofd. Hier hield ik het niet uit. Ik móest naar buiten. Huug, Huug, hoe kon je dat doen? Verward liep ik den weg op. De stilte deed me angstig aan. ’t Was of de natuur onder den indruk was van het drama dat zich diep in het binnenland had afgespeeld. Slechts een boschuil krijschte in den top van een boom. Drie, vier malen achtereen.
Dit was het pad naar het huis van Hartman. Gelukkig!
De boy vertelde dat zijn heer en den Toewan besar naar Rensema waren gegaan. Ze waren juist weg.
Dan maar weer terug. Ik beefde over al mijn leden. M’n knieën knikten.
Met vliegende vaart passeerden mij twee wagentjes. Hartman en De Korte in het voorste, Rensema blootshoofds en zonder jas in het achterste. Hij riep mij iets toe, doch ik verstond het niet.
Moest ik nu hier alleen blijven? Nog nooit maakte ik zulk een uur van spanning door.
Eindelijk stopte voor het huis van den heer De Korte een auto. In het licht der koplampen zag ik verscheidene gestalten de trap opgaan.
Eerst de controleur, hierna de baas en de dokter, gevolgd door de collega’s.
Bij mijn binnenkomst zag ik onmiddellijk dat de dokter geen andere tijding bracht dan mijnheer De Korte reeds had gedaan. Gaan jullie maar liever naar huis, de hoofdadministrateur zal wel direct hier zijn.
We staken het donkere emplacement over. Niemand sprak een woord.
De lampen bij Hartman waren op. Gaan jullie nog even zitten.

Allen waren zeer onder den indruk.
Zijn jullie binnen geweest, vroeg ik, hebben jullie Huug gezien?
Ja. Ontzettend Reeder! Ontzettend! Hij was onherkenbaar verminkt, doordat ie den loop van z’n olifantengeweer met water heeft gevuld, hierna de tromp in zijn mond genomen en toen afgetrokken. Door dat water is z’n hoofd uit elkaar geslagen. Op tafel lagen twee brieven, een voor huis en een voor den hoofdbaas.
Verschrikkelijk. Waarom zou-ie het toch gedaan hebben? Zijn er misschien slechte berichten uit Holland gekomen?
Welnee, de mail komt morgen pas. Jij bent voor een dag of tien geleden nog het bosch met ‘m ingeweest, heb je toen niets aan hem gemerkt? Was-ie toen down of zoo?
Neen, in ’t geheel niet. Hij was gewoon, net als anders.
Laten we er niet verder over praten jongens, zei Rensema, we gissen en gissen en het rechte komen we misschien nooit te weten. Door in het wilde weg te praten komen we niet verder en maken waarschijnlijk verkeerde gevolgtrekkingen. Vreeseüjk voor z’n oudelui, die hebben juist het bericht van zijn a.s. administrateursschap ontvangen,… en nu dit.
Dien nacht kon ik niet slapen. Steeds kreeg ik visioenen voor me. In mijn gedachte zag ik Huug op den grond liggen, het verbrijzeld hoofd in den bloedplas…
Alles kwam in mijn herinnering. Zijn opbeurende woorden toen ik den strijd tegen de eenzaamheid niet langer kon volhouden. Zijn onopvallende manier om een jong collega wat toe te stoppen en daarbij iederen dank af te weren met „sst sst, niet over praten, al goed zoo”.
Arme Huug. De man die om den naam van z’n meisje hoog te houden, de schuld tegenover zijn ouders op zich nam en… zweeg.
Nu zou hij te ruste worden gelegd op de plaats waar hij jaren en jaren had gewerkt. Waar hij zich een toekomst had gedroomd. Ver, heel ver weg van zijn geboorteland en familie.

Vijf üur. Voor het huis waar gisteravond een jonge, gezonde planter den strijd had opgegeven en met één schot een einde had gemaakt aan een veelbelovend leven, verzamelden zich alle employé’s der maatschappij. De vroolijke onbezorgde lach was verstomd, de bruingebrande gezichten stonden nu strak en ernstig.
De baar, welke door de vier oudste collega’s de trap werd afgedragen, was bedekt met een zwart kleed. Hierop lagen bloemen, veel bloemen. Onze laatste groet.
Het was een zware gang. Onze beste, joviale vriend werd grafwaarts gedragen. De zon wierp haar laatste stralen op den droeven stoet.
Langzaam werd de kist neergelaten. Zwijgend schaarden we ons om de groeve.
De Heer Seggeli trad naar voren. Hij was zeer bleek. Wat ging er op dit moment in hem om? Hij had den brief gelezen,… hij wist…
Zijn zachte stem kon ik slechts gedeeltelijk verstaan. „Je had moeten spreken Van Dalen,… alle onrecht had hersteld kunnen worden… zal een diepe wonde in mijn hart achterlaten…” Mijnheer De Korte schetste in weinige woorden de verdienste van onzen sympathieken vriend en beloofde dat hij in onze herinnering zou blijven voortleven.
Hierop kwam Koos van Geldorpe naar voren. Zijn forsche gestalte beefde. Met gebogen hoofd staarde hij op de kist, tranen beletten hem te spreken. Een huivering ging door allen, bij het zien van deze diepe smart.
Plotseling riep hij, „Huug, beste jongen, waarom heb je niet met ons gesproken ?… Waarom ben je weggegaan zonder aan je vrienden te hebben gezegd wie je zooveel… leed… heeft… aan… gedaan,… dat…. je….
Hier kon Koos niet verder. Snikkend draaide hij zich om en bedekte met beide handen het gezicht …Vaarwel… Huug… jongen… vaar…wel.
Weinig oogen bleven droog bij dit aangrijpend moment.
Om beurten wierpen we een schep aarde op de kist. Dof bonk-
13 Deli planter

ten de kluiten in de diepte…
Hierna werden de bloemen op het heuveltje gelegd… Rust zacht Huug.
Morain had enkele weken na de begrafenis van Van Dalen zijn ontslag genomen en was naar Java vertrokken.
De heer De Korte lichtte thans den sluier op van het ontzettende geheim dat ons steeds had bezig gehouden.
Het „waarom” drong thans op ontstellende wijze tot ons door. Morain had ons op den bewusten avond na het steenen zoeken bij den hoofdtandil vandaan zien komen. Ondersteund door A Poh en mij was Huug op het karretje geklommen, dus… dronken!
Een anonieme brief aan de hoofdadministratie en de hierop volgende bekentenis van A Poh, dat de heeren inderdaad cognac bij hem hadden gedronken, waren aanleiding voor het schrijven dat Huug kort hierop had ontvangen.
„Een assistent, die, in gezelschap van een jonger collega, zijn avonden met het drinken van alcohol bij chineezen doorbracht, kon nu en nimmer het beheer van een onderneming worden toevertrouwd.” Een strafoverplaatsing naar een afgelegen, kleine rubberkebon werd verder noodzakelijk geacht.
Dit was het dus. Deze onrechtvaardigheid had Huug niet kunnen dragen. Zich uitspreken ? Zijn recht zoeken? Och, toen hij eenige jaren geleden zich had willen uitspreken en de reden had verzocht waarom hij voor de promotie door een veel minder rechthebbend outsider was gepasseerd, was hem te kennen gegeven dat de maatschappij geen verantwoording gaf van haar daden en besluiten. Hij kon gaan…
De laatste slag was voor Van Dalen te zwaar geweest. Al zijn hoop, al zijn idealen met één pennestreek vernietigd. In het gezicht van de haven op de rotsen geworpen… verpletterd. Het geheele verslag van den tocht door het bosch en het korte noodzakelijke verblijf in het huis van den hoofdtandil, hetwelk ik aan mijnheer De Korte had gedaan, werd door hem woordelijk aan den hoofdadministrateur overgebracht. Dit stemde

volkomen overeen met Huugs laatsten brief…
De Heer Seggeli was diep geschokt. Geheel verslagen vertrok hij kort daarop voorgoed naar Europa.
Huug rustte op het mooie emplacement. Een inlander waschte iedere week den warmgeblakerden steen en neuriede daarbij een bangsawanliedje…

HOOFDSTUK XV
Jaren zijn sindsdien verloopen. De tijd dekt de wonde plekken genadig met den mantel der vergetelheid. Diepe indrukken vervagen en slechts nu en dan flikkert de herinnering weer op aan de moeilijke leerjaren, waarin zooveel lief, maar ook zooveel leed werd ondervonden.
Van singlreh tot planter is een lange weg. De harde leerschool heeft me geen kwaad gedaan. Integendeel. In den zwaren strijd om het bestaan leert men de tanden op elkaar zetten en volhouden. Tot het bittere einde!
Was de last voor getrainde armspieren te groot dan moesten noodzakelijk de schouders eronder worden gezet. Zwakkelingen vallen uit. Zij, die den strijd opgeven, blijven liggen en niemand kan zich in den dollen jacht naar den eindstreep bekommeren om deze achterblijvers. Voort, steeds maar voorwaarts. Staanblijven geeft achterstand!
Aan de eene zijde lokt de toekomst, het doel! Aan de andere zijde dreigt de mislukking. Beide visioenen doen den planter het voorbeeld volgen van de machtige woudreuzen, die uit zelfbehoud zich loswringen uit den verstikkenden greep der lianen en hun plaats verdedigend, de kruin omhoog boren… het licht tegemoet.
De heer Steenhuis heeft, als opvolger van Seggeli, met energie de teugels in handen genomen en ondanks de enorme verliezen der maatschappij haar voor een finalen ondergang weten te behoeden.
Met zijn scherpen kijk op de zwakke plekken heeft hij de conservatieve directie van de noodzakelijke koersverandering kunnen overtuigen.
Groote gedeelten onzer concessie, welke jaren en jaren achtereen vrijwel waardelooze tabak hadden opgeleverd, werden voor de rubbercultuur bestemd. De millioenen Heveaboomen deden de hoogste verwachtingen koesteren. De rubberprijzen

waren goed en het wereldverbruik ging, zooals de statistiek ten duidelijkste aantoonde, met sprongen omhoog. Onder zijn leiding had de directie het genoegen mogen smaken reeds enkele jaren achtereen een verslag naar Indië te kunnen zenden, waarin een behoorlijk winstcijfer voorkwam. In het pensioenfonds waren reeds belangrijke bedragen gestort.
Van den nieuwen hoofdbaas ging een bezielende werkkracht uit. Als administrateur van een maatschappij in Assahan, was hem door de directie de hoogste functie bij onze maatschappij aangeboden. Of er onder onze managers niet iemand te vinden ware geweest die de capaciteiten bezat om dezen verantwoordelijken post te bekleeden? Zeer zeker wel! Meer dan één zelfs! Doch hier houden alle logische redeneeringen op. Onoplosbare raadselen en… verrassingen. De planter wikt… de directie beschikt.
De teleurgestelden zwijgen… Critiek of commentaar wordt niet verlangd. Niet weten te zwijgen wreekt zich onmiddellijk. Het tragische gebeuren op Goenoeng-Ampat, jaren geleden, was er wel het duidelijkste bewijs van geweest.
Het geloof hechten aan misdadige anonieme brieven en een hierop volgend halfslachtig onderzoek, hadden een eerlijk werker, een door en door betrouwbaar employé der maatschappij, ten onder gebracht. Deze schreeuwende onrechtvaardigheid had de opgekropte gemoederen der collega’s doen losbarsten. Een vlam van verontwaardiging was hel opgelaaid en naar buiten geslagen. Op sensatie beluste journalisten hadden zich gretig aan deze vlam gekoesterd en in geuren en kleuren was aan de droevige geschiedenis ruchtbaarheid gegeven. De Hollandsche couranten namen haar over en de directie, die deze „interne vergissing” gaarne geheim had willen houden, was diep verontwaardigd geweest over de loslippigheid van haar employé’s.
Als reactie volgde onmiddellijk de aanstelling van een „outsider” als administrateur over Goenoeng-Ampat.
De heer Lemmers, een middelmatig assistent bij een Engelsche maatschappij, profiteerde van dezen „strafmaatregel” enpas-

seerde glimlachend Van Geldorpe, Rensema, Heerema, Van Berghe en anderen.
Als onmiddellijk chef was de heer Lemmers meer onbeteekenend dan lastig te noemen. Zijn gestel verbood hem iedere lichamelijke inspanning en hierdoor strekte zijn controle zich in den regel niet verder uit dan de vier witgepleisterde kantoormuren. De leiding der kebon vertrouwde hij volkomen aan zijn assistenten toe. Gelukkig voor hem kon hij hierop vertrouwen. Geen onzer dacht er aan om ook maar een moment misbruik te maken van het te weinig aan administrateurstoezicht. De zaken vlotten derhalve zonder de leiding van den Engelsch voelenden manager, die zich alleen verdienstelijk maakte met het toucheeren van de ruime tantièmes.
Goenoeng-Ampat werd dan ook in iedere afdeeling beheerd naar de persoonlijke opvatting der assistenten. Op zichzelf beschouwd was dit hier en daar uitstekend, doch de noodzakelijke samenwerking ontbrak en van eenige uniformiteit was geen sprake.
Aan een hoofdadministrateur, voor wien de rubbercultuur geen geheimen bezat, zou deze wantoestand onmiddellijk zijn opgevallen.
De heer Steenhuis, hoe energiek en doortastend hij ook mocht zijn, liet zich bij iedere inspectie door den diplomatieken heer Lemmers danig om den tuin leiden.
Iemand die twintig jaar in de tabak heeft gewerkt en in de laatste jaren van zijn Deli-loopbaan de zorgen van het hoofdadministrateurschap op zijn schouders zag gelegd, kon, in gevolge zijn ervaring, uitstekend de zaadselectie en kleursorteering in de tabak regelen, doch moest de technische leiding op de rubberondememingen hoofdzakelijk aan zijn administrateurs overlaten.
Men kon moeilijk van hem vergen, dat hij zich in de weinige jaren, welke hem als vertegenwoordiger der maatschappij werden gegeven volkomen op de rubberproblemen zou instellen. Een flinke administrateur had hier als expert naast hem moeten staan, desnoods met den titel van inspecteur.

De mislukte oogsten van de reeds aanmerkelijk ingekrompen tabaksondememingen .hadden de atmosfeer in de directiekamer zoodanig geladen, dat het voor den H.A. een dringende noodzaak was om zijn geheele aandacht op deze cultuur te concentreeren. De rubber gaf minder zorgen. Die leverde, dank zij de mooie prijzen, toch wel winst op.
Wanneer de wereldvoorraden echter grooter zouden worden dan normaal en de ten top gedreven productie het verbruik zou overtreffen, konden de funeste gevolgen van een zoodanig beheer niet achterwege blijven.
Alleen de maatschappijen, die vakkundig werden geleid en derhalve met den laagstmogelijken kostprijs werkten, zouden zich dan staande kunnen houden.
De heer Steenhuis had mij op het hoofdkantoor ontboden. Het was mij, hoe ik mijn hersenen ook inspande, niet mogelijk een idee te krijgen wat hiervan de bedoeling kon zijn.
M’n geweten was zuiver, dus te vreezen had ik niets.
In het heilige der heiligen toegelaten, vertelde de hoofdadministrateur mij dat de toestemming om het landschap Salat te ontginnen, was afgekomen.
Een oppervlakte van ca 4000 h.a. lag al jaren en jaren braak; ze was steeds als reserve voor de tabak beschouwd.
Op voorstel van den heer Steenhuis was deze grond nu voor de rubber aangewezen.
Mijnheer Reeder! Ik heb alle assistenten de revue laten passeeren en mijn oog is op U gevallen. Met deze ontginning is voor U een buitengewone kans voor de toekomst geopend. Voldoet U aan de eischen welke aan U gesteld worden, dan sta ik U borg dat de maatschappij Uw verdiensten naar waarde zal weten te beloonen. Laat ik U echter op den voorgrond zeggen dat de gestelde eischen niet gering zijn. U werkt geheel zelfstandig met dien verstande, dat de administrateur van Goenoeng-Ampat van tijd tot tijd een inspectie zal komen maken.
Een heel belangrijke zaak is dat U het werkprogramma volgt

zonder hierbij de begrooting te overschrijden. Dat U verder op die afgelegen onderneming geen moeihjkheden met Uw werkvolk krijgt. Gevoelt U zich in staat om deze opdracht naar behooren uit te voeren?
Zeer zeker, mijnheer, ik vertrouw erop te zullen slagen. Zoo mag ik het hooren. Bedenk echter wel dat U in den komenden tijd absoluut geisoleerd zult zijn. Er loopt meen ik, een heel oud karrespoor door het bosch, dat is de eenige verbinding met Goenoeng-Ampat. Kijk, hier ligt Salat. Met een langen stok wees de heer Steenhuis de plaats op de aan den muur hangende kaart, waar de nieuwe onderneming moest worden geopend. Hier loopt het oude karrespoor ongeveer. Hoe lang is die weg denkt U?
In vier uur kunt U hem loopen. Voor paard en wagen is hij ongeschikt.
Is het terrein geaccidenteerd?
Volgens de beschrijving der concessie ligt er 3000 h.a. mooi vlak terrein en ongeveer 1000 h.a. heuvels en diepe ravijnen. Alles met zwaar oerbosch bedekt.
U moet beginnen met een ploeg volk vooruit te sturen om een open plek te kappen waar zoo vlug mogelijk koeliewoningen en een huis voor U zelf worden gebouwd. Heel primitief natuurlijk. Planken materiaal kan voorloopig niet worden aangevoerd en U zult zich dus met bamboe en lalang moeten behelpen. Regelt U dit alles maar met meneer Lemmers. Ik heb reeds order gegeven om 40 oude koelies van Goenoeng-Ampat ter beschikking te stellen voor de eerste werkzaamheden, later krijgt U geregeld nieuw werkvolk uit Java toegezonden. Verschillende zaken werden nog besproken waarna de H.A. mij de hand drukte en me alle succes toewenschte.
Voordat ik naar huis ging reed ik even bij Hartman aan om het nieuws te vertellen. Sjoerd was er toevallig ook.
Toen ik afstapte riep Hartman me toe, ’k weet het al, je gaat Sèlat ontginnen, hè’?
Ja, van wien hoorde je het?
Van den baas, je moet straks even op het kantoor komen.

Hoe vind je het, vroeg Sjoerd, heb je er lol in?
Niet erg.
Dat begrijp ik, maar je hebt er in ieder geval een prachtkans op promotie mee, dat is zeker.
Zooiets gaf de hoofdbaas me ook te kennen, maar dat zullen we maar als lekkermakerij beschouwen. Jullie zijn toch nog het eerst aan de beurt zou ik zoo zeggen.
Schei uit man, wij zijn afgeschreven. Als we over dat geval met Huug hadden gezwegen, ja, dan waren we eenige jaren geleden al baas geworden. De jongere generatie heeft nog wel kans. Maar soeda, als wij maar wat tantièmes krijgen en dan straks ons pensioen, zijn we al lang lekker, wat jij Hartman ?
Och, ’t laat me tegenwoordig allemaal koud, ’k ben fatalist geworden.
Is de ouwe op het kantoor?
Waar zou-ie anders zijn, antwoordde Sjoerd, ’k heb ’m de laatste twee maanden niet in mijn afdeeling gezien.
Kom je na afloop nog terug Reeder, of ga je rechtdoor naqr huis?
k Weet nog niet, de ouwe is nogal langdradig en ’r is een hoop te bespreken, ’k Zal zien of ik gauw weg kan komen. Tot straks. De heer Lemmers zat met een stapel papieren en kaarten van het landschap Sèlat voor zich. Met zijn bekende kantoorachtige nauwkeurigheid had hij reeds alles op de te behandelen volgorde gelegd.
Komt U even naast me zitten. Sigaret?
Graag. Dank U. Waarom ben ik feitelijk voor dit baantje uitgezócht meneer Lemmers, was er geen ander voor te vinden ? Moppert U daarover? ’t Is een prachtkans, ziet U dat niet in? Nee, niet erg. D’r wordt me teveel met die prachtkansen geschermd. Kan ik het zwart op wit krijgen ?
Natuurlijk niet, de maatschappij behoudt zich te allen tijde het recht voor om plannen te wijzigen.
Jawel, en om gedane beloften of voorspiegelingen te verbreken. Nou, enfin, U is wat pessimistisch gestemd vandaag, laten we de kaart maar eens bekijken.

U krijgt van Goenoeng-Ampat voorloopig 40 koelies mee om een open ruimte in het bosch te kappen. Wie wilt U als hoofdmandoer aanstellen?
Mandoer Sarmin.
Dien Madoerees?
Ja. Kan ik dien meekrijgen? Dat is een betrouwbare kerel en voor den duvel en z’n grootje niet bang.
Wat mij betreft wel, ’t is echter een van de beste mandoers van Heerema. Hij zal ’m wel niet graag willen missen; doch maakt U dit maar onderling af.
Stuk voor stuk behandelden we den gang der komende werkzaamheden. Het schema werd in grove trekken uitgewerkt, waarbij vooral de nadruk werd gelegd op de kosten welke voor de ontginning waren uitgetrokken. Deze mochten in geen geval overschreden worden. Het bedrag dat me per acre was toegestaan leek me zeer laag, temeer daar de heer Steenhuis had gesproken over zwaar oerbosch. ‘t Beloofde rekenen en nog eens rekenen te worden en met dit minimale bedrag zou ik van mijn koelies het onmogelijke moeten vergen om het mogelijke te kunnen bereiken.
Sarmin zou dus met z’n volk vooruit gaan om woningen te bouwen, drinkwaterputten te graven, enz., enz.
Hierna volgde ik met 50 nieuwe javanen, die meteen mijn hoognoodige huisraad konden meesjouwen. Het overige meubilair kon in het magazijn worden opgeslagen tot… ja tot wanneer…?
Het pionierswerk begon hiermede weer van voren af aan. Even als in het eerste jaar kwam ik weer afgelegen te wonen, maar nu nog wat eenzamer. Al naar het werk vorderde kreeg ik meer koelies toegezonden. Kersversch uit Java geïmporteerd. Hoeveel slechte elementen, wien de vaderlandsche grond te warm onder de voeten werd, zouden van deze gunstige gelegenheid weer gebruik maken om naar Deli te emigreeren. Als orangkonterak werd hier niet naar je verleden gevraagd. Onder een anderen naam werd je in Deli’s oerbosschen met open armen ontvangen!

De eerste dagen hielden zij zich wel kalm. Eerst de kat uit den boom kijken. Werken ? Dat was voor den dommen orang-tani. Zij hadden kans gezien om op makkelijker wijze aan den kost te komen. In hun dessa waren zij gevreesd en iedereen had zich in hun tirannie geschikt, totdat… nou ja, totdat het tijd werd om met den meesten spoed naar Deli te vertrekken.
Zoodra zij hier eenigen aanhang hadden gekregen, werden de mandoers „gewogen”. Wee den mandoer met te weinig ervaring die niet met den meesten tact zoo’n opkomenden „djago” den kop weet in te drukken. Het geraffineerde provoceeren moet hij zoodanig weten te ondervangen, dat respect wordt afgedwongen bij den dader, doch eveneens bij de overige koelies, die zoo’n geval met belangstelling volgen.
Het prestige van den betrokken mandoer is met het eerste optreden óf voorgoed gevestigd, óf… verloren.
Hierna komt de Toewan aan de beurt!
Met honingzoete diepe nederigheid beantwoordt de koelie iedere aanmerking, doch zijn lijdelijk verzet en absolute onwil bij iedere opgedragen taak lokt den onervaren planter uit tot hardhandig optreden. Dat is de bedoeling. Zijn slaafsche houding verandert als bij tooverslag en getrouw aan zijn grootspraak bij zijn volgelingen, grijpt hij naar het verborgen mes om de vermeende beleediging bloedig te wreken. Het was wel zaak om een vertrouwden hoofdmandoer te hebben, op de hoogte van gesmeede plannen en niet bang om in te grijpen. Hoe menigmaal was het niet gebleken dat de mandoer, hoewel volkomen op de hoogte, uit angst had gezwegen van een voorgenomen aanval op den afdeelingsassistent.
Op een oude onderneming als Goenoeng-Ampat waren de slechte elementen er al jaren geleden uitgepikt en naar Java teruggezonden. Op een nieuwe ontginning als Sèlat zou er nog heel wat moeten gebeuren voordat we van een geselecteerde koeliebevolking konden spreken.
Hartman en Heerema gaven mij dien avond menigen goeden raad. Sla d’r op, zei Sjoerd, laat ze gauw merken datje niet met je laat spelen. Kun je het zonder slaan af, des te beter, maar

geloof me, een flink pak ransel op den juisten tijd en op den juisten lammeling, werkt heilzaam!
Voor m’n vertrek hadden we een gezelligen avond bij Karei van Berghe, waarbij alle collega’s uit de omgeving aanwezig waren.
Zij zouden spoedig eens een kijkje komen nemen, maar niet voordat er een behoorlijke verbindingsweg was aangelegd… en dat zou nog wel eenigen tijd duren!

HOOFDSTUK XVI
Een open plek in het oerbosch. Overal, waar je ook heen keek, stuitte het oog op het ondoordringbare geboomte, dat als een massieve muur dit kleine wereldje omsloot.
Wanneer des morgens de ongezonde moerasdampen langzaam uit de ravijnen opstegen en in killen greep zich meester maakten van het open stukje terrein, was het alsof dit nog enger werd ingesloten. Dan scheen het of het sombere woud ons nog dichter naderde, om het verloren gedeelte weer op te eischen. Eenige primitieve, scheefstaande hutten, inderhaast uit ruw hout opgetrokken, gaven huisvesting aan een negentigtal koelies. Javanen, soendaneezen, madoereezen, kortom een mengeling van landaarden uit alle deelen van den Indischen archipel.
Zij konden zich bannelingen wanen, evenals ik. Uren en uren verwijderd van de dichtstbij gelegen onderneming. Het half dichtgegroeide en slingerende boschpad, vol kuilen en moddergaten, was alleen voor ossen begaanbaar. Moeizaam zeulden zij wekelijks de logge karren, beladen met rijst, naar Salat. Dan kreeg ik tevens post, waarbij zes couranten. Het transport bracht, behalve de aanvulling voor den koeliewinkel, tinnetjes leverpastei, comedbeef, petroleum, sigaretten, enz, enz, mede. Voornamelijk voedde ik mij met rijst. In de tropen vooral is dit een uitstekende kost. Conserven, als tinnetjes worst, groenten e.d. zijn schreeuwend duur, en niet bevorderlijk voor de gezondheid.
Ontspanning was hier hoegenaamd niet. Werken en slapen. Slapen en werken.
Zoodra een lichtelijk gloren in het oosten de komst der zon aankondigde, verlieten de koelies de pondok. Het tijdstip om huiswaarts te gaan konden zij zelf regelen door vlugger of langzamer de opgedragen dagtaak af te maken.
Mijn huisje stond tegen den boschrand aangedrukt en zonk in

het niet bij de torenhooge boomen, welke zich uit de omstrengelende woekerplanten hadden gewrongen en hun kruin schier tot in de wolken verhieven.
Het was niet meer dan een armzalige hut en tegen zon en regen met een laagje lalang afgedekt. De wanden waren van gespleten bamboe.
Het vlechtwerk liet voldoende licht en lucht door om vensteropeningen totaal overbodig te maken. Een deur, eveneens van bamboe gemaakt, draaide op een paar rotanlussen. Het geheele huis bestond uit één kamer. Hierin stonden mijn bed, een eettafel, een kast en enkele stoelen.
Planken waren een voorloopig onbereikbare luxe, derhalve was de aarden vloer met een stuk boomstam keihard aangestampt. Op alle mogelijke wijzen moest ik me behelpen. Van eenig comfort was geen sprake.
Mioen was me trouw gevolgd. Hij was ook al zooveel jaren bij me, dat hij niet anders meer zou hebben gewild. Een groote opoffering was het overigens niet. Wat viel hier te vegen of stof af te nemen? Op dit afgelegen oord kwamen niet ieder oogenblik van die dolle toewans de borden en glazen vuil maken. Lóh, löh, lóh, wat had-ie het toch dikwijls druk gehad. Hier was het rustiger.
Het schéén dat mèt het uitdrogen van zijn oud karkasje, zijn liefdesavonturen gedurfder en driester werden.
Reeds driemaal had hij triomphantelijk een jonge vrouw de bediendenkamer binnengevoerd, doch reeds evenveel malen was deze huwelijksidylle in een drama geëindigd, waarbij een ontrouwe echtgenoote de hoofdrol had vertolkt.
Zijn laatste domme streek, eenige maanden geleden, gaf wel blijk van een onverwoestbaar optimisme.
Ik had me nu maar van goede raadgevingen onthouden. Zonder commentaar had ik er in toegestemd dat Oeni, een piepjonge kampoengschoone, het leven van Mioen kwam opvroolijken.
Oeni was een flirt. Over den gebogen rug van haar goedgeloovigen echtgenoot wierp zij menig verleidelijken en beloven-

den blik naar een forschen koelie, jongen mandoer of keurig gekleeden maleischen schrijver.
De hoofdmandoer was een goede keus geweest. Heerema had hem uitstekend afgericht en het was een ware vriendendienst van hem om zijn besten mandoer aan mij af te staan. Hij begreep dat ik veel hulp aan dezen ijverigen, doch bovenal betrouwbaren madoerees zou hebben.
Het optreden van Sarmin was streng en doortastend. Het werkvolk had in zeer korten tijd leeren begrijpen dat de nieuwe hoofdmandoer geen brutaliteit gedoogde. Luiheid of onwil strafte hij op hardhandige wijze. Als westerling ben je van tijd tot tijd geneigd om zachter snaren aan te slaan en een zgn. „dwarsligger” op humaner wijze in het spoor te brengen. Sarmin verfoeide elke consideratie. Hard tegen hard. Alleen van uiterst streng doorgevoerde discipline verwachtte hij heil. Hij kende zijn volkje en in grove trekken genomen, liet ik den hoofdmandoer in dat opzicht den vrijen teugel. Menigmaal was het gebleken dat zijn systeem noodzakelijk en volkomen juist was.
Een aantal oude koelies van Goenoeng-Ampat had ik tot mandoer aangesteld. Het spreekt vanzelf dat alleen zij in aanmerking waren gekomen, die op een blanco strafregister konden bogen en tot de beste koelies werden gerekend. De praktijk heeft echter reeds lang aangetoond, dat een goede koelie niet altijd een goede mandoer is. De tact om met een ploeg lastig werkvolk om te gaan moet worden aangekweekt. Bij den één bereik je veel met kalmte en geduld, bij den ander niets zonder harde woorden.
Wel beschouwd is de mandoerspositie niet de benijdenswaardigste en het heeft me steeds verwonderd dat een aanbieding voor deze promotie als regel met de meeste graagte en dankbaarheid wordt aanvaard. De geldelijke voordeelen hieraan verbonden wegen niet op tegen de zwaardere eischen die er aan worden gesteld.
Een mandoer moet streng zijn en ieder vergrijp tegenover de discipline met kracht onderdrukken. Is hij te gemoedelijk of

ontbreekt hem den moed om tegen bepaalde „djago’s” handelend op te treden, dan wordt er een loopje met hem genomen en moet hij zijn toevlucht tot bedrog nemen. Zoodra mijnheer nadert zet een dergeüjk mandoer een overdreven grooten mond tegen zijn volk op. Dan scheldt en tiert hij om maar goed zijn ijver te demonstreeren. Het gepresteerde werk toont echter bij iedere inspectie dat hij niet het minste overwicht heeft. Dat geeft onherroepelijk standjes van zijn baas.
Is hij daarentegen een goed mandoer, d.w.z. iemand die de belangen van den werkgever behartigt, door 100% arbeid te verkrijgen, dan riskeert-ie iederen dag een messteek of paranghouw van z’n koelies. Te allen tijde is hij de man die de klappen krijgt.
Het moeilijkste in zijn positie is wel, dat hij op het werk als de ongenaakbare meerdere moet optreden, doch na gedanen arbeid gedwongen is om met zijn ondergeschikten als kinderen uit één groot huisgezin in dezelfde pondok te leven en om te gaan. Een mandoer die ongeschikt blijkt te zijn, kan moeilijk tot koelie gedegradeerd worden. Het eergevoel is bij hem zoodanig ontwikkeld dat zoo’n vernedering een gevaar voor de onderneming wordt. Het eenige is terugzending naar Java. Dit kost echter veel geld en de begrooting is zoo krap berekend, dat extra uitgaven zeer bezwarend zijn.
Tusschen de gevallen boomen, welke in de laatste twee weken waren gekapt, was een smal slingerpaadje ontstaan doordat de koelies naar en van het werk gaande, achter elkaar loopende steeds denzelfden weg volgden. Op dit paadje ontmoette ik Djojo, een ongunstig uitziend individu waarover mandoer Amatdjoehari reeds eenige malen rapport had uitgebracht, ’t Was een forsch gebouwde soendanees, die waarschijnlijk nog nimmer eenig werk had verricht. Een nieuweling, die hier in Deli zijn contract dacht af te werken met dobbelen en vrouwenperkara’s.
Een vuurrood lidteeken liep van z’n kin schuin over den neus en het voorhoofd en verdween onder het slordig ongekamd haar.

Bij mijn nadering ging hij op de hurken zitten en bracht beleefd zijn sembah. Tabeh toewan, ik breng U mijn eerbewijs van Uw schoenen tot Uw hoed.
Ik kende deze zoetsappige inleiding en afgemeten beet ik hem toe: Wat doe je hier om dezen tijd, je behoort op je werk te zijn.
Als mijnheer een beetje medelijden met mij heeft, ‘verzoek ik U om een dag vrij. Ik ben het boomenhakken niet gewend en ben vermoeid.
Ben je gek geworden? Jij, een kerel als een boom en dan moe? Er zijn wel andere koelies die met meer recht over vermoeidheid kunnen klagen. Verder heb ik je naam nog al eens door den mandoer hooren noemen. Je bent lui en brutaal is mij gerapporteerd. Ik geef je de keus om onmiddelhjk aan het werk te gaan of naar de gevangenis te worden opgezonden.
Maar ik…
Ik wil niets meer van je hooren Djojo, maak rechtsomkeert en ga je bij je mandoer melden.
Tergend langzaam draaide Djojo zich om en liep het smalle paadje af. Ik volgde hem pp den voet. Hoewel zijn houding in hooge mate provoceerend was, liet ik me niet tot het geven van een klap verleiden. Voorloopig had ik m’n zin gekregen en ontactisch optreden zou alles bederven. Op het werk aangekomen riep ik den mandoer.
Amatdjoehari! Wat loopen je koelies overal rond te lummelen. Denk je misschien dat ik je baboe ben en je mannetjes achterna moet loopen? Je zorgt dat je menschen op tijd aan het werk zijn, versta je me?
Ze zijn aan het werk mijnheer.
Zoo? En wat doet die bangsat dan nog om dezen tijd op het pad?
Djojo was weer stil blijven staan. Ik ben geen bangsat!
Juist trad de hoofdmandoer tusschen de boomen vandaan. Tegen wien zet jij zoo’n grooten mond op, asoe, die je bent! Meteen sloeg Sarmin zijn vuist met volle kracht op Djojo’s mond. Daar babi, daar ellendeling, nóg een, nóg een. Zijn vuis-
14 Deli planter

ten hamerden op gezicht en schouders van Djojo. Hónd die je bent, ik zal je leeren om brutaal te zijn. De donkere oogen van Sarmin flikkerden van drift. Opnieuw sloeg hij ’r op los.
Hou op Sarmin. Schei uit, ’t is genoeg!
Djojo ging zitten en veegde met z’n kain den bebloeden mond af.
Ga aan je werk, snauwde Sarmin hem toe.
Tida mahoe, ik wil niet!
Dat was te veel voor den Madoerees. Een snellen greep in z’n gordel en een vlijmscherp mes glinsterde in de hand van den hoofdmandoer.
Nog juist zag ik kans om Sarmin bij zijn pols te grijpen.
Ga terug Sarmin! Terug zeg ik je! Lós dat mes!
Zoo! Amatdjoehari breng jij Djojo naar de pondok. Sluit ‘m op en wacht tot ik kom.
Sarmin, loop met mij mee, hier dezen kant uit. Vooruit, kijk voor je en laat dien schoft maar gaan.
De gelaatskleur van den hoofdmandoer was afwisselend grauw en wit. Het duurde geruimen tijd voordat ik hem gekalmeerd had.
Hier heb je je mes terug, ik eisch van een hoofdmandoer dat ie zich voortaan weet te beheerschen.
Die kerel heeft me al dagen lang geërgerd, mijnheer. Amatdjoehari schijnt ’m niet aan te durven, maar het zal lang duren voordat-ie mij bang maakt. Ik ben een orang-madoera!
‘t Kanmeniets schelen wat je bent, als je er maar rekening mee houdt dat ik geen moordperkara’s op de onderneming wil hebben. Jij als hoofdmandoer moet kunnen handelen zonder mes of parang. Heb je me begrepen?
Jawel mijnheer.
Ik zal Djojo naar den controleur opzenden en als-ie uit de gevangenis komt moet-ie bij mandoer Dj oemat werken.
Ben je vanmorgen al bij het moeras geweest?
Ja, ik heb Djoemat met 22 man aan het werk gezet om een afvoer te maken.
Is het diep?

Op sommige plaatsen een meter, op andere plaatsen hebben we een zes meter lange bamboe geheel in den modder weggeduwd, zonder vasten grond te raken.
Een helling afgaande stonden we voor een groote vlakte waar een dichte massa waterplanten welig tierde.
Een ondoordachte stap op dezen verraderlijken bodem beteekende een wissen dood. Meters diep lagen hier de rottende planten en boomresten. Eeuwen lang had zich hier het regenwater verzameld. In den onberoerden schoot was geen leven. Slechts mufriekende dampen en gassen borrelden omhoog. Dofgrijze bellen kleefden tegen de stengels der moerasplanten. We volgden den rand van de rawah, totdat we bij het werkvolk kwamen.
De koelies stonden tot het middel, enkelen zelfs tot aan de borst in den kwalijk riekenden modder. Met de tjankol werkten zij de planten en wortels zijwaarts, zoodat een breede geul ontstond waar het water zich in kon verzamelen. Hierna moesten talrijke kleinere parits worden gemaakt die in vischgraatvorm op den hoofdafvoer uitliepen. Het droogleggen van het moeras kostte veel geld, doch zóó kon het niet blijven liggen, ’t Zou een muskietenkweekplaats zijn en de malariagevallen op de onderneming met 80% verhoogen.
De zon brandde fel op de halfnaakte koelies. Hun lichamen waren bedekt met den grijsgelen opgespatten modder. Djoemat! Daar zitten weer twee kerels van dat smerige water te drinken! Snap je niet dat daar buikloop en dysenterie van moet komen ? Waarom nemen ze geen thee of water van huis mee?
Dat hebben ze allemaal gedaan mijnheer, maar zoo’n flesch is voor achten al op.
Sarmin, zorg dat van morgen af bij iedere ploeg een man wordt aangewezen om den geheelen dag door thee te koken. Ik wil niet meer zien dat die kerels zoo maar uit den parit drinken. Ga jij nu maar naar het boschkappen, dan zal ik even met Djojo afrekenen.
Wil ik liever meegaan mijnheer!

Nee, doe maar wat ik je gezegd heb.
Halverwege de koelieverblijven kwam Amatdjoehari me al tegemoet loopen.
Djojo is weggeloopen, het bosch in, de richting uit van Goenoeng-Ampat.
Alleen het bosch in? Dan maakt-ie een goede kans om door een tijger te worden aangevallen. Had jij hem niet kunnen tegenhouden? Je bent immers zoo’n flinke vent?
Ik heb ’m…
Dat zal wel ja, je hébt wat. Enfin hij zal op Goenoeng-Ampat wel worden opgepikt dan kan ie meteen den pot in. ’k Zal straks bericht sturen.
Ga jij nu maar naar je werk terug en probeer eens wat meer prestige te krijgen.
Langzaam liep ik den weg op naar mijn hut. Mijn beenen waren zwaar als lood. Een ongekend loom gevoel doordrong m’n geheele lichaam.
Opzij van de hut stond Oeni. Uit een emmer schepte zij met een houten napje kleine schepjes water en gooide dit over het hoofd. Het lange golvende haar hing tot over haar middel. De kain was onder de armen geknoopt en plakte tegen haar lichtbruine huid, zoodat Oenie’s slanke figuur niets meer te raden overliet.
Het water uit mond en neus proestende, draaide zij zich naar mij om.
Tabéh toewan. Uw eten staat al op tafel.
Breng me eerst even een flesch koude thee, ’k heb dorst. Waar is Mioen?
Naar de kedeh, rijst en ketjap halen.
Mijn hoed en stok op de kast gooiende liet ik me in den dichtstbij staanden stoel neervallen. Hè, hè, eerst eens uitblazen. Pfff, wat een hitte.
Oeni ontkurkte de flesch en liet de troebele thee in een glas loopen.
Waarom maak je je haar niet op voordat je hier binnenkomt, schaam je je niet ?

’t Is nog zoo nat mijnheer.
Hoe kom je aan die vischjes?
Die heeft Mioen in de rivier gevangen. Ik heb ze voor U gebakken.
Zeker met klapperolie ? Neem maar weer mee naar achteren. Ik moet ze niet. Wacht even, trek eerst even m’n schoenen uit. Kun je een tin comedbeef openmaken?
’k Heb het nog nooit gedaan, maar ‘k wil het wel probeeren. Laat maar. ’k Zal het zelf wel doen.
Na een weinig van de droge rijst te hebben gegeten was ik blij nog een uurtje op m’n bed te kunnen gaan liggen. Ik was moe, doodmoe.
Een heete luchtgolf drong tusschen de wandopeningen door. De temperatuur werd steeds hooger. Het leek wel of ik in een bakkersoven logeerde. M’n oogleden waren zwaar en toch kon ik den slaap niet vatten, ’t Was waarschijnlijk te warm. Buiten de hut klonk opeens een regelmatig, dof geluid. Oeni maakte zich verdienstelijk met paddi te stampen. Elke bons van het neerploffen der houten lesoeng in het uitgeholde blok, dreunde door mijn hoofd.
Hé Oeni, halve idoot, schei uit met dat lawaai. Je lijkt wel gek. Juist was ik zoo half ingedommeld toen op de deur werd geklopt.
Half twee mijnheer.
Al weer tijd. Oh, wat was ik nog moe. Wat had ik toch?
Oeni bracht een kop koffie binnen.
Is Mioen d’r niet?
Nee, hij is nog niet terug. Natuurlijk weer aan het dobbelen. Hoe kom je erbij? Mioen dobbelt niet!
Eh èh toewan, dobbelt Mioen niet ? Vroeger niet, dat is waar. Tegenwoordig verspeelt-ie alles wat-ie heeft. Mijn gouden kondeh-speld en mijn zijden sarong heeft-ie ook al verloren. Zóóóó? Zoo’n ouwe gladdakker!
Ja, betoel mijnheer, een ouwe gladdakker, tjsie!
Tut tut tut, mag jij dat van je man zeggen ? Laat-ie ‘t maar niet hooren.

’t Kan me niets schelen. U moest ’m maar wegjagen dan zal ik wel voor U koken en wasschen. Ik blijf graag bij U, ging ze verder en zette hierop alle zeilen bij om een zoo verleidelijk mogelijke pose aan te nemen.
Heel aardig van je bedacht Oeni, heel aardig. Ga jij nu maar als de deksel den boel hier wat opruimen en m’n schoenen witmaken.
Jasses, wat is dat voor een smaak aan die koffie? ’t Is modderwater met een beetje suiker en veel rook. Breng me maar een flesch koude thee.
Die smerige rooksmaak zat overal aan. Hoe kon het ook anders. Een keuken was er niet. Mijn eten en drinken werd op een houtvuurtje tusschen een paar riviersteenen klaar gemaakt. Kwart voor twee. Eerst maar even.de koeliewoningen inspecteeren. Wanneer daar geen streng toezicht op werd gehouden, vervuilden de toch al miserabele hutten zoodanig, dat een epidemie niet kon uitblijven.
In een greppel, half gevuld met weggeworpen waschwater, speelde een tiental naakte kinderen. Hun haren en gezicht waren besmeurd met modder.
Bij mijn komst namen allen de vlucht. Als een opgejaagde troep spreeuwen stoven zij alle kanten uit en schoten de hier en daar openstaande deuren binnen.
Een paar slonzig gekleede vrouwen kwamen naar buiten, onder het loopen het loshangende haar in een wrong knoopend. Tabeh toewaahan.
Waar is de pondokwaker? Roep hem hier!
Joessoep! Joesoep! Toewan panggil!
Wat voer je hier feitelijk zoo’n heelen dag uit?
Vegen mijnheer.
Vegen? Wat veeg je dan? Kijk zoo’n parit eens!
Daar zit loempoer in.
Ja, dat zie ik verdomme ook wel, maar d’r mag geen modder in zitten, ’t Is je reinste muskietenfokkerij. Haal je tjankol en maak dien smeerboel schoon. Voortaan kom ik iederen middag de pondok nakijken en pas op als ’t er weer zoo uitziet.

Saja toewan.
Wat is dat daar voor een herrie? Wat gebeurt er?
O, dat is Kasidja. Ze moet bevallen. Van gisteren af is ze zoo al aan ’t schreeuwen.
Waar is die kamer, breng me erheen!
In een donkere ruimte lag een vrouw op den grond. Aan iedere zijde zaten drie vrouwen alle kunstgrepen toe te passen die in haar oog den kwaden geest op den vlucht moesten jagen en hierna de voorspoedige ( ?) bevalling zouden bevorderen… Schei uit met dat schreeuwen Kasidja, dat helpt toch niet. Wie is de doekoen hier?
Ik mijnheer.
Jij ? Mooie doekoen, smeerpoets dat je bent! Zie je kans om die vrouw te helpen?
Misschien wel. ’t Wil niet goed gaan omdat ze gisteren in den put bij het bosch heeft gebaad. Daar zit een geest die op zwangere vrouwen loert.
Hoe heet je?
Ma Inten.
Heb je dat werk meer gedaan?
O, wel duizend maal, vroeger op Java.
Goed. Laat één van die vrouwen je dan helpen en de rest de deur uit. Opgehoepeld en gauw wat asjeblieft, ’t Is hier om te stikken. Laat dien geest nu maar verder met rust, je vermoordt dat mensch op die manier.
Ik moest de verlossing verder aan de zgn. deskundige overlaten. Wanneer zooiets een normaal verloop had, waren zij wel van eenig nut, doch op een afgelegen onderneming als Sèlat, waar de dokter onmogelijk kon komen, moest iedere complicatie een doodelijk gevolg hebben.
De maatschappij zorgt voor uitstekend ingerichte hospitalen en verzekert zich van bekwame doktoren. Gratis geneeskundige hulp staat iederen koelie ten dienste. Wanneer zoo’n zwangere vrouw zich tijdig in het ziekenhuis laat opnemen, heeft zij alle kansen dat zij met een gezond kind weer op de onderneming zal terugkeeren.

Maar de javaan is bang voor de Europeesche genees- en heelkunde. De onzinnigste verhalen over den blanda-dokter zijn diep ingeworteld. Het bijgeloof speelt hierin een heel voorname rol en honderdmaal liever vertrouwen zij zich aan een kwakzalver toe, dan zich in handen van een Europeaan te stellen. Iedere blanke dokter heet „toekang potong” d.w.z. opensnijder. Zoo’n toekang potong maakt je eerst dood, vervolgens snijdt-ie met een scherp mes aan je ingewanden, naait je weer dicht en… maakt je dan weer levend.
Ik ging maar naar mijn werk. Helpen kon ik hier toch niet. Wat was je als rubberassistent feitelijk nog meer? Politieagent, rechter, ambtenaar van den burgelijken stand, boeman voor de kinderen (als de koeliekinderen lastig zijn roept de moeder „Pas op, daar komt de toewan aan”) en nu bleek dat een opleiding tot baker mij van veel nut zou zijn geweest. Sarmin stond reeds op mij te wachten. We moesten het terrein, dat in de komende week gekapt zou worden, in oogenschouw nemen.
We kunnen dit riviertje wel volgen, mijnheer, ik geloof dat het in de buurt van het moeras uitkomt.
Hè, wat heerlijk koel hier. Prachtig toch zoo’n ongerept oerwoud. Van het ontstaan der wereld af had vóór ons nog niemand hier een voet gezet. Welk een machtige plantengroei. Geweldige stammen, kaarsrecht en van enormen omvang stonden dicht op elkaar. Hun kruinen waren inééngegroeid, zoodat een dicht looverdak elk zonnestraaltje buitensloot. Tusschen de takken gluurden verscheidene kleine apekopjes. Hevig krijschten zij tegen de indringers, watervlug heen en weer springend en wel zorg dragend om op eerbiedigen afstand van die vreemde wezens te blijven.
Een oude aap, zeker de leider van het talrijke gezelschap, legde een grooter vrijmoedigheid aan den dag. Waarschijnlijk verzette zijn verantwoordelijkheidsgevoel en zijn trots zich tegen een vlucht. Hij was niet gemakkelijk te bewegen om zijn heil in hoogere verdiepingen te zoeken, waar de kleinere beestjes zich nu angstig, doch erg nieuwsgierig hadden verzameld.

Sarmin trok zijn parang en sloeg ermede tegen den stam van den boom.
Hush, hush!
Luid grommend en steeds omkijkend retireerde het ongure dier. Langzaam en hautain. Zijn witte snorharen stonden recht vooruit. De opgetrokken lippen lieten een rij groote gele tanden bloot.
Met een gewaagden sprong bereikte de mannetjesaap een dikken tak en voelde zich op die aanzienlijke hoogte volkomen veilig. Hevig verontwaardigd het hij zich op de voorpooten doorzakken en stootte snel achter elkaar diepe keelgeluiden uit. Schiet U hem met Uw revolver!
Welnee, waarom? Laat ’m maar brommen. Kom we gaan verder. Nauwkeurig namen we het terrein op. Gelukkig! geen moerassen meer. We beschreven een grooten boog en kwamen na een uur op de plaats waar mandoer Djoemat werkte. Velen van zijn koelies waren gereed en zaten te wachten totdat hun dagtaak zou worden nagezien. Hierna konden zij naar huis gaan. Mandoer na mandoer werd geïnspecteerd. Hier en daar moest een slordig afgewerkt gedeelte over worden gedaan. Dat was een tegenvaller voor den betreffenden koelie, maar een goede leer om voortaan behoorüjker werk te leveren. Over het algemeen vlotte alles uitstekend. De mandoers begonnen door te krijgen hoe ik het wilde hebben.
De feüe stralen der zon verzengden en verdorden het gevallen hout. Wanneer deze droogte nog wat aanhield zouden we spoedig kunnen branden. Tegen den avond begon ik me weer loom te voelen. De rijst smaakte me niet, maar drinken deed ik des te meer.
De thermometer gaf 38.9 aan. Nu was ik er zeker van dat de malaria mij te pakken had. ’t Was of er zoo nu en dan een straaltje ijswater over m’n rug liep. Desondanks was ik drijfnat van het transpireeren.
De koorts liep snel op. Ik voelde me te lam om verder te temperaturen. Het kleine blikken petroleumlampje verlichtte flauwtjes het inwendige der hut. Het flakkerend schijnsel be-

reikte niet eens de hoeken.
Mijn hoofd gloeide en bonsde, ’t werd met de minuut heviger. Door het te groote aantal kininepillen dat ik had ingenomen, suisden m’n ooren alsof er een orkaan in woedde.
MioenL. Mioen!
Geen antwoord.
Oeni!
Natuurüjk hadden zij van mijn vroeg naar bed gaan gebruik gemaakt om naar de pondok te eclipseeren. Hoe kwam ik nu aan drinken? M’n keel schroeide en brandde van dorst. Honderd maal gooide ik me om, woelend en draaiend op het door en door getranspireerde laken. Half versuft legde ik mijn hoofd op den houten bedrand.
Uit den donkeren hoek tegenover mij gloeiden plotseling een paar oogen op. Ik staarde er naar en zag nu duidelijk de omtrekken van den grijnzenden mannetjesaap van hedenmorgen. Zijn gele tanden dreigden tusschen de overhangende snorharen. Ik trachtte te roepen, maar kon geen geluid voortbrengen. De glinsterende oogen begonnen nu snel rond te draaien. Dat was mooi. Net vuurwerk. Sneller en sneller cirkelde deze gekleurde vonkenregen. Zonnetjes noemden we dat vroeger. Vuurwerk op Koninginnedag!
Wacht even Willy, laat mij deze aansteken. Los nou, ’t zijn mijn lucifers.
Hoera! Vuurpijlen. Rood, geel, groen…
Boem. Boem. Oh, mijn hoofd! Nu is het donker. Ik val… Oh… Mioen! Mioen!
De bamboedeur werd opengestooten. De boy kwam haastig binnen.
Wat is er mijnheer? Waarom riep U?
Mijn wekker stond op half twee. Had ik gedroomd? God wat voelde ik me akelig.
Breng me wat koude thee. Zijn er nog schoone lakens?
Neen mijnheer, Oeni heeft ze in het water gezet.
Ik had dus geslapen. Maar hoe! Een droge pyjama was er nog

wel. Weg met dien kletsnatten boel. Nu mijn hoofdkussen omkeeren. Jasses, deze kant is al net eender. Wat een wonder, ’k had het ook al zesmaal omgedraaid. Wacht eens, de matras omgooien. Vort met dat laken, beter geen dan zoo’n kletsnat vod.
Stomme Mioen om geen glas mee te brengen. Enfin, dan maar uit de flesch drinken. Bah, wat een smaak! Niet eens een beetje behoorlijk drinken. Wat een leven hier. In geen jaren had ik zoo naar huis verlangd als nu. Mijn hoofd gloeide nog even erg. Opnieuw brak het zweet me aan alle kanten uit. Maar weer twee pillen innemen.
Daar lag ik nu. Hulpeloos aan mijn lot overgelaten. God, God, wat een toestand! Wat konden ze zich in Holland voorstellen van het leven in de rimboe!
Oh, mijn hoofd, mijn hoofd…
Was dat Huug? Wat zeg je…? Volhouden? Jazeker, ik zal volhouden.
Verrek kerel, huil je… ?
Waarom doe je die lamp nu uit…? Rens, gekke bliksem… ha, ha, ha!
Dichte rookmassa’s stegen uit het dorre hout omhoog, dwarrelend en kringelend tot één ondoorzichtbaar gordijn samenvloeiend en den anders zoo helder blauwen hemel verduisterend, alsof de zon reeds lang geleden was ondergegaan. Loeiend grepen de hoogopschietende vlammen om zich heen, alles verterend en vernielend wat onder bereik kwam. Als roode duivels wierpen zij zich op de stammen en takken, welke nog kort geleden het machtige, levende oerbosch hadden gevormd.
Onafzienbaar was het thans zwartgeblakerde terrein. Hier en daar smeulden nog de houtresten en gloeiden enkele stammen na, die zich tot het uiterste hadden verzet tegen den overmachtigen vijand. Langzaam tot asch verpulverend, hadden zij den ongelijken strijd moeten opgeven.
De eerste aanval was geslaagd. Nu volgde het uitroeien van het

eeuwenoude wortelnet dat zich voeten diep onder de humuslaag bevond.
Ieder houtrestje kon de gevreesde schimmel op de heveawortels veroorzaken. Gelijktijdig met het omwerken van den vruchtbaren grond werden de kiem- en kweekbedden aangelegd. Het boschkappen moest echter met hetzelfde tempo doorgaan. Meer volk aanvragen was dus de eenige oplossing. De baas was zich in het geheel tweemaal van de vorderingen in de ontginning komen overtuigen. D.w.z. hij had zich na de vier uren lange wandeling de kaart en de rapporten laten voorleggen. Verder dan m’n hut was-ie niet gekomen. Ik kon me wel indenken dat hij, met het vooruitzicht op den terugmarsch er weinig voor voelde om het werk in oogenschouw te nemen. Door zijn bekende zwijgzaamheid kon ik ook niet weten dat hij zich niet bijzonder meer voor S&lat interesseerde. Dit werd me eerst duidelijk toen ik eenige dagen na zijn inspectie het bericht van de hoofdadministratie kreeg dat mijn chef het beheer over Goenoeng-Ampat zou neerleggen en met ingang van den eersten zou worden opgevolgd door den heer Keppel.
Hoe was dat nu weer mogelijk? Een tabaksadministrateur! Eerst een manager die de leiding van de onderneming aan zijn assistenten overliet en nu weer een administrateur die geen doerianboom van een rubberboom kon onderscheiden.
Het was waarachtig geen wonder dat booze tongen hier reeds lang beweerden dat deze „enormiteiten” tot het plan behoorden om met opzet de maatschappij naar den afgrond te voeren. Misschien politiek om straks de kelderende aandeelen voor een tiende van hun oorspronkelijke waarde op te koopen en na het ontslag der oude „dure” pensioengerechtigde employé’s, opnieuw met jong „goedkoop” menschenmateriaal te herbeginnen.
De tijd zou het leeren.
Ik kende den heer Keppel en had, bij de enkele malen dat ik hem ontmoette, zijn overdreven vriendelijkheid genegeerd. Men wist dat hij zich langs de ruggen zijner collega’s naar boven had gewerkt. Het was ook bekend dat hij door deze

tactiek nog veel meer zou bereiken.
De tabak had hij onder de knie. Nu nog een klein overzicht van de rubbercultuur en ziedaar, een hoofdbaas in den dop. Indien de booze tongen gelijk hadden, moest de maatschappij zich tijdig voorzien van een hoofdadministrateur met een „ruim” geweten.
De „glimlachende hyena” werd-ie in de tabak genoemd. Goed vooruitzicht! Waarom werden de rubberassistenten weer gepasseerd? Hartman en Heerema hadden gezegd „wij zijn afgeschreven” en ze bleken wel gelijk te hebben. Toch was ik ervan overtuigd dat deze benoeming als een koud stortbad ontvangen zou worden.
Neen, voor de rubberassistenten was bij ons geen kans meer. Ane de Graaf had eenige jaren geleden heel verstandig gedaan met z’n ontslag in te dienen. Hij had de bui niet afgewacht. Voor ongeveer zes maanden had hij me in Medan lachend verteld dat hij administrateur was geworden op een goed produceerende kebon, in Atjeh.
Onze baas ging dus repatrieeren. ’t Werd tijd! GoenoengAmpat had hem geen windeieren gelegd. Over het afgeloopen jaar had hij ruim 34 duizend gulden aan tantièmes ontvangen. Ik herinnerde me nog heel goed hoe Huug me langgeleden voorrekende hoe het kwam dat een administrateur met 6% van zijn onderneming heel wat beter af was dan de assistenten, die 10% van de winst der maatschappij konden verdeelen.
Oh, zeker, de mogelijkheid bestond dat de tabak eens bij toeval gedeeltelijk gelukte. Dan kwamen wij aan de beurt. In mijn twaalfjarige loopbaan was dit echter slechts driemaal voorgevallen.
Van mijn totaal verdiende 6400 gulden tantièmes had ik de schuld uit de eerste jaren moeten betalen. Gelukkig was deze niet zoo groot of ik had nog geld overgehouden om een paard en wagen te koopen en mijn moeder in haar benarden financieelen toestand bij te springen.
Daarmee was het dan ook finaal op geweest.
Mijn vader was drie jaax geleden gestorven en van m’n zuster

had ik pas een brief ontvangen dat moeder erg oud begon te worden. Ik behoefde me niet ongerust te maken hoor, werkelijk niet, maar met zoo’n leeftijd hè,…
Ook dat bracht het leven hier mee. Eerst geruimen tijd nadat het dierbaarste wat je bezit, aan den koelen schoot der aarde was toevertrouwd kreeg je bericht dat vader of moeder ernstig ziek waren, om eenige dagen hierna te moeten vernemen, dat een van hen voorgoed was heengegaan.
Omdat het een telegram was, werd zoo’n tijding je per extra bode op het werk toegezonden.
Dan kon je even voor je uitstaren in de nevelige verten, doch onmiddellijk daarop eischte je werk weer je volle aandacht. Een opkomende traan werd onderdrukt. Hier heerschte discipline, geen zwakheid.
Met Jaap vlotte het ook niet al te best. Hij was reeds bij zijn vierde maatschappij. In twee gevallen was het z’n eigen schuld geweest dat hij werd ontslagen. Hij kon z’n mond niet houden, zoo min als Giesen. Zijn derde maatschappij bestond uit drie kleine rubberkebons, welke het grootste gedeelte van het jaar onder water stonden, doordat zij aan de lage zeekust lagen. Daar had hij malaria, typhus en dysenterie gekregen. Drie ernstige ziekten na elkaar. Op doktersadvies was hij er toe overgegaan om bij de vierde maatschappij te solliciteeren. Door dat steeds veranderen, had hij nog geen cent buiten z’n salaris verdiend.
De laatste maal dat ik hem had ontmoet, was ik geschrokken van zijn veranderd uiterlijk. Zijn vroegere frissche kleur was in fletsgeel overgegaan. Ook was het me opgevallen dat hij aanhoudend kuchte. Zijn gezondheid had hier wel een gevoeligen knak gekregen. Op zielige wijze had hij getracht z’n ouden schertstoon weer aan te slaan en zich onverschillig voor te doen. Zijn ze jouw villa in Aerdenhout al aan het bouwen, hadie gevraagd.
Veertien dagen vóór de heer Lemmers zou vertrekken, kwam deze met zijn opvolger naar S&lat om ook die onderneming over te geven. Ik behoefde niet te worden voor-

gesteld. We kenden elkaar…
Joviaal schudde hij mij de hand. We zullen het samen wel vinden, hè?
En is dit Uw huis? Jonge, jonge wat een keet. We zullen spoedig verandering in brengen hoor! Mijnheer Lemmers vertelde me juist dat van Goenoeng-Ampat af met den nieuwen weg is begonnen. Is U van hier af ook al bezig?
O, ja, ongeveer drie kilometer is gereed.
Kijk eens aan, dan zult U niet zoo heel lang meer geïsoleerd zitten. Als de weg klaar is, zullen we meteen een telefoon aanleggen en een huis bouwen. Zullen we nu het werk eens gaan bekijken ?
Ongeveer twee uur lang werd alles nauwkeurig nagegaan.
Een mooi stuk werk, mijnheer Reeder, werkelijk, een mooi stuk werk. En wat beteekenen die zandbedden daar?
Dat zijn kiembedden.
Kiembedden? Op zand?
Ik keek even naar den heer Lemmers om wiens mond een flauw glimlachje speelde. Hij antwoordde voor mij.
Jazeker Keppel, wat dacht je anders, in het vochtige zand ontkiemen de zaden en dein worden ze naar de kweekbedden overgebracht.
Oh juist, natuurlijk, dat is duidelijk, ’k Dacht er niet zoo gauw aan.
We hebben er op gerekend dat hier wel niet veel eten te krijgen zal zijn, kunnen we bij U onze boterham opeten ?
Mioen had haastig zijn jas met gerafelde mouwen aangetrokken. ’t Viel me nu ook op dat Oeni wel eens gelijk kon hebben en dat de boy z’n geld vergokte. Hij begon er zeer verwaarloosd uit te zien.
De heer Keppel keek eens rond en zag Oeni op de baleh-baleh zitten.
Aardig kind. Is dat Uw huishoudster?
Nee, t is de vrouw van m’n huisjongen. Over drie jaar ga ik met verlof, tegen dien tijd is SÈtlat wel bewoonbaar en hoop ik een Europeesche vrouw mee te brengen.

Hm. Trouwplannen ? U moest maar liever als meneer Lemmers doen. Eerst baas worden en dan met een bom duiten naar Holland gaan. Eerst dan is het de juiste tijd voor een planter om aan een huwelijk te denken.
Jawel, alsof dat baas worden alleen van mijzelf afhangt. Als ik naar mijn oudere collega’s kijk heb ik waarachtig niet veel hoop.
Dat is een heel andere kwestie, dat weet U zelf ook wel. Die hebben het aan hun phantastisch gezwam te danken dat ze bij de directie in discrediet staan. Ze hadden indertijd beter hun bek kunnen houden.
Doet U me een genoegen, mijnheer Keppel, en laten we dit onderwerp laten rusten..
Willen we eens opstappen Lemmers, ’t Is nog een heele wandeling. U neemt het me niet kwalijk mijnheer Reeder dat ik die thee laat staan ?
In ’t geheel niet. Heeft U nog bijzondere instructies of kan ik zoo voort blijven gaan?
Mijnheer Lemmers is hier nog de baas, maar ik zou zoo zeggen gaat U op denzelfden voet door. We zullen later nog wel een en ander bespreken. Dat was een goed begin. Ik had me nu al moeten inhouden. Bah, wat flapte-ie er alles maar uit. „Ze hadden beter hun bek kunnen houden.”! Bah, wat een vent. Als ik dit eens aan de collega’s op Goenoeng-Ampat overbriefde? Hartman, Koos en niet te vergeten de openhartige Rensema zouden vuur spuwen. In ieder geval had ik nog kans op promotie en deed verstandig om me kalm te houden.
Het liep tegen den avond. Mijn koorts begon weer op te zetten. Kinine, steeds weer kinine. Je werd er op den langen duur wel slap van, maar daar was nu eenmaal niets aan te doen. Zonder medicijnen ging ik er zeker aan. Juist was ik ingeslapen toen ik werd opgeschrikt door een hevig geschreeuw uit de bediendenkamer. Oeni krijschte als een boschvarken.
Met een sprong was ik uit m’n bed en rende naar achteren. Met mijn schouder drukte ik de deur open en zag Oeni op den grond liggen. Mioen had met volle hand in het weelderige loshangende

haar gegrepen en schopte haar uit alle macht.
Met m n vuist sloeg ik hem tegen de borst zoodat hij achterover tegen de bamboe dinding tuimelde en in elkaar gedoken bleef liggen.
Oeni gilde nu nog heviger.
Hou je stil, schreeuwleelijk, stel je niet zoo aan. En jij binaf®ns» je bent zeker pas thuis gekomen en hebt al je centen vergokt, asoe!
Ja mijnheer, krijschte Oeni, en nu wil hij m’n laatste kaïn ook nog hebben om te verspelen. Lah Ilah lah laaaaah!
Gil verdomme niet zoo, soendel loe! Hou je smoel, lonté!
Ze liegt mijnheer. Ik ben bij Rawan op bezoek geweest, u kimt het aan mandoer Kardi vragen. Ze heeft den geheelen dag geen rijst voor me willen koken.
Dat is nog geen reden om d’r halfdood te slaan, babi loe.
Ze houdt het ook met mandoer Sidik, ’k heb het juist in de pondok gehoord.
Gelijk heeft ze. Wat dacht jij nou met je gammele karkas, ouwe gek. Je vergokt je duiten en dan wil je haar op den koop toe nog bestelen! Denk er aan, als ik nog een kik hoor, ransel ik jullie allebei kapot, tuig!
Als het toch niet altijd wat anders was, nu dit weer. Fijne nachtrust. Den volgenden dag onderhield ik Mioen nog eens ernstig over z n wangedrag. Als hij dan toch niet om z’n vrouw gaf, konden ze beter van elkaar gaan.
Daar wou Mioen niets van weten. Hij hield erg veel van Oeni, maar vrouwen moesten op tijd een pak slaag hebben, net als de kleine kinderen.
Eenige dagen later, ’s morgens om half zes uit mijn huis komende, zag ik Djojo voor de deur zitten. Hij was uit de gevangenis ontslagen en kwam nu z’n briefje inleveren.
Ik hoop dat je verstandig bent geworden en voortaan beter zult werken.
Jawel mijnheer.
Nou, schiet dan maar op. Straks kom ik wel eens naar je werk kijken.
15 Deli planter

Ik wil een dag permissie hebben!
Wat zeg je? Ik wil een dag permissie? Ik wil? Je krijgt géén dag vrij om te luiwammessen. Ga weg!
Djojo bleef met gebogen hoofd rustig zitten en teekende met een vuilen vinger streepjes in het zand.
Heb je me verstaan Djojo? Je kunt naar je werk gaan!
Mijn bijl is weg.
Vraag aan den mandoer een andere.
Ik heb geen rijst meer, zonder eten kan ik niet werken.
Dat Heg je. Je hebt je portie ontvangen, evenals de andere koehes. En nou opdonderen asjebheft. Erger me niet langer. Wat doe je met dat mes in je gordel. Weet je niet dat je dat als contractant niet moogt dragen?
Geef op dat mes!
Hoor je me niet ? Geef óp dat mes!
Treiterend langzaam stond Djojo op en het mes uit den gordel nemend, deed hij alsof hij ‘t me wilde overhandigen. PlotseHng dook-ie omlaag en snel schoot zijn rechterarm in de richting van mijn buik.
Ik kon nog juist achteruit springen en voor Djojo uit zijn gebukte houding was opgekomen om z’n tweeden aanval te wagen, kwam mijn loodzware rotanstok op z’n blooten schedel neer. Een wee gevoel steeg naar mijn keel toen ik het been hoorde kraken.
Djojo zeeg neer, zonder geluid te geven. Het mes viel uit z’n hand. Een grauwe bleekheid overtoog het ongunstig gezicht. Na enkele rillingen bleef het Uchaam roerloos Hggen. Godallemachtig! Dood! Achteruit wankelend greep ik me aan den deurstijl vast. Onafgebroken staarde ik naar het voor mij Hggende Hchaam. God, oh God, wat nu?
In m’n angst riep ik zijn naam. Djojo, Djojo!…
Geen antwoord…
Was dit nu het einde van mijn loopbaan? Zou al het tobben en ontbering Hjden voor niets zijn geweest ? Als een angstwekkend monster met gapenden muü zag ik de gevangenispoort voor

mij opengaan. Moordenaar! Juist kwam Mioen om den hoek. Wah… apa itoe? Heeft meneer hem doodgeslagen?
’k Weet het niet. Haal gauw den hoofdmandoer hier. Lekas! Trillend op m’n beenen ging ik de hut in en liet me geheel van streek op een stoel neervallen. De minuten geleken uren. ‘k Had op dat moment alles willen geven om het gebeurde ongedaan te kunnen maken. Buiten lag Djojo. Verslagen…! Dood…! Eindelijk hoorde ik de stem van Sarmin. Hij knielde naast het vooroverliggende lichaam en zonder de minste aandoening draaide hij Djojo op den rug. Een dun straaltje bloed liep uit den schedel.
Is hij dood Sarmin?
Nee, jammer genoeg niet. Kijkt U maar, in z’n borstholte tikt het.
Goddank! — ik was dus geen moordenaar! Djojo leefde. De reactie greep me echter zoo aan dat ik hevig begon te beven. Mioen overhandigde mij een kom water, welke ik morsende leegdronk.
Twee volle uren bleef Djojo bewusteloos en eindelijk, na een trilling in de oogleden, slaakte hij een zucht en opende langzaam de oogen.
Onmiddellijk knielde Sarmin naast hem neer.
Heb jij mijnheer aangevallen? Hé, geef me antwoord, hondenkind, heb jij mijnheer aangevallen?
Geen antwoord. Verward keek Djojo rond.
Laat ’m nog even met rust Sarmin, hij is nog suf.
Het water dat Mioen hem tusschen de lippen goot, liep langs de mondhoeken weer weg.
Na enkele minuten greep Djojo naar z’n hoofd. Hij trachtte op te staan doch viel weer machteloos op zijn zijde. Adoe Pa!
Adoe Pa! Adoe Pa! bauwde de hoofdmandoer hem na. Bangsat loe! Tjoba la sekarang berani lagi la. Saja bikin mampoes loe. Toe, probeer nóg eens als je durft, ’k maak je kapot, ellendeling!
Soeda Sarmin, laat ’m nu maar met rust. Geef ’m nog eens wat water Mioen.

Na een kwartiertje was Djojo in zooverre hersteld dat hij door den pondokwaker gesteund naar z’n kamer kon terugkeeren. Ik gaf Sarmin opdracht om ’m een uur met rust te laten en ’m dan naar Goenoeng-Ampat te brengen. Vandaar zou-ie naar den controleur worden opgezonden om daar, in voorloopige hechtenis, zijn vonnis af te wachten.

HOOFDSTUK XVII
Eigenaardig is de uitdrukking „Kabar angin” of wel „Windbericht”. In dit geval had de wind waarschijnlijk ook weer voor het verspreiden van het zoojuist voorgevallene gezorgd. Op het werk aangekomen, voelde ik dat het nieuws reeds tot hier was doorgedrongen. Op andere dagen hoorde je altijd wel eenig geluid, als een commando van een of anderen mandoer of den roep om een stuk gereedschap. Nu was het doodstil. Schuw keek hier en daar een javaan op, om bij mijn nadering weer gauw zijn aandacht aan het werk te besteden.
Was deze stemming vijandig? Ik had een hunner danig onder handen genomen. Maar kalm m n gang gaan. In ieder geval had ik getoond dat er niet met me gespeeld kon worden. Sla d’r op, had Sjoerd me aangeraden. Het was wel op den juisten tijd en op den juisten lammeling geweest.
Djojo was bij zijn landgenooten niet geliefd, wel gevreesd. Wilde ik mijn gezag onder deze honderden onontwikkelde menschen handhaven, dan moest ik hardhandig optreden. Alleen daarvoor hadden zij respect. Ethisch verdwaasde idealisten, die den oosterling op een voetstuk plaatsen waarop hij zich onmogelijk kan thuisvoelen, geef ik den raad om eenige jaren de binnenlanden in te gaan en hun theorieën aan de praktijk te toetsen.
Amatdjoehari kwam glunderend op mij toe. Jammer dat mijnheer hem niet heelemaal heeft doodgeslagen, dan waren we voorgoed van ’m af geweest.
Dat zul je nu toch wel. Als-ie uit de gevangenis komt gaat-ie meteen naar Java terug, ’k Wil ‘m niet meer op de onderneming hebben.
Mag ik getuigen?
Wat wou je getuigen? Je bent er toch niet bijgeweest ?
Dat wel niet, maar ik kan zeggen dat hij een lastige bangsat is en in de pondok heeft gezegd dat hij U zou doodsteken.

Heeft-ie dat gezegd? Wanneer?
Een maand geleden en gisteravond weer.
En kom je me dat nu pas rapporteeren idioot? Waarom heb je dat niet eerder verteld?
Ik dacht dat Djojo wat opschepte.
Je bent een karbouw. Als ’t geval voorkomt moet je voor het gerecht precies vertellen wat je mij zooeven zei.
Het zou een berg soesah geven, daar kon ik op rekenen. In de eerste plaats de hoofdbaas. Waarom en nogeens waarom? Er moest toch een behoorlijk motief voor een aanval zijn? Had ik Djojo misschien gesard, of èh… geslagen? Enz., enz.
Dan volgde de rechter met zijn mild oordeel over het zachtste volk der aarde. Hij stond als zeer ethisch bekend. De planter was in zijn oog een koeliebeul, een bruut van de ergste soort. Enfin, we zullen maar afwachten en de zaken kalm onder de oogen zien. M’n geweten sprak me vrij van schuld en ten slotte was ik dankbaar dat alles zoo goed was afgeloopen. ’t Had ook anders kunnen zijn.
De koorts kwam dien avond in veel minder mate terug dan gewoonlijk. Toch kon ik moeilijk in slaap komen. Het gebeurde van hedenmorgen spookte steeds door mijn hoofd. Ieder oogenblik zag ik het grauwbleeke gezicht van Djojo weer voor me, en het dunne straaltje bloed dat langs het oor in z’n hals was gevloeid.
Honderd maal wierp ik mij om en om. Djojo was een soendanees en onder het volk waren veel van zijn rasgenooten vertegenwoordigd. Voorloopig maar goed uitkijken. Ooren en oogen openhouden. Vooral Sarmin moest de mandoers uithooren.
Door den mislukten aanslag scheen mijn prestige eenige punten omhoog te zijn gegaan. De hoeden gingen op veel grooteren afstand van het hoofd. Gewoonlijk zaten er iederen morgen eenige lijntrekkers voor mijn deur om een dag permissie te vragen. De een had buikpijn, de ander koorts. Steeds werden nieuwe listen toegepast om een dag vrijaf machtig te worden.

In de laatste week was er geen enkele zieke geweest. Merkwaardig hoe opeens de gezondheidstoestand was verbeterd. Niemand voelde schijnbaar lust mij thuis op te zoeken.
Het werk vlotte buitengewoon. De mandoers hadden geen last met hun menschen. Opmerkelijk was het, hoe gedwee en bereidwillig zelfs de grootste belhamels waren geworden. Sjoerd had gelijk, een goed pak slaag deed wonderen. Om de 15 meter stond een koelie te hakken. Voor en na plofte met donderenden slag een boom ter aarde. Wanneer de bijl zoover was gevorderd dat een kraken en trillen van den reus zijn val aankondigde, gaf de hakker een schreeuw, waarop ieder in de omgeving dekking zocht.
De richting waarin de boom zal vallen is wel ongeveer vooruit te bepalen, doch voorzichtigheid is te allen tijde geboden.
Het was voor mij, met het oog op het gebeurde van de vorige week, wel geraden om niet te veel te vertrouwen op den waarschuwingsschreeuw.
Bij mijn nadering kon er wel eens juist „toevallig” een boom vallen en het „Awas” per ongeluk te laat worden gegeven. Was ik dan zoo gehaat? Och neen, ik meende gerust te mogen aannemen dat het gros mijner koelies mij geen kwaad hart toedroeg, althans niets tegen mij had. Voor een billijk en beleefd gedaan verzoek had ik steeds een open oor gehad. Menige koelie was door mij uit z’n moeilijkheden geholpen. Het strenge optreden tegen ieder vergrijp werd me niet kwalijk genomen, dat waren zij van huis uit wel gewend.
In alle zaken had ik recht en billijkheid betracht. In Europa zou zooiets een zekerheidsgevoel geven, hier in het oosten mocht je er niet te veel op bouwen.
Had Djojo bijvoorbeeld niet alles aan zichzelf te wijten? Was het niet bij hem opgekomen dat ik zijn provoceerende houding niet kón accepteeren? Herinnerde hij zich niet meer, dat de driftige madoereesche hoofdmandoer hem indertijd zeker vermoord zou hebben wanneer ik niet tijdig had ingegrepen?
Zeer zeker wist hij dit allemaal, maar hij had nu eenmaal tegen zijn medekoelies opgeschept dat hij mijnheer zou doodmaken

en om in, .aanzien” te blijven, moest hij zijn woord gestand doen. Wat beteekende trouwens de gevangenisstraf die op een mislukten aanslag stond? Immers niets. Niemand zou er hem minder om aanzien. Integendeel! Je was geen volslagen koelie als je niet eenmaal met den landrechter en met de gevangenis had kennis gemaakt.
De straf bestaat niet in eenzame opsluiting, oh, neen, dat zou te erg zijn. Liefst met een twintigtal tegelijk zie je de heeren gestraften met een sigaretje in den mond achter handkarren aanzeulen. Op den openbaren weg door eenige ginnegappende oppassers geëscorteerd.
Op de onderneming moest in de brandende zon hard gewerkt worden en kregen zij slechts droge rijst te eten.
In de gevangenis wordt op ergerlijke wijze geluierd en eten zij ook droge rijst, maar de ethische richting heeft er wel voor gezorgd dat er zoo nu en dan een vischje, wat groente of een eendenei bij opgediend wordt.
De meesten beschouwen het als een soort vacantie en zien er werkelijk tegenop om straks weer de zware bijl of tjankol te moeten hanteeren.
In deze niet ongezellige verzamelplaats van misdadigers leert de een den ander en een leergierig individu kan hier veel opsteken. Het is verder zoo ontzettend moeilijk om een appelgroene landrechter van Kromo’s schuld te overtuigen. De koelie is wel zoo geslepen om direct aan het gebrekkige maleisch van den rechter te hooren, dat hij een nieuweling voorheeft. Hier valt op de westersche mentaliteit te speculeeren.
Dan hurkt hij neer en met een diepe sembah groet hij overdreven eerbiedig den „grooten heer”. Met zachte stem verhaalt hij van z’n goeden wil en ijver, doch zijn heer is altijd even hardvochtig.
De toewan zegt „perdom perdomme”. De toewan slaat, bij wijze van sport of tijdverdrijf.
De ethische rechter denkt zich in Kromo een kinderziel. Hij kan zich niet voorstellen dat dat fluisterende kereltje zoo onbeschoft kan optreden. Dat zoo’n beleefd en onderdanig neer-

hurkend ventje dagen en dagen achtereen kan tarten tot heimelijk vermaak van z’n kornuiten, die in spanning afwachten hoelang mijnheer dit zal verdragen, komt in z’n brein niet op en weigert hij eenvoudig aan te nemen.
Ho! Terug! Juist viel een zware stam krakend en brekend op tien pas afstand voor mij neer. Het was mijn eigen schuld dat ik te ver was doorgeloopen. De schreeuw had tijdig genoeg geklonken, doch mijn gedachten waren bij rechters en strafzaken geweest.
Tusschen de takken van den vallenden boom had zich een kleine zwarte aap bevonden, die zich tijdens het suizend neerstorten, met een acrobatischen sprong in veiligheid had trachten te brengen.
Te laat! De toegesnelde koelies kregen ’m te pakken en luid krijschend wrong hij zich tevergeefs in den vasten greep van een javaan.
Dat was een gelegenheid om de pijnlijk gespannen verhouding te breken.
Een siamang mijnheer. Wilt U hem hebben?
’k Vond het wel leuk om weer zoo’n diertje op te fokken. De aap van Huug was drie jaar geleden gestorven.
Kronkelend en bijtend trachtte het beestje zich los te werken, met angstige kraaloogjes mij aanziende alsof hij van mij redding verwachtte.
Ja. Breng jij ’m maar even bij mij thuis Pardi. Zeg tegen Mioen dat-ie een hokje moet maken en ’m niets anders dan rijst en pisang geeft.
Er was zoo weinig voor noodig om weer contact met het volk te hebben. Onder zoo’n massa menschen zijn natuurlijk veel slechte elementen, doch lang niet allen hebben een bedorven karakter. Van de meesten was ik absoluut overtuigd dat zij den aanval van Djojo afkeurden en indien zij er bij tegenwoordig waren geweest, mij zeker zouden zijn bijgesprongen.
Een maand later kreeg ik den verwachten oproep van den landraad.

De nieuwe voorzitter stond bekend als een zachtzinnig en verder niet weinig indolent mensch, die zijn naar Indië gaan dagelijks betreurde.
Met den ruwen planter kon hij al heel slecht overweg en hij had hiervan reeds enkele meden op ondubbelzinnige wijze doen blijken. Enfin, mijn geval was niet moeilijk om uit te zoeken. Van mishandeling mijnerzijds was geen sprake. Ik had uit wettige zelfverdediging gehandeld.
Om negen uur begon de zitting; het was reeds vrij druk voor het landraadsgebouw te Kota-Satoe. Er waren meer zaken te behandelen.
Verscheidene planters van andere maatschappijen, die allen in min of meer ernstige strafzaken moesten getuigen, hadden het zich in de wachtkamer gemakkelijk gemaakt.
Enkele inlandsche politiemannen liepen, met een strootje in den mond, slungelend op de galerij heen en weer. De klewang slingerde tusschen de beenen en werd zoo nu en dan met nonchalant gebaar naar voren getrokken.
Voor het gebouw zat een tiental koelies luid te praten en te lachen. Het liet hen volkomen koud of zij straks tot een maand gevangenisstraf werden veroordeeld of dat zij door den. milden rechter werden vrijgesproken.
Om half elf kwam een inlandsche oppasser mij verzoeken om binnen te komen.
Mijn sigaret weggooiende, ging ik de trap op en trad een ruim, koel vertrek binnen.
Het eerste wat ik opmerkte was de lange groene tafel, waarachter de voorzitter zat. Een bleeke man met een verveelden trek op z’n vermoeid gelaat. Ter weerszijden van hem zaten enkele inlandsche ambtenaren. De djaksa, een maleische ambtenaar, bladerde in een notitieboekje met rood lederen omslag.
De rechter had zich, na mijn groet vluchtig beantwoord te hebben, verder verdiept in den stapel papieren welke voor hem lag en hier en daar met rood potlood bepaalde passages aangestreept.

Door de zijdeur werd Djojo binnengeleid. Twee oppassers flankeerden hem en gaven met een druk op zijn schouders te kennen dat hij moest hurken en z’n groet brengen.
Aan zijn houding bemerkte ik onmiddellijk dat hij niet de gewoonlijk toegepaste tactiek zou volgen en door slaafsche onderdanigheid het vonnis zou trachten te verzachten. Onverschillig ging hij zitten en hield zijn blik strak op den grond gevestigd.
Na een slok ijswater te hebben genomen sloeg de rechter zijn fletsblauwe oogen naar mij op.
Er volgde een reeks wettelijk verplichte vragen, die door mij correct beantwoord werden.
Zoo! Vertelt U me nu eens precies wat er is gebeurd, doch ik verzoek U de waarheid en niets dan de waarheid te zeggen.
Ik begon het karakter van beklaagde te beschrijven. Van het moment af dat hij op de onderneming was gekomen had hij niet eenmaal zijn dagtaak naar behooren verricht. Doorloopend lag hij met z’n mandoers overhoop, was brutaal en onhandelbaar. Haarfijn reconstrueerde ik den aanslag, hierbij zijn uitlatingen in de pondok sterk naar voren brengend, als bewijs dat van een plotseling opgekomen drift geen sprake was. Poging tot doodslag met voorbedachten rade. Dat wès het en dèt wilde ik aantoonen, met Amatdjoehari als getuige. Waarom gaf U dien man geen permissie toen hij er om vroeg? Vindt U het nu werkelijk zoo’n buitengewone gunst om een werkman eens een dag vrij te geven? U zoudt zulke dingen in Holland niet moeten probeeren!
We zijn hier niet in Holland Edelachtbare, wat ginds logisch heet, is hier vaak uit den booze. Verder zou een dag vrij geven aan zulk een lui en brutaal individu, die nota bene pas uit de gevangenis terugkeerde, zeer zeker een buitengewone gunst zijn geweest. Ik weigerde dan ook en dit was mijn goed recht. Ja, ik ken die vermeende goede rechten van de heeren planters. Waarschijnlijk heeft U Uw goed recht met de noodige scheldwoorden of stokslagen gepaard laten gaan.
Neen Edelachtbare, dit ontken ik ten stelligste.

Hm,… (geeuw)… weet U dit wel zeker?
Het bloed steeg me naar het hoofd.
Ik heb U geen reden gegeven om aan mijn woorden te twijfelen. Ssttt Sttt… ik verzoek U beleefd te blijven, mijnheer Reeder. Het ligt niet in mijn bedoeling onbeleefd te zijn Edelachtbare, maar U doet alsof ik hier de beklaagde ben.
Ssstt sstt,… windt U zich niet op, dat pleit werkelijk niet voor U.
Djojol
Toewan!
Je moet met twee woorden spreken. Nog eens!
Djojo!
Geen antwoord. Beklaagde had weer voor zich gekeken en teekende met z’n groezelige vingers denkbeeldige lijnen op de mat, als of hij wiskundig berekende hoelang die poppenkast zou duren.
Heb jij mijnheer aangevallen?
Kun je me geen antwoord geven ? Heb jij mijnheer aangevallen ? Djojo keek op, als wilde hij zeggen: „Waar zit ik hier anders voor, die malle blanda’s kunnen toch gekke vragen doen”. Versta je me niet, je spreekt toch maleisch?
Saja.
Je moet met twee woorden spreken.
Saja.
Heb je mijnheer aangevallen ?
Ik vroeg om een dag permissie en toen schopte mijnheer me. Toen ik zei dat mijn rijst op was, heeft mijnheer me in m’n gezicht gespuwd en gezegd „eet dAt dan maar op, hond.”
Dat klinkt wel een weinig anders dan Uw relaas van zooeven, mijnheer Reeder! Moet ik nu maar aannemen dat die man dat allemaal uit z’n duim zit te zuigen?
Hij liegt Edelachtbare. Vraagt U eens waarom hij een mes bij zich droeg.
U kunt het gevoegelijk aan mij overlaten wat ik moet vragen.

U matigt zich wel iets te veel aan. Behoort dat soms ook tot Uw goed recht ? Gaat U maar weer zitten.
Sarmin!
Saja toewan kandjeng.
Jij bent de hoofdmandoer op de onderneming Sèlat, hè ? Vertel jij me eens, slaat mijnheer Reeder de koelies?
Neen mijnheer. Ik wel.
Ik vroeg je niet wat jij doet, geef enkel antwoord op mijn vragen.
Djojo zei zooeven dat hij geen rijst had ontvangen. Hoe kan zooiets voorkomen?
Hij liegt toewan. Op den dag dat hij uit de gevangenis kwam heeft hij net als de anderen io kg gekregen, maar dat heeft hij aan Soepardi vergokt.
Na Sarmin kwam Amatdjoehari aan de beurt.
Heb jij wel eens gezien dat mijnheer Djojo een klap gaf?
Neen toewan kandjeng. Mijnheer is wel meermalen boos op ’m geweest maar geslagen heeft-ie nooit.
Wat heeft Djojo in de pondok gezegd?
Dat mijnheer te veel praatjes had en dat-ie veel te streng was. Verder?
Als mijnheer hem nog eens iets weigerde, zou ie ’m doodsteken. Heb je dat zelf gehoord of hebben anderen je dat verteld?
Ik heb het zelf gehoord. Hij zei het tegen Roejat en Sonowidjojo, maar die lachten ’m uit en zeiden dat-ie dat toch niet durfde.
Djojo! Je hebt al deze verklaringen gehoord. Je bent nooit geslagen. Ook heb je vooruit gezegd dat je mijnheer zoudt vermoorden. Is dat juist?
Ik heb het wel gezegd, maar dat was maar omong kossong. Wat bedoelt hij met dat woord „omong kossong” dj aksa? Letterlijk vertaald, leege praat, in Holland zoudt U onzin of gekheid zeggen.
Oh, juist!
Hierna hield de voorzitter ruggespraak met de inlandsche ambtenaren. Deze begrepen het karakter van Djojo beter en

waren het er eenparig over eens dat zijn aanval zwaar gestraft moest worden. De voorzitter kon daar niet ineens toe besluiten. Hij keek eens op z’n gouden polshorloge en na eenige malen gekucht te hebben, verdaagde hij de zitting tot dien middag twee uur.
Bah, wat een gedoe! Was het nu nog niet duidelijk genoeg dat die kerel schuldig was ?
Na een korte buiging verliet ik de rechtszaal en zag dat Djojo weer tusschen de oppassers werd weggeleid.
Op de club, waar ik een stukje ging eten, ontmoette ik verschillende kennissen.
En?
Wat en?
Nou, is die kerel gestraft?
Nog niet. Vanmiddag om twee uur voortzetting. Christenzielen wat een nennek, die president. Daar word je nou betoel beroerd van. Op een gegeven oogenblik deed-ie of ik voor een moordperkara terecht stond inplaats van dien sloeber.
Zeker Mr. De Jonghe van Berlikum ?
Ja. Hij wist niet eens wat omong kossong beteekende, dat moest-ie nog aan den djaksa vragen.
’t Is dezelfde die de zaak van Amold van der Schoot heeft behandeld, je weet wel dat geval met dien hoed.
Nee, wat was dat?
Nou, die aanval op Badja-Lima, ‘t heeft toch in de courant gestaan. Een koelie moest zijn werk dat-ie verprutst had overdoen. Maar jawel, morgen brengen. Van der Schoot, heel kalm, bleef natuurlijk op z’n stuk staan.
Eerst zette-ie een brutalen mond op en daarna sloeg-ie met z’n tjankol naar van der Schoots’ hoofd. Deze kon den slag nog net afweren maar met het gevolg dat zijn rechterpols zoo ongeveer werd afgekapt.
Die zaak kreeg De Jonghe van Berlikum te behandelen. En hoe!
Hij begon met tegen van der Schoot op te spelen over de planters, die hun volk als negerslaven beschouwden. Er werd

maar geranseld, noodig of niet noodig.
Zoo begon-ie tegen mij ook vanmorgen.
Ja natuurlijk, dat zal wel. Nou, toen kwam die arme Kromo met z’n verhaal los. Mijnheer had ’m toch zóó geslagen, nee verschrikkelijk. Hij bekende wel dat-ie, zoo half uit zelfverdediging, naar mijnheer had geslagen, maar niet met de bedoeling om te dooden. Oh, neen, dat was-ie betoel niet van plan geweest. Toewan kandjeng kon toch wel begrijpen dat-ie juist in de richting van mijnheers hoofd had geslagen omdat… mijnheer een dikke rubberhoed ophad. Als de toewan bijvoorbeeld blootshoofds was geweest zou-ie in de richting van diens schouder hebben „afgeweerd”.
En nam de rechter dat smoessie aan?
Oh, hij beschouwde die redeneering als heel logisch. Stel je voor! Hij kon zich best voorstellen dat die slag meer op den hoed dan op het hoofd van Van der Schoot was gemunt.
Ze moesten zoo’n vent in tegenwoordigheid van alle koelies midden op de onderneming ophangen!
Wie bedoel je, den rechter?
Nee, zoo’n koelie natuurlijk.
Er heerschte algemeen een vrij verbitterde stemming in planterskringen tegen de opvatting die de rechterlijke macht bezielde omtrent de motieven der veelvuldige aanslagen op assistenten, in den laatsten tijd.
We moesten tactvol optreden. Vooral geen eigen rechter spelen. Goed, dat was billijk. Maar op onze beurt konden we dan eischen, indien, ondanks rechtvaardig en tactvol optreden, we toch werden aangevallen door een of anderen onberedeneerden woesteling, de wet ons zou steunen. Vóór alles werd de fout bij den assistent gezocht. De planter heeft nu eenmaal den naam en… wee den wolf die in een slecht gerucht staat.
In een cultuurcentrum, waar dagelijks duizenden en nog eens duizenden onontwikkelde en van nature haatdragende inlanders, onder leiding van een handjevol Europeanen werkten, waren excessen niet steeds te voorkomen. In de eerste plaats

waren hier derhalve ambtenaren noodig die niet enkel het wetboek uit het hoofd kenden, doch psychologen, die den in den regel hardnekkig zwijgenden Oosterling wisten te doorgronden. Rechters, die de mentaliteit der Aziatische volken konden begrijpen.
Welk een enorme afstand bestaat er geestelijk tusschen Oost en West; nimmer kan deze overbrugd worden en zeker niet door onverstandig toegepaste ethiek.
Vlug verorberde ik het inmiddels opgediende middagmaal en moest mij haasten op tijd weer bij de onverkwikkelijke rechtszitting tegenwoordig te zijn.
’k Had het rustiger kunnen doen. De voorzitter was nog niet gearriveerd.
’t Was snikheet en eenige koelte zoekend, zette ik mij op een bank neer, die in de schaduw van een grooten waringin stond. Een oude oppasser groette mij beleefd en wilde zich bescheiden verwijderen. Blijf zitten oppas, blijf zitten. De bank is breed genoeg. Sigaret hebben, ouwe?
Graag mijnheer, dank U beleefd.
Atjeh? Lombok? vroeg ik, op de medailles wijzende.
Saja toewan. Ik was korporaal bij de maréchaussée.
Zoo, bij de maréchaussée! Daar wisten jullie wel raad met lastige kerels, hè?
Het rimpelige gelaat van den oudstrijder vertrok tot een glimlach. Wat voor herinneringen scholen hierachter. Het is algemeen bekend dat de vestiging van het Nederlandsche gezag voor het leeuwenaandeel te danken is aan dit kranige korps. Zij waren betrouwbaar en het legerbestuur kon op deze amboneezen rekenen. In het vuur waren zij duivels en door hun moed, maar meer nog hun wreedheid, bij de Atjehers het meest gevreesd.
’t Was vroeger een beetje anders dan tegenwoordig mijnheer. Jaaah! la, een beetje anders. Ik word te oud en begrijp het hedendaagsche niet goed meer. Maar ik ben ook maar een dom mensch. De Toewan Goebemoer in Buitenzorg zal wel weten hoe het moet, ’t zal zoo wel goed zijn.

Ai, kreeg ik hier even een lesje. De eenvoudige politieoppasser toonde zoo’n vertrouwen in het huidige bewind, dat ik mij een oogenblik schaamde over mijn critiek op het gezag. Maar ja, de Amboneesche maréchaussée is het meest bruikbaar wanneer hij niet denkt doch alleen blindelings gehoorzaamt. De planter is daarentegen eerst voor z’n taak berekend wanneer hij z’n hersenen weet te gebruiken en te allen tijde initiatief toont.
De zitting had weer een aanvang genomen.
Waarschijnlijk door de warmte, hing de bleeke rechter nog slapper in zijn stoel dan ’s morgens.
Met een zijden zakdoekje veegde hij zich ’t gezicht af en richtte de volgende vragen tot mij :
Hoelang is U reeds in Deli ? Heeft U al eens meer kwesties als deze gehad ? Is U nogal driftig van aard ? Is U al eens veroordeeld?
Ik keek naar Djojo.
Nee, ik heb het tegen U, mijnheer Reeder!
O, neemt U me niet kwalijk. Naar den aard der vragen meende ik dat U tegen Djojo sprak.
Ik ben 12 jaar in het land. Aangevallen ben ik wel eens meer, maar dat heb ik tot nu toe steeds zelf weten op te knappen. Driftig ben ik alleen als ik beleedigd word. Diefstal of moord heb ik niet op m’n geweten en ik ben derhalve nog nooit veroordeeld.
Graag een kalmer en beleefder toon, mijnheer Reeder! U zit hier niet op Uw sociëteit. Uw sarcasme is hier niet op z’n plaats.
Ondanks de aan den dag gelegde spitsvondigheden en strikvragen, welke mij verder werden gesteld, kon geen enkel redelijk motief worden gevonden om Djojo’s daad te rechtvaardigen.
Besluiteloos keek de president voor zich. ’t Was een moeilijk geval. Beklaagde verroerde zich niet. Onafgebroken volgde hij de vergeefsche pogingen van een dikke bromvlieg, die luid zoemend tegen het vensterglas bonsde, om een uitweg
16 Deli planter

naar buiten te vinden.
Hij had het zijne gezegd. Wat moesten ze nog meer van ‘m hebben, ’t Begon hem hier hard te vervelen.
Staat U me toe dat ik eenige woorden tot beklaagde spreek, vroeg de djaksa; ik heb eenige inlichtingen naar zijn verleden ingewonnen.
Na een toestemmend knikje van den voorzitter stond de maleische ambtenaar op en met verheffing van stem beet hij Djojo het volgende toe.
Kijk niet naar dat raam! Zie mij aan!
Op Java heette je Noer, alias Tahip. Zeven jaar geleden heb je op Anjer-Kidoel een vrouw doodgestoken, maar bent uit gebrek aan bewijs vrijgesproken. Vijf jaar geleden heb je op Makassar in voorarrest gezeten, beschuldigd van moord op een mantri van de opium. Voor dien roofoverval zijn drie rampokkers gestraft, jij alleen wist je van een alibi te verzekeren! Djojo dook dieper ineen. Hoe wist die djaksa dat allemaal?
In de lampongs heb je een mandoer met een parang aangevallen, waarvoor je anderhalf jaar hebt gekregen.
Daarna teekende je voor Delicontractant. Nog nimmer heb je één dag behoorlijk gewerkt. Alleen in brutaal-zijn blonk je uit. Het gelaat van den djaksa was aschgrauw van woede. Een dreigende blik uit zijn felle oogen deed Djojo de zijne neerslaan.
Je hebt ’s morgens een mes bij je gestoken met het doel om je heer te dooden. Beken!… Pas óp als je liegt!
Ik dacht dat mijnheer me wou slaan. Hij hief z’n stok tegen me op.
Je dicht dat mijnheer je wou slaan. Hij dééd het dus niet? Antwoord me alleen, jd of néén. Ben je geslagen ?
Neen.
Nog nimmer had ik een inlander zoo rap en overdonderd zijn schuld hooren bekennen. Met gefemel en zachtheid bereikte je niets en zeker niet bij een doortrapt individu als Djojo. De djaksa kende z’n volkje en wist hoe het aangepakt moest worden.

Zie zoo, dat begon er, dank zij de bekentenis van beklaagde, goed uit te zien.
Mr. De Jonghe wendde zich tot den kapitein-chinees.
Welke straf heeft U beklaagde toegedacht?
Eén jaar.
En U djaksa?
Het verleden van beklaagde in aanmerking genomen, twee jaar.
En U, tengkoe Moeksir?
Acht maanden.
De rechter zette zijn baret op en na een hopeloos lange voordracht en herhaling van beschuldiging, klonk zijn ijzig kalme stem:… en veroordeel ik contractant Djojo tot twee maanden gevangenisstraf met aftrek van preventieve hechtenis.
Niets op de gezichten der aanzittenden verried hun verbazing. Zij kenden Mr. de Jonghe en hadden meer zittingen meegemaakt.
De twee oppassers brachten Djojo weg. Zijn triomphantelijken blik negeerde ik.
De voorzitter had bij het uitspreken van het vonnis mijn verwonderde oogen opgemerkt en hoewel hij in geene deele verantwoording schuldig was, verwaardigde hij zich om mij de reden van zijn milde strafoplegging te verklaren.
U moet niet vergeten dat er geen enkel bewijs voor poging tot moord voorhanden is. U is niet gewond, zoodat het niet is uitgesloten dat Djojo U werkelijk alleen heeft willen dreigen. Een mes trekken is nog geen moord begaan.
Neen, maar het steken in de richting van mijn buik noem ik toch een poging tot moord! Een javaan trekt trouwens geen mes om te dreigen. Zijn uitlatingen in de pondok bewijzen m.i. toch ook genoeg dat het om mijn leven te doen was! Inlanderspraatjes. ’t Kan een beetje opschepperij geweest zijn. Ik achtte verder argumenteeren nutteloos en stond op. In ieder geval zou Djojo na zijn straftijd naar Java worden teruggezonden, we waren dan verder van dat heerschap ontslagen. Buiten wachtte de huurauto, ’k Moest op het hoofdkantoor

verslag gaan uitbrengen en was er op geprepareerd het noodige te hooren te krijgen.
De heer Steenhuis stond voor het open raam en wenkte mij om maar meteen binnen te komen.
Vertelt U nu eens precies hoe de heele zaak zich heeft toegedragen en waarmede Uw aanvaller gestraft is.
Voor de zooveelste maal kon ik de geschiedenis weer ophalen en eindigde met de mededeeling dat Djojo twee maanden had gekregen.
Aangenomen dat U werkelijk niet heeft geslagen en die kerel ongunstig bekend staat, is-ie er nogal genadig afgekomen, dunkt me. Maar ja, daar doen we nu eenmaal niets aan. De ethische richting is het grootste gevaar voor ons prestige. Ik begrijp dat het heel moeilijk is om op die manier je overwicht over het volk te handhaven. Maar het moet nu eenmaal en we zullen er van maken wat er nog van te maken is, ondanks den koers dien de stuurlui aan wal ons aangeven.
Het provoceeren van de koelies moet U met tact onderdrukken, doch… zonder Uw handen uit te steken. Over Uw werk ben ik zeer tevreden, doch een geval als dit geeft altijd een verkeerden indruk. ‘t Is niet de manier om promotie te maken!…
Maar mijnheer Steenhuis, het is toch bewezen dat ik niet heb geslagen!
Nee, U heeft alleen maar dien vent z’n kop ongeveer ingeramd! Natuurlijk, dat moest ik wel doen, anders was ik er zelf aangegaan.
Nou, enfin, we zullen het er niet langer over hebben. Onthoudt U echter dat zulke zaken op een goedbeheerde onderneming niét mogen voorvallen. Ik wil wel eenigszins rekening houden met de ongunstige omstandigheden waaronder U momenteel werkt, doch ik eisch dat U met Uw werkvolk vrede houdt. We hebben elkaar dus goed begrepen, mijnheer Reeder? Nou, óf ik het had begrepen. Op een haar na had ik het loodje gelegd en was de reeks Delislachtoffers met één vermeerderd! Wat had die Javaplanter indertijd ook weer gezegd? Zooiets van: Spring maar liever direct over boord!

HOOFDSTUK XVIII
De weg was gereed gekomen en hiermede de communicatie tusschen Goenoeng-Ampat en Sèlat tot stand gebracht. We waren nu uit ons isolement verlost en dit opende talrijke prettige vooruitzichten.
Aanvoer van materiaal voor huizenbouw; geregelde toezending der post; clubbezoek en het zoo nu en dan weer ontmoeten van de collega’s.
Dit alles had ik lang moeten ontberen.
De drie en een halve meter breede weg voerde tusschen de donkere bosschen door. Klimmend en dalend, langs diepe ravijnen en door verraderlijke moerassen.
Op verscheidene plaatsen waren smalle kloven of snelstroomende riviertjes overbrugd. Het zoeken en uitzetten van een economisch tracé was op zichzelf al een heel moeilijk en langdurig werk geweest.
Alsof de koelies, ieder voor zich, het groote belang van deze verbinding hadden ingezien, waren hun prestaties en buitengewonen ijver bewonderenswaardig geweest, ondanks de brandende zon en den dikwijls gevaarlijken weeken bodem, waaruit het muffe moeraswater opborrelde.
Wolken muskieten hadden hierbij hun best gedaan om zooveel mogelijk ziekte te verspreiden en de meeste malariagevallen hadden zich dan ook geopenbaard bij de koelies die aan deze werkzaamheden hadden deelgenomen.
Onder rottende planten en houtresten verscholen zich schorpioenen en klabangs, de 15 tot 20 cm lange, vuurroode en giftige duizendpooten. Hun steek veroorzaakt hooge koorts en ontzettende pijnen.
Uit diepe ravijnen werden nog dagelijks massa’s zand naar boven gedragen om het wegdek te verharden en berijdbaar te maken.
Wanneer na een tiental jaren een jongere generatie planters

zich hier zal hebben gevestigd, zullen er onder hen weinigen zijn, die beseffen welk een zwaar werk hier voor hun komst werd verricht. Zij zullen dezen weg als heel gewoon beschouwen, zonder er bij na te denken onder welke ontberingen en moeilijkheden hij werd aangelegd.
Als een welkome verrassing had de heer Keppel mij een vracht planken gezonden. Zij waren wel van afbraak eener oude schuur afkomstig, doch voor een yloer in m’n hut waren ze uitstekend geschikt.
Mioen had zelfs nog kans gezien om van het resteerende hout een afdakje te timmeren waarna hij me vol trots kwam mededeelen dat m’n nieuwe badkamer gereed was.
Zooals de tegenslagen in het leven elkaar dikwijls opvolgen, zoo schijnen de goede dingen ook achter elkaar aan te komen. De post bracht me een brief van Jaap. Eindelijk!
Zooals ik wel van hem gewoon was, viel hij maar weer direct met de deur in huis. Hij schreef: ik heb m’n ontslag genomen. Natuurlijk heb je een fraaie verzameling benamingen gereed, als stommeling, uil, karbouw enz., enz., maar praat niet voor je beurt Bob. Later zal ik je alles vertellen en dan zul je me wel gelijk geven.
Binnenkort zie je me verschijnen, want schrik niet ouwe boschaap, ik heb bij je maatschappij gesolliciteerd met 100% kans aangenomen te worden. In Medan hoorde ik van iemand die vroeger bij jou op de kebon heeft gezeten, De Graaf meen ik, dat je in zoo’n gruwelijk verlaten oord zit en in een huis woont waar een batakker zijn neus voor zou optrekken. Is dat zoo? De menschen overdrijven wel eens een beetje. Ik voor mij wil wel graag bij jou op de onderneming zitten, maar ‘t moet er gezellig zijn. Een logeergelegenheid heb je zeker wel voor me, met een kleine kamer ben ik tevreden.
Zoo, zoo! Jaap z’n ontslag genomen. Jammer. Zoo bereikte hij zeker nooit iets. Dat veranderen van maatschappij brengt je in den regel achterop, ’t Was waar dat-ie het ook altijd beroerd trof. Als je eenmaal aan het tobben bent blijf je in de soesah, dat is bekend.

Het zou werkelijk niet onaardig zijn als-ie hier werd geplaatst. We zouden veel steun aan elkaar hebben. De mogelijkheid was niet uitgesloten, daar de ontginning zoover was gevorderd, dat een tweede assistent dringend noodig werd.
Oeni bracht de thee binnen. Ze zag er opvallend netjes uit. Bij iederen stap die zij deed, ritselde de fraaie zijden sarong. In het dikke ravenzwarte haar staken eenige sterkriekende melatibloempjes.
Wat zie jij er feestelijk uit Oeni, moet je gaan ronggengen. Eh, toewan, ronggeng!
Nou, wat dan?
De dochter van den hoofdmandoer trouwt met mandoer Djoemat en nu zijn Mioen en ik vanavond uitgenoodigd. Mogen we, als mijnheer gegeten heeft, naar de pondok gaan?
Ja, dat is goed, maar zeg tegen Mioen dat-ie niet vergeet om voor voldoende badwater te zorgen. Vanmiddag was er te weinig.
Baik toewan. Ik breng U mijn groet van Uw hoed tot Uw schoenen en we…
Och och, wat zijn jullie toch beleefd als je wat te kort komt. Hoeveel moet je hebben?
We zouden graag tien gulden willen leenen.
Weet je wel hoeveel schuld je al hebt?
Ik denk dertig gulden.
Vijf en twintig. Waarom probeer je niet eens wat te sparen? Eh, sparen? Mijnheer houdt ons iedere maand een vierde van het loon in.
Ja, wat dacht je? Je moet je schuld toch terugbetalen? Natuurlijk, antwoordde Oeni en met een triomphantelijk gezicht alsof zij haar pleidooi schitterend gewonnen had, liet ze er op volgen, als we iedere maand moeten terugbetalen blijft er toch niets over om te sparen?
’t Is goed hoor, schei maar uit. Hier heb je io gulden.
Dank U wel. Hoofdschuddend over die naieve Westerlingen verdween Oeni, het opgevouwen bankbiljet tusschen haar

gordel duwende.
Een uur later zag ik beiden achter elkaar loopend den hoofdweg opgaan. Mioen had een net gestreken witte jas aan. De hoofddoek was op Solomanier gevouwen, ’t Scheen tegenwoordig weer een beetje beter tusschen hen te gaan. Na de nachtelijke scène had ik van oneenigheid niets meer gemerkt.
De gamelanmuziek klonk reeds. Het feest was dus begonnen. Het is op een onderneming de gewoonte, dat de administrateur of de afdeelingsassistent zijn belangstelling bij dergelijke gelegenheden toont door hierbij een half uurtje tegenwoordig te zijn.
Ik besloot derhalve om het jonge paar te gaan feliciteeren. Sarmin zou het zeer op prijs stellen, al was het alleen maar om zijn aanzien bij de koelies te verhoogen. Hij rekende stellig op mijn komst en er was geen enkele reden om hem hierin teleur te stellen.
Vanuit de verte was mijn komst waarschijnlijk reeds aangekondigd, want plotseling zweeg de muziek en trad de hoofdmandoer mij tegemoet.
Ik reikte hem de hand, welke buigend werd aangenomen. Voor zijn huis was een groote open tent gebouwd. Op aardige, sierlijke wijze waren daarin gespleten klapperbladeren in boogvorm aangebracht, waartusschen talrijke kleurige boschbloemen waren gestoken.
De koelies zaten in lange rijen op den grond en deden zich te goed aan allerlei zoetigheden.
Bij mijn komst werd het doodstil. De mandoers traden, ieder op hun beurt, naar voren om hun sembah te brengen.
Achterin zat de bruid, een kind nog van hoogstens 13 jaar… De vrouwen hadden haar ferm opgedirkt, zoodat zij op een helgekleurd reclameplaatje geleek.
Een fraaie batikkain was om het smalle borstje gebonden en hing in kunstige plooien tot over de enkels.
Armen, hoofd en hals waren met goudpapiertjes en enkele goedkoope sieraden getooid, ’t Was een zielige vertooning. Bedeesd nam zij mijn gelukwenschen in ontvangst. Van het

witgekalkte gezichtje bewoog zich geen spier, alleen de neergeslagen oogleden trilden nerveus.
De bruidegom, mandoer Djoemat, zat naast haar, onbewegelijk als een hindoegod. Ook hij was als een heiligenbeeldje versierd en ik herkende in deze volgens adat gekleede gestalte, met moeite een van m’n beste mandoers.
Na de koelies verzocht te hebben om ongestoord hun gang te gaan, maakte ik van de aangeboden stoel gebruik en onderhield me met Sarmin. In het midden der tent was een open ruimte gelaten waar nu een ronggeng verscheen. De danseres, die nimmer bij zoo’n feest mankeert.
Sierlijk uitgedost en omhangen met imitatie-briljanten, maakte zij eenige glijdende passen om vervolgens op de tonen der gamelan haar rhytmischen dans aan te vangen. Het lenige lichaam draaide op de slanke heupen, terwijl de bloote armen zich gracieus bewogen.
Langzaam, doch zonder van plaats te veranderen, nam baar soepel lichaam de ingewikkeldste standen aan. Elk dezer houdingen had een beteekenis, die echter voor den Europeaan vrijwel onbegrijpelijk is.
Op het einde van den dans knielde de ronggeng voor mij neer, bracht de saamgevouwen handen tegen het voorhoofd en bood mij vervolgens de slendang aan, welke gevouwen op een koperen schaal lag.
Ik had nu de keus tusschen de slendang aannemen en mij hiermede te verplichten om met, of beter gezegd naast haar, een dans uit te voeren, óf de mij aangeboden plaats aan een ander af te staan.
Daar dit aanbieden van haar slendang slechts op een beleefdheidsvorm berust, bood ik deze aan Sarmin aan, die onmiddellijk naar voren trad en een smaakvolle tandak uitvoerde. Uitgezonderd de bruid en de gehuurde danseres, waren geen vrouwen aanwezig. Zij mochten het eten voor het feest bereiden. Mede aanzitten, zou in strijd met den adat zijn.
Buiten de tent zaten zij in het donker tegen elkaar gedrukt, in stilte mede te genieten van alles wat daar binnen gebeurde.

Na hier een veertig minuten te hebben doorgebracht, had ik aan de gewenschte en gewaardeerde belangstelling voldaan. Hoewel de koelies het apprecieeren dat hun toewan het feest gedeeltelijk bijwoont, is zijn vertrek hun even aangenaam, Nu konden zij zich weer laten gaan en vrijelijk praten en lachen. Een mandoer liep voor mij uit, het pad met een omhoog gehouden flambouw belichtend.
Voor mijn hut bleef ik nog een poosje zitten rooken. Heerlijk rustig en kalm lag de avond over de uitgestrekte vlakte.
Een kreet van een kalong verbrak even de stilte en verstierf in de oneindige ruimte.
Boven mij schitterde een heldere ster, als oogde zij, niet begrijpend, naar de aarde met hier en daar een lichtend punt in de donkere diepten van Sumatra’s oerbosschen.
’t Was wel waar dat je aan de eenzaamheid gewoon raakte. Duidelijk stonden mij de eenzame avonden in de ontginning van Goenoeng-Ampat voor den geest die schier eindeloos duurden. Hoe wanhopig verlaten had ik mij toen gevoeld. Als onheilspellende spookgedaanten hadden duisternis en stilte om mijn huis gewaard. Angstig en benauwd had ik hun grijpende armen afgeweerd, worstelend om mezelf te kunnen blijven. En nu…? De omstandigheden waren thans heel wat miserabeler. Maanden en maanden zat ik nu hier zonder eenigen omgang en geen andere afleiding dan mijn werk.
Het zoo moeilijk te regeeren volk veraangenaamde mijn leven ook al niet. De malaria-aanvallen dreigden alle energie te dooden. Ondanks dit alles voelde ik mij thans tevreden.
Het werk eischte m’n geheele aandacht. Alles vorderde zoo prachtig. De weg was gereed, de telefoonaanleg naderde z’n voltooiing. Misschien dat Jaap hier werd geplaatst. Prettige kerel met ruime opvattingen.
Ja, ruime opvattingen had-ie wel. Aan boord had-ie aan minstens io meisjes eeuwige trouw gezworen, bij den baard van den Profeet en de onschuld van z’n grootmoeder.
Kom, ’t werd tijd om naar bed te gaan. Om 5 uur was het weer dag en zonder voldoende nachtrust het zware werk

niet vol te houden.
De eerste inspectie van den nieuwen baas begon gemoedelijk. Belangstellend volgde hij het door mij voorgelegde schema der komende werkzaamheden.
Of ik altijd in de ontginning had gezeten.
Neen. De tap en de fabriek kende ik grondig.
Weet U al dat U een singkeh als hulp krijgt?
Een singkeh?
Ja, over een paar dagen komt-ie aan en wordt dan meteen naar Salat doorgezonden.
Zoooo…! Ik dacht een kennis van me hier te krijgen, Zeegers uit het Assahansche.
Oh, mijnheer Zeegers, ja die heeft bij ons gesolliciteerd, maar is voor de tap op Goenoeng-Ampat bestemd.
Dat spijt me. Ik kende hem nog van vroeger, we maakten samen de reis hierheen.
Waarom is-ie daar ontslagen?
Hij heeft zelf ontslag genomen. Ik kreeg een brief van ’m waarin hij mededeelde dat-ie hier zou worden geplaatst, de rest kreeg ik wel mondeling te hooren. Inplaats van een ervaren assistent, sturen ze me nu een nieuweling op m’n dak. Lollig!
U kimt ‘m toch inwerken.
Dat zal wel moeten ja, maar hoelang duurt het voordat je feitelijk aan zoo iemand wat hebt ? Voorloopig meer last dan gemak.
Kom, kom, dat loopt wel los.
Hoe heet dat knaapje?
Martens, dat hoorde ik tenminste op het hoofdkantoor.
Oh, wacht eens, daar heb ik mijnheer Matthes een paar maanden geleden over hooren praten. Z’n vader is die tabaksmakelaar op de Keizersgracht. Martens & Jongma.
Wel mogelijk, ‘t is in ieder geval een protégé van den directeur. Ook dat nog.
Nou, wat hebben we daar maling aan ? U geeft ’m een opleiding

zooals we die allemaal hebben gehad. Protégé of geen protégé, daar kunnen we geen rekening mee houden.
En hoe moet het met het wonen? Ik kan hem niet bergen.
Wel, bouw maar net zoo’n hut als U zelf heeft. Dat lijkt me ’t beste. Maar over huizen gesproken, heeft U al eens uitgezien naar een geschikte plaats voor Uw permanente woning? Het materiaal ligt op Goenoeng-Ampat klaar. Zegt U zelf maar wanneer begonnen kan worden met bouwen.
Ik had reeds een mooi punt uitgezocht en bracht den heer Keppel naar een heuvel vanwaar we een schitterend uitzicht op de rivier hadden.
Dat is niet slecht bekeken. Allemachtig mooi vergezicht hier. Op zoo’n heuvel heb je ook altijd een beetje koelte.
Heeft U al voor chineesche toekangs gezorgd?
Ja, ’k heb er vier aangenomen, ‘k Zal ze morgen hierheen sturen, dan kunnen ze den boel vast uitzetten. Dat is dus in orde.
Hoe staat het feitelijk met de wieding? Uit de rapporten meen ik op te maken dat we nog al duur zijn, hè ?
Och duur, duur, wat zal ik zeggen. We zijn natuurlijk niet aan den goedkoopen kant, maar dat kan ook niet anders. Komt U maar eens kijken. Hier, deze laaglanden zijn nog vochtig en dat geeft een enormen opslag. Verder weet U ook dat we geen menschen genoeg hebben om het getjankolde terrein nog eens na te vorken, zoodat de wiedvrouwen de hier en daar opkomende lalang er meteen moeten uitgraven. Dat houdt erg op. Ziet U maar eens, daar zijn ze bezig.
Maar wat een nonsenswerk. Laat die wijven de lalang gewoon wegkrabben. De wortels gaan op den langen duur immers vanzelf dood.
Dat betwijfel ik sterk, mijnheer Keppel. Met krabben komen we niet ver. ’t Is jezelf voor den gek houden. Boven den grond ziet ‘t er oogenschijnlijk schoon uit, maar d’r onder woekert het wortelnet door totdat je voor verrassingen komt te staan. Och wat. Malligheid. In de tabak maakten we niet zoo’n omslag om een sprietje lalang. Stel je voor! Practisch zijn mijnheer

Reeder, we moeten practisch zijn, daar komt het heelemaal op aan. Jullie rubberlui zijn te serieus om niet te spreken van pietluttig. Weiarachtig waar, jullie conservatisme valt me iederen dag weer op. Met Rensema had ik gisteren de hoogste woorden over die idiote lijntrekkerij in de tap. In die paar weken dat ik hier heb rondgekeken, heb ik wel in de gaten dat we daar heel wat goedkooper kunnen werken!
Hoe bedoelt U? De tapkosten zijn bij ons bijzonder laag.
Zoo, vindt U dat? Rensema verzet zich er nog wel tegen, maar hij zal toch zijn indeeling anders moeten maken. Ik wil dat iedere koelie voortaan 540 boomen tapt. Ze moeten dan maar eens wat pootaan spelen. Dat gepruts moet maar eens uit zijn. Lijntrekkerij op groote schaal!
‘t Is mijn zaak niet, meneer Keppel, maar ik vind 540 boomen ook veel te veel. Vijf tot zevenjarige boomen zou met geroutineerde tappers misschien nog gaan, maar op dien ouden harden bast in afdeeling vier is het onbegonnen werk. Trouwens, verlaat U zich gerust op Rensema, die kent z’n werk wel.
Ik dénk er niet aan. We zullen van het oude systeem afstappen en wie zich daartegen verzet, gaat ’r uit, onverbiddelijk d’r uit! Ah zoo, waaide de wind reeds uit dien hoek. Oppassen was dus maar de boodschap. Stom van een nieuwen baas om zoo te beginnen, vooral van een baas die niets, maar dan ook niets van de rubbercultuur afwist.
Van z’n geroutineerde assistenten zou-ie enorm veel pleizier kunnen hebben, ’t Was niet verstandig om hen tegen zich in het harnas te jagen. De heer Lemmers had het beter ingezien. Zijn geringe bemoeienis met de afdeelingen was natuurlijk verkeerd geweest, doch zou in ieder geval niet tot zulke verstrekkende gevolgen hebben geleid als de methode die de heer Keppel van plan was toe te passen.
Nog dikwijls dacht ik terug aan mijn eersten administrateur. De Korte kon lastig zijn, ontzettend streng voor Europeaan en inlander, doch met welk een ander beginsel. Zijn optreden was niet bedoeld als machtsvertoon, doch het

innemen van een vakkundig standpunt, dat te allen tijde het belang der maatschappij beoogde.
Het gebeurde meermalen dat ik de oudere koelies nog over De Korte hoorde spreken. Dien toewan besar waren zij niet vergeten, terwijl hij hen waarachtig niet verwend had. Zijn strikte rechtvaardigheid, zoowel als zijn harde vuisten waren oorzaak dat nu na jaren nog met het meeste respect over hem werd gesproken.
In mijn hut komende zag ik een maleischen toekang bezig met het ophangen van een telefoontoestel. Aan den anderen kant van den draad, op Goenoeng-Ampat, stond z’n collega en onophoudelijk ratelde de bel. Een nieuw geluid in deze omgeving. Doet-ie het?
Soms een lichte storing meneer, ik denk dat er ergens een tak op den draad hangt, ’k Zal straks de geheele lijn eens nagaan. Opnieuw rinkelde het belletje.
Voor U mijnheer.
Hallo… hier Reeder. Met wie…?
O, met jou Hartman, hoe gaat het?
O, best. Dank je.
Wat zeg je?… wat zeg je…? Hallo… kun je me verstaan?
Ja, een flinke malaria-aanval. ’t Is alweer een beetje beter.
Dat weet ik, ja. Voor de tap, hè? ’t Spijt me wel, ‘k had hem graag hier op de kebon gehad.
Goed. Afgesproken. Vraag of de anderen ook meekomen, enne., doe me een genoegen Hartman en stuur me met een ossenkar wat bier, whisky, sigaretten, tinnetjes, enfin van alles maar wat, doe je het?

Prachtig. Nou tot ziens dan. Bonjour. Wat?
O, ja, dat hoorde ik al van den baas. Zeg maar dat-ie wat voorzichtig is, hij is van plan om met assistenten te gaan kegelen. Tegen wie praat mijnheer?
Hier pak aan, hoor maar. Nee, zoo, tegen je oor.
Lah Ilah…
Verrek, hou vast idioot.
Nee, dat was tegen Mioen. Hij wou eens luisteren, hij schrok zich een aap.
Saluut.
Op een middag, juist toen ik aan tafel wilde gaan, arriveerde mijn mede-rimboebewoner. Rensema had van deze gelegenheid gebruik gemaakt om m’n wagentje te sturen, zoodat ik hiermede twee vliegen in een klap ving.
Mijn naam is Martens. In opdracht van den hoofd-administrateur kom ik me bij U melden.
Reeder. Komt U binnen. Karsan, droog het paard en vraag aan Mioen waar je het stallen kunt.
Oef, wat een hitte mijnheer Reeder. En dan die ónmogelijke weg hierheen.
Ónmogelijke weg? Man hou op, ’t is nogwel m’n grootste trotsl Martens was een tenger gebouwde jongeman. Een beetje bleek, maar geen omsympathieke verschijning.
Met een vluchtigen blik op de kale wanden en de op de eettafel verspreid liggende boeken en rapporten, vroeg hij: Is dit Uw tijdelijk kantoor?
Jawel, dit is m’n kantoor, eet- en slaapkamer en tevens m’n ontspanningslokaal. Vindt U ’t niet gezellig?
Niet zoo bijzonder. Als U dit al gezellig vindt, hoe zal mijn onderdak er dan wel uitzien?
Dat zullen we straks eens gaan bekijken. U moet niet te hooge

verwachtingen hebben, ’t is vrijwonen in ieder geval.
Het bedrukte gezicht van het singkeh deed me in lachen uitbarsten. Kom, zet niet zoo’n babysnuit. U had toch niet verwacht dat we hier in een dubbele villa zouden wonen?
Nee,… dat niet… maar ’k had me er toch een andere voorstelling van gemaakt. Dat neem ik wel aan, ’t is dus je eerste verrassing. Prepareer je alvast maar op meerdere. In Deli val je van de eene verrassing in de andere.
Mioen kwam vragen of hij de tafel kon dekken. Oeni kwam gauw wat papieren opruimen, iets wat ze anders graag aan den boy overliet. Ze moest toch den nieuwen toewan zien.
Houdt U van rijst?
Als ze niet te scherp is, in Indië kruiden ze alles zoo sterk.
Hoe is U bij de maatschappij gekomen? Gesolliciteerd?
Mijn vader is een goede kennis van mijnheer Erixhoven.
Uw vader is tabaksmakelaar, hè?
Jawel. Martens en Jongma in Amsterdam. Kent U de firma? Wel van gehoord ja.
Voordat ik uit Holland vertrok, ben ’k nog op het hoofdkantoor geweest. De directeur het me verscheidene albums zien. ’t Huis van den hoofdadministrateur, ’t emplacement op Batoer en verschillende prachtige natuuropnamen.
Stond er ook een foto van deze hut in?
Ik herinner ’t me niet, ’k heb de albums ook maar vluchtig doorgebladerd.
Neemt U nog wat rijst.
Een beetje dan, ’t is nog al peperig.
Den middag besteedden we om de omgeving en het werk te bekijken. Van morgen af zal ik U bij de wiedvrouwen zetten. Ze schieten den laatsten tijd beroerd op en ’t is hard noodig dat ze eens onder doorloopende controle komen.
Na een paar uur loopen was Martens doodop. Hij transpireerde en hijgde naar adem.
Laten we het dan maar voor gezien houden vandaag. We kunnen nu wel even Uw hut gaan bekijken.
Mijnheer Erixhoven zei me, dat een assistent die goed z’n best

doet, in een jaar of zes administrateur kan zijn. Is dat zoo?
Ik weet het niet. Misschien een nieuwe regeling. Ik ben hier de jongste rubberassistent en ben ruim twaalf jaar in het land ?????
Gelooft U me niet?
Zeker wel, maar ik begrijp dan toch niet…
Hoeft voorloopig ook niet. Doe Uw best maar om een goed assistent te worden. Dat ligt tenminste in Uw eigen macht. Voor de rest zou ik me maar niet al te groote illusies maken. Dit is Uw woning. Nogal primitief, hè?
Moet ik hier wonen? Maar dat is toch niet mogelijk?
Toch wel, of U moet er de voorkeur aan geven om onder den blooten hemel te slapen. Dat mag natuurlijk ook.
Er zit niet eens een deur in.
Dat is ook niet zoozeer noodig, maar als U er op staat kan er morgen wel een worden gemaakt. Laten we maar eens binnen gaan zien.
Kijk eens aan. Meubilair van de collega’s van GoenoengAmpat, datzelfde heb ik twaalf jaar geleden ook gebruikt. Dit is Marto, een contractant. U kunt ’m den eersten tijd als kok-waterdrager-baboe-bediende gebruiken, maar over een poosje moet U naar een vrijen javaan omzien.
De eerste dagen zullen wel wat vreemd zijn, ’t is natuurlijk een heel verschil met hetgeen U gewend is, al was het alleen maar het weelderige leven aan boord.
We gingen nu naar de pondok, ’k had vanmiddag geen gelegenheid gehad om de koeliewoningen te inspecteeren.
Een zwerm naakte kinderen kwam ons al tegemoet. Allemaal naar den nieuwen mijnheer kijken. Tabéh toewan, tabéh toewan!
Verscheidene vrouwen waren aan het rijst koken en groetten ons beleefd.
Wat zien die menschen er onsmakelijk uit, echt vies.
Vies? Hoe komt U erbij. Ze baden zich zeker tweemaal per dag.
Dat kan wel, maar ik vind die kleeding zoo ongegeneerd.
17 Deli planter

Oh, is het dat! Over een poosje vindt U dat heel gewoon hoor. De javaansche vrouw loopt met haar borsten bloot zooals een Europeesche vrouw zonder handschoenen, ‘s Lands wijs ’s lands eer. U moet U maar zoo gauw mogelijk zien aan te passen. Hoe spoediger U hier niets meer „vreemd” vindt, hoe beter het is.
Ziezoo, dat is voor vandaag het officieele gedeelte. Kijk eens hier mijnheer Martens, we moeten elkaar leeren begrijpen en weten wat we aan elkaar hebben. Zooals U weet ben ik assistent, dus Uw collega. Ik ben de oudste en verantwoordelijk voor alles wat hier gebeurt. U bent hier als leerling geplaatst en moet zoo vlug mogelijk een bruikbare werkkracht zien te worden. Vraag me liever honderdmaal iets dan dat Ü eenmaal een flater begaat. We moeten samen werken en overleggen. Overdag ben ik Uw chef, doch na het werk zijn we gelijk en kunnen elkaar het leven zoo aangenaam mogelijk maken, voorzoover dat hier tenminste gaat. Het is niet uitgesloten dat onze opvattingen wel eens zullen verschillen maar dan verwacht ik een eerlijke uitwisseling van gedachten. Zooiets behoeft nooit in ruzie te ontaarden. We zijn op elkaar aangewezen en moeten het samen kunnen vinden. Vertrouw op mijn meerdere ervaring, maar laat t.z.t. gerust Uw opinie gelden. Dat kweekt zelfvertrouwen en initiatief. Ik voor mij zal mijn best doen om een goed assistent van U te maken, dit is mij opgedragen en het zal grootendeels van Uzelf afhangen of mij dit zal gelukken.
Ik zal m’n best doen, meneer Reeder. ‘k Beloof het U.
Goed zoo.
Is U verloofd?
Nog niet, maar ’t zal er wel van komen, ’k Heb m’n meisje beloofd om zoodra ik hier wat op dreef ben ons te verloven en dan natuurlijk zoo spoedig mogelijk te trouwen.
’t Hangt er maar vanaf wat U spoedig noemt.
Nou, ’k had gedacht over een jaar of zoo.
Hmm. ‘t Spijt me dat U niet meer verantwoordelijkheidsgevoel schijnt te bezitten. U wilt met een salaris, waar U temauwer-

nood zelf van kunt rondkomen, toch zeker geen jong meisje mee laten genieten van de zorgen en moeilijkheden. Wat kunt U haar aanbieden? Comfort? Omgang? Zou ze in de schaduw van die hooge boomen niet gauw gaan kwijnen?
Kom, kom, meneer Reeder, moeilijkheden zijn er om ze te overwinnen en als je werkelijk van elkaar houdt zijn de opofferingen niet zoo heel groot.
Voor U niet, dat is duidelijk. U kunt er alleen bij winnen.
U heeft Uw werk dat alle bijkomstige zorgen wel op den achtergrond zal dringen. Een vrouw zit echter den godganschelijken dag tusschen de vier kale muren, d’r hoofd vol narigheid en heimwee. Nee, Martens, wees verstandig en wacht tenminste eenige jaren. Wacht tot je weet waar je aan toe bent, wat de toekomst je mogelijk zal kunnen geven. De eerste paar jaren zijn hier het zwaarst en die zul je als man moeten dragen,
zonder hiervan een gedeelte op de schouders van een meisje te leggen.
U is zeker geen voorstander van het huwelijk?
Zeker wel. Maar het is mijn principe om nooit aan dingen te beginnen die bij voorbaat tot mislukkig gedoemd zijn.
Is het dan een evangelie dat mijn eventueel huwelijk een mislukking moet worden.
In de omstandigheden van een singkeh, zeer zeker. U staat nog in het begin van Uw loopbaan. In Holland denk je er toch ook niet aan als jongste bediende te trouwen. Waarom dan hier wel? Zorg eerst dat je voor je zelf een boterham kunt verdienen. Wacht behoorlijk je tijd af die je zal leeren of je wel tegen het klimaat kunt. Wanneer je safe voor jezelf bent, eerst dan heb je het recht om het lot van een ander in je handen te nemen. Ik raad U sterk aan om Uw meisje niet al te veel illusies te scheppen. Op papier gaat dat zoo makkelijk. We zullen er later nog eens degelijk over praten. Nu gaan we eten.
Om io uur bracht ik Martens naar z’n hut.
Onderweg vroeg hij me: heeft U een revolver?
Jawel. Waarom vraagt U dat?
Ik heb er geen en in die open hut lijkt het me wel veilig

om zoo’n ding bij de hand te hebben.
Ha, ha, ha, is U bang? Slaap maar gerust hoor. Ik garandeer dat niemand het in z’n hoofd zal krijgen om bij een singkeh in te breken.
Zijn hier geen tijgers?
In het bosch wel, maar die komen niet naar de bewoonde wereld.
Martens keek eens rond, als zocht hij naar die bewoonde wereld. Om hoe laat moet ik morgenochtend beginnen?
Komt U maar om halfzes voor mijn hut, dan gaan we samen naar het werk.

HOOFDSTUK XIX
Na enkele mandoers te hebben geïnspecteerd, ging ik weer terug naar de wiedvrouwen, waarbij ik vanmorgen het singkeh het toezicht had gegeven.
Martens kwam me al tegemoet loopen.
Hoe schieten we op? Komen de vrouwen met hun borong klaar?
Dat is nu nog niet te zeggen, ze werken in ieder geval goed door. Hoe zegt U in het maleisch, wie klaar is mag naar huis gaan. Orang jang siap, boleh poelang.
Dank U, ’k zal het even opschrijven.
Let U goed op dat die wijven U niet bedonderen, ’t zijngladmuizen hoor!
Koemi! Laat je vrouwen het gras om de jonge boomen liever met de handen wegtrekken. Met de tadjah beschadigen ze den bast. Denk er verder om dat geen van je koelies iets aan mijnheer vraagt. Jij alleen spreekt met den nieuwen toewan. Begrepen?
Saja toewan.
Hoe heeft U vannacht geslapen?
Niet zoo bijzonder. Ieder oogenblik hoorde ik geluiden, ’t Was net of er iemand om m’n hut scharrelde.
Dat is verbeelding hoor. De tropennacht is altijd vol geluiden, later hoor je die niet meer. ’k Heb zooeven aan den hoofdmandoer gezegd dat-ie een deur voor Uw hut moet laten maken. Vannacht slaapt U dan wel wat rustiger.
Koemi kwam weer naar ons toe.
Tabéh toewan. De nieuwe mijnheer zegt ieder oogenblik „komsir, komsir” wat beteekent dat?
Als U een vrouw voor slecht werken wilt terugroepen, moet U niet zeggen, kom eens hier, maar „balèk”.
Oh, juist. Ze begrepen me ook al niet.
Heeft U een filter?

Ja, van meneer Rensema ter leen. Hij zei dat ik nooit ongekookt of ongefiltereerd water moest drinken.
Dat is ook zoo. Goed door laten koken is de hoofdzaak. Laten we nu maar eens naar het uitzetten van m’n huis gaan kijken. Eenige chineezen waren bezig met latten den grond met rechte lijnen te bekrassen. Overal stonden kleine paaltjes. Het hoofd van de timmerlieden was een handige vent, die bijna alle huizen van de maatschappij gebouwd had. De kamers voor de bedienden waren op de helling uitgezet, zoodat ik straks vanuit mijn ramen, over hun dak een vrij uitzicht zou hebben. Krijg ik later ook zoo’n groote woning?
Jazeker. Er worden er zoo drie gebouwd. Als deze klaar is beginnen we direct aan Uw huis.
Is U wel eens in dat bosch daar over die rivier geweest ?
Neen, dat behoort niet onder Sèlat, wat zou ’k er dus moeten zoeken ? Bij mijn komst hier was geheel Sèlat zoo. U woont nu tenminste op een open vlakte, ik zat indertijd midden in het oerbosch. Zie, over dat lage gedeelte kunt U naar KebonKesasar kijken, een half verwaarloosde rubberondememing. D’r woont één assistent die dat zaakje zoo’n beetje beheert. Kent U die mijnheer ? Is U d’r wel eens geweest ?
Welnee, op dien uithoek komt niemand, ’t Moet een Belg zijn, een gedegenereerd type. Heerema van Goenoeng-Ampat kent ’m wel. Hij vertelde me indertijd dat ‘t een zoon van een dokter uit Luik is. We zouden hem wel eens kunnen opzoeken, als U tenminste niet tegen een wandeling van een uur of wat opziet.
Oh, nee, heelemaal niet. ’k Zou wel eens graag een tocht door het bosch willen maken.
Goed, dat zullen we dan eens hebben.
Gaat U nu maar weer naar Uw wiedvrouwen terug en laat ze poot-aan spelen.
‘t Was half twaalf geworden. De zon naderde haar hoogtepunt en brandde meedoogenloos op de voor mij liggende vlakte. Het zweet liep met straaltjes langs m’n gezicht. Mijn kleeren kon ik uitwringen. Voor ik naar huis ging moest ik nog even naar het

rintissen gaan zien en me overtuigen dat de kiembedden goed vochtig werden gehouden.
Om half een kon ik klaar zijn. Gauw wat eten en dan een uurtje slapen. Bij mijn thuiskomst stond Mioen ruzie te maken met den waschman. De ebbenhout-gekleurde Kling, gekleed in witte jas, roode sarong en hoofddoek, beweerde bij de zielen van zijn afgestorven voorvaderen dat hij van mij slechts elf witte costumes in de wasch had gekregen. Mioen hield voet bij stuk en wilde twaalf stuks terugontvangen. De Kling wond zich vreeselijk op, doch bij mijn komst zweeg hij plotseling. Zijn beide handen naar het voorhoofd brengende, groette hij met een diepe salam en zwoer wederom een plechtigen eed dat Mioen hem valschelijk beschuldigde.
Ik was te vermoeid en te warm om een langdurig heen en weer gepraat over een verloren geraakt pakean aan te hooren. Maak dat je wegkomt en zorg dat morgenochtend het costuum hier is, anders draai ik je nek om. Ga weg!
Nu een lekker bad. Het koele water liep langs mijn rug en armen. Steeds meer en vlugger plonsde ik het verkwikkende vocht over mij heen. De vermoeidheid verdween er gedeeltelijk mee en heerlijk verfrischt, zette ik me aan tafel.
Hoe kom je aan die visch en aan die vruchten Mioen?
Van het hoofd der chineesche timmerlieden. In de kast zijn ook nog djeroeks.
De rijst en de tamelijk goed gebakken visch smaakten me uitstekend. ‘k Had een flinken honger.
Na het eten ging ik op m’n bed liggend de courant even inkijken. Nieuw dagblad, pas drie dagen oud.
Rubbermarkt… mooi zoo, alweer omhoog. Tabaksinschrijving in Frascati. Niet slecht. Buiten was het doodstil. Oeni waagde het tegenwoordig niet meer om tijdens de rust paddi te stampen. Bij de pondok werd op de tongtong geslagen. De koelies gingen weer aan het werk.
Cycloon in de Japansche wateren. Stil laten cyclonen. Wetenschappelijke expeditie naar Nieuw-Guinea. Professor Hutchepot leider. Mag wel oppassen anders maken de Papoeas

nog hutspot van ’m.
Zou ik aan Sarmin zeggen om nog 40 man het bosch in te sturen om hout voor de nieuwe pondok te zoeken? ’t Werd tijd dat de koelies een beter onderdak kregen. De oude woningen lekten als een mandje.
Als de vrouwen nu maar wat beter opschoten. Martens moest er flink achterheen zitten. Mandoer Sidik moest op het eind der maand z’n ontslag maar hebben. Vent van niks…
Bom, ’k gooide me op m’n andere zijde. Nu niet meer denken… Slapen!
Klop, klop, klop!
Ja!
Uw koffie mijnheer, ‘t Is bijna twee uur.
Ja!
Er zit buiten een toewan op U te wachten. Hij wilde niet dat ik U wakker maakte.
Een toewan? Wie? Mijnheer Martens?
Neen, een vreemde heer.
In een oogwenk waren m’n kleeren aan en haastte ik mij naar voren.
Hé, allemachtig Jaap, ben jij het? Waarom heb je me niet laten roepen?
Ben je mal. Jij hebt je rust wel noodig. Hoe gaat het er mee Bob?
Best, best, kerel. Met jou?
Gaat wel. ’k Heb wat met malaria en dysenterie getobd maar dat is gelukkig voorbij. Op die tampat waar ik het laatst zat kim je niet gezond blijven. Jij bent ook ziek geweest hoorde ik op Goenoeng-Ampat, je had het me trouwens al geschreven. Ja, ook malaria. Ga zitten Jaap, wat wil je drinken?
Dank je. Die boy van je heeft me al patent verzorgd.
Jammer dat je niet hier bent geplaatst. Je komt in de tap, vertelde de baas.
Gelukkig wel. ’k Zit graag met jou op een onderneming, maar dan toch niet hier zeg. Goddorie wat een tampat. Hoe heb je

’t al dien tijd volgehouden?
Valt wel mee hoor. Wanneer moet je aan het werk? Overmorgen. Tot zoolang ben ik je gast.
Dat is fijn, maar waar moet je hier slapen?
Oh, dat vinden we wel. ’k Rol me wel ergens op.
Zeg Jaap, k moet naar m’n werk. Voel je ’r wat voor om mee te gaan?
Natuurlijk. We zullen eens zien wat jij in dien tijd zooal hebt uitgevoerd; zoo van den weg af bekeken schiet je al aardig op, geloof ik.
Ja, daarom had ik zoo gehoopt, dat jij me hier zou komen helpen. Nu hebben ze me een singkeh op m’n dak gestuurd.
Dat hoorde ik, van Hartman op Goenoeng-Ampat. Is ‘t nogal een geschikt jong?
Gaat wel. k Denk wel dat we met elkaar zullen opschieten. Woont-ie ook in zoo’n villa als jij hebt?
Zooiets ja, we komen er straks langs.
Kijk, kijk, kijk, wat een apen Bob. Ze trekken je bibit uit. Heb je ’r geen waker bij ?
Jawel, maar dat helpt geen lor. Achter zijn rug breken ze den boel af. Het is net een stel kwajongens. Ze hebben al heel wat schade aangericht.
Schiet ze kapot.
Och nee, stel je voor. Wie schiet nou op apen?
Een ontginning was iets nieuws voor Jaap. Hij had altijd in een tapafdeeling gewerkt. Tot vijf uur sjouwde hij met me mee, heuvel op, heuvel af. Op t laatst kón hij niet meer. Zwart van den rook en ronddwarrelende lalangvlokken kwamen we thuis. Jaap had een dorst als drie paarden en beweerde als gast het eerst te mogen baden.
Als je dan maar wat opschiet, straks komt Martens.
Mioen! Zet een tafel en drie stoelen buiten. Heb je al thee?
Op den hoofdweg slenterden een paar koelies. Laatkomers van het werk. Sarmin kwam de orders voor morgen opnemen.
Laat Djoemat met z’n ploeg tiangs kappen. Begin jijzelf morgenochtend de nieuwe pondok uit te zetten. Je weet de

maten. Tegen een uur of negen kom ik wel kijken.
En dan nog wat. Er wordt in den laatsten tijd weer te veel en te laat gegokt. Om negen uur wordt er getongtongd en dan moet het afgeloopen zijn. Ik wil niet meer hebben dat de koelies halve nachten achter het tolletje doorbrengen. Verstaan? Toewan.
Dat lijkt me geen slechte hoofdmandoer, Bob. Een Madoerees? Ja, ’k heb hem van Goenoeng-Ampat meegebracht. Hij is heel goed, maar nog al een driftkop.
Daar komt dat singkeh van je aan. Wat een slappe Tinus. Neem ’m nou niet in de maling Jaap. ‘t Jog zit toch al een beetje in den put.
Na de kennismaking presenteerde ik thee en sigaretten.
Om hoelaat zijn de vrouwen naar huis gegaan Martens?
Half drie ongeveer.
Zoo vroeg al? Waren ze dan allemaal met hun borong klaar? Nee, maar ze zeiden dat de borong te zwaar was en dat ze het morgen verder zouden afmaken.
Ha, ha, ha, gilde Jaap, hij ’s goed, verdomd goed. Ze zullen het morgen wel verder afmaken. Ha, ha, ha, oh, Bob, hou me vast, ‘k lach me een rotje.
Nou, soedah Jaap. Je vergeet dat wij ook singkeh zijn geweest. Wacht morgenochtend om half zes maar weer op me Martens. Om het gesprek op wat anders te brengen vroeg ik aan Jaap of-ie lust had om op een vrijen dag mee te gaan naar KebonEesasar.
Waar ligt dat?
Drie uur hier vandaan. Aan de overzijde van de rivier.
Wat moeten we daar uitvoeren?
Bezoek brengen aan een Belg die daar woont. Hij zit al een jaar of zes in dien uithoek en ik hoorde dat-ie nogal drinkt. Wie weet wat we voor stakker aantreffen, ’t Zal ’m in ieder geval goed doen om eens Europeanen te zien.
Drie uur heen en drie uur terug, nogal niks ook. Laat die vent hierheen komen als-ie behoefte aan gezelschap heeft.
Vindt U zoo’n tocht door het bosch dan niet interessant,

mijnheer Zeegers?
Niet t minst. D r is hier al meer bosch om me heen dan me lief is. In je werk zit je al den geheelen dag met je neus tusschen de takken en nou ga je op een vrijen dag nóg een beetje in het bosch loopen. Dat is dan voor afwisseling en dan vragen ze nog of je zooiets niet interessant vindt. Gaan jullie maar samen en doe m’n groeten aan dien Belg.
Waar gaat Mioen naar toe?
Laat m maar gaan Bob, ’k heb hem naar den hoofdmandoer gestuurd om een twintig leege rijstzakken te halen. Je moet eens opletten wat een fijn bed we daar van maken.
Maar ik heb geen klamboe voor je. Hoe moet dat nou?
Ook dat komt in orde, Bob, bemoei je er maar niet mee.
Enfin, je moet t zelf weten. Een biertje? U ook, mijnheer Martens, of drinkt U niet?
Zeker wel, ’k drink graag een glaasje mee.
Nou Jaap, vertel me nu eens waarom je zoo plotseling Van maatschappij bent veranderd. Was ’t daar nu werkelijk zóó beroerd?
Ja. In één woord, treurig! De zaak gaat onherroepelijk op de flesch. D’r is geen geld meer. Tantièmes nihil natuurlijk. Koelies kunnen ze niet meer laten uitkomen en de paar die er nog zijn, mogen van de arbeidsinspectie niet meer reëngageeren omdat de maatschappij de pondoks niet in bewoonbaren staat kan brengen, ’t Is een hopeloos gekrabbel om op de been te blijven. Om kort te gaan, de boel staat op instorten en Han lijkt het me veiliger om bijtijds uit mezelf weg te gaan, voordat ik de balken op m’n kop krijg.
Was er geen kans op dat jullie door een krachtiger maatschappij werden overgenomen, dan was je misschien nog goed af geweest?
Uitgesloten. Door gebrek aan contanten is er in de laatste jaren zoo slordig gewerkt, dat de boomen geen sou meer waard zijn. Niemand wil zoo n vernielde kebon overnemen.
Een beetje rooftap dus?
Zeg maar gerust een erge rooftap. Op houtwonden werd niet

meer gelet. Latex en nog eens latex, de boomen waren bijzaak, ’t Is toch zonde van zoo’n onderneming, ’t Heeft in ieder geval kapitalen aan opbouw gekost. Door wanbeheer hebben de aandeelhouders nu een strop en de geëmployeerden moeten maar zien hoe ze een goed heenkomen zoeken.
Dat is zoo. Ik heb nog geboft dat jouw maatschappij hier juist iemand noodig had, al was ’t alleen maar om het pensioen. Wacht, Mioen roept me, ’k kom direct terug.
Wat ziet die mijnheer Zeegers er slecht uit, vindt U niet?
Ja, erg slecht. Indië heeft ’m geen goed gedaan. Indertijd aan boord was-ie Hollands welvaren in eigen persoon. Hij is wèl veranderd.
Heeft-ie misschien veel gedronken, offe…
O, neen, beslist niet. Dysenterie en malaria kunnen je een geweldigen knauw geven. Hij heeft de beroerdste tampat getroffen die er maar op de Oostkust is. Misschien dat-ie hier wel weer wat opknapt.
Bob, Martens, kom nu eens kijken! Is dat even een fijn bed of niet?
Wat heb je nou uitgehaald, halve gare? ‘t Lijkt wel een oliebollenkraam op de kermis.
Dat is m’n klamboe, man. Een oud laken van je op vier stokken. Is-ie goed of niet? Op die stapel zakken lig ik vannacht als een prins.
Als die zaak dicht gaat smoor je toch zeker van de warmte? Welnee!
Nou, enfin, ’t is mij goed hoor. Je hebt het zelf gewild.
Laat Mioen nu de tafel dekken dan gaan wij nog wat buiten zitten. Martens vertelde ons een en ander uit Holland. Toen we aan tafel gingen kenden we zoo ongeveer z’n geheele familie. Een tante van ‘m was met een hoogen Piet aan het departement van Oorlog getrouwd. Zijn vader was makelaar in tabak. Z’n broer studeerde in Leiden voor dokter. Verder had-ie een nicht die met den Italiaanschen gezant getrouwd was en voor afleiding kerkramen naschilderde.
Had je geen ander baantje kunnen krijgen dan assistent in de

rubber, vroeg Jaap. Met zulke connecties als jij hebt kun je het ver brengen.
Misschien wel, maar is het hier dan niet goed?
O, best. Buitengewoon! Reeder en ik zijn ruim twaalf jaar hier en zouden al lang op onze villa in Aerdenhout hebben gezeten als we ’t hier niet zoo leuk hadden gevonden.
Hou nou maar op met kankeren Jaap. Martens zal nog genoeg teleurstellingen ondervinden, ’t Is niet noodig om ’m nu al te ontmoedigen.
Willen we je wegbrengen Martens? ’t Is nogal donker, Mioen kan ons wel bijlichten.
Oh, k durf wel alleen, maar als U me wilt wegbrengen, heel graag.
Is die deur nog gemaakt?
Ja, dat is in orde, dank U wel.
t Was maar goed dat de boy met een fakkel vooruit liep. We hadden anders geen hand voor oogen kunnen zien.
Nou, nou, zei Jaap, mooie hut heb jij, sjieke boel hoor. Brrr, wat een hok. Je moet er eens een kiek van nemen en naqr je zuster in Italië sturen misschien komt ze dan wel eens logeeren. Ga nou maar mee Jaap, dan kan Martens tenminste gaan maffen.
Wacht effe, eerst zien wat er in die kast zit.
Witte pakeans. Geen een in de wasch een aan z’n bast en nog vijf in de kast.
Dat is niet erg veel jo, je moet er minstens twaalf hebben. Wat is dit?
Ah, een flanellen broek; moet je aantrekken als je door het bosch naar dien Belg gaat.
Een tennisraket; kan je te pas komen in dit oord. Bewaar het maar goed.
Wat zit er in die flesch?
Pepermuntolie. Dat gaf m’n moeder mee omdat ik nogal eens last van buikpijn heb.
Daar nemen wij altijd cognac voor, hè Bob?

Kom Jaap, blijf nou met je handen van dien jongen z’n spullen. Vooruit, we gaan weg.
Hé, Mioen! Licht eens bij, ’k zie geen klap. Loop maar voor ons uit.
Wat een hok heb je dat jong gegeven, ook een lolletje als je zoo versch uit Holland komt!
Wat wou je, ’k woon toch zeker net eender? ’t Kan nu eenmaal niet anders.
’t Spijt me voor jou, maar ik ben blij dat ik op GoenoengAmpat ben geplaatst. Stel je voor, hier in die rimboe. Ze mogen jou wel in eere houden.
Doen ze ook.
En je straks hier baas maken op de onderneming die je zelf hebt geopend.
Zal ook wel. Wat wil je Jaap, slapen of nog wat zitten kletsen? Slapen, ’k val zoowat om. Dat sjouwen vanmiddag zit me nog in de beenen.
Weet je wat Jaap, ga jij maar in mijn bed liggen dan kruip ik voor dien eenen nacht wel onder die oliebollenkraam.
God man hoe kom je erbij ? ’k Denk er niet aan. Duik jij nu gauw in je eigen klamboe en maak je over mij maar niet ongerust.
Ja maar, je bent m’n gast. ’t Beste is voor jou.
Niks, niks, niks, ‘k Hg al. Blaas jij die schitterende kroon uit ? ’s Nachts hoorde ik Jaap om en om woelen. Als-ie in de gaten kreeg dat ik wakker was hadden we het grootste spectakel. Zoo nu en dan voerde hij met handen en voeten een hevigen strijd tegen de rondzoemende muskieten.
Op een gegeven oogenblik dook Jaap onder het laken vandaan. Hé, gelukzaHge honderib, word eens wakker! Nee, nee, hou je maar niet zoo, ’k zie wel dat je Hgt te stikken van ’t lachen. Moet je dat zien, ’t Hjkt goddome wel de Sultan van Marokko. Jaap stond in de pyjamabroek en bloot bovenhjf tegen de deurpost geleund. Met beide handen krabde hij over de vurige muggenbeten waar-ie mee bezaaid was.
Hé, grappenmaker, nette gastheer ben jij. Hou je maar niet

slapende, je beduvelt me toch niet. Ga jij eens een beetje op dat fijne logeerbed liggen.
k Heb het je toch vooruit gezegd. Gisterenavond bood ik je aan om hier te slapen, maar nee, dat hoefde niet.
Wist ik dat je er een muskietenfokkerij op na hield ? Man ik ben gewoon blauw gestoken. Laat mij nu een uurtje op dat praalbed liggen en jij op die zakken. Als ’t je niet bevalt ruilen we weer om.
Dank je hartelijk, geniet maar zelf van je uitvinding. Kruip maar vlug in je wieg en hou me asjeblieft niet langer wakker, ‘k Moet er weer vroeg uit.
Oh, oh, oh, Boppie, je gerechte straf zal je niet ontgaan. Wacht maar als eenmaal de wroeging komt. Slaap je alweer…? Langen tijd hoorde ik Jaap nog schelden. Dan weer op mij, dan weer op de muskieten.
Voordat de boy om 5 uur kwam kloppen, stond ik op en kleedde me zachtjes aan. Mijn logé snurkte als een nijlpaard. Het kunstig opgezette laken dat als klamboe had moeten fungeeren, lag met de vier stokken dwars over z’n lichaam.
De heerlijke frissche morgenlucht deed me goed. Een dichte nevel lag over het veld. Ragfijne draden hingen aan de jonge heveaplantjes. De duizenden dauwdruppels schitterden in de stralen der opkomende zon.
In de pondok werd het werksein gegeven.
Martens kwam haastig den weg afloopen en groette mij opgewekt.
Heeft U lang op mij gewacht? ’k Ben geloof ik iets te laat. Welnee, ’t is net halfzes. Goed geslapen?
Oh, ja. Zóó toen ik in m’n bed lag sliep ik en ben niet meer wakker geweest voor Marto me vanmorgen riep.
Ziet U wel dat alles op den duur went ? Daar komen de vrouwen al aan, laten wij maar vast doorloopen.
Ik heb gisteren zeker een mal figuur gemaakt met het naar huis sturen van de wiedkoelies?
Nogal ja. ’k Wou er in ’t bijzijn van mijnheer Zeegers niet op doorgaan, maar spaart U me voortaan alsjeblieft voor

zulke stommiteiten.
Ja maar die vrouwen…
Nee, nee, nee, niet eigenwijs zijn, meneer Martens, ’k heb U uitdrukkelijk gezegd om alleen met de mandoer te praten en niet met de koelies, waar of niet ?
U heeft gelijk, ’t zal me niet meer overkomen.
Och, U zult nog wel meer flaters begaan, dat is nu eenmaal onvermijdelijk. Luister in ieder geval nooit meer naar de praatjes van Uw volk, die bedonderen U toch. Geef een billijke borong en voor de rest geen nieuws. Geen smoesjes of praatjes. Smoelhouwen en opschieten!
Onwillekeurig schoten me de lessen van De Korte in herinnering. Ik had bergen van stommiteiten begaan en was dan nog vaak beleedigd als de baas me er op wees. In die dagen bestond een plantersopvoeding geheel en al uit afbrekende kritiek. Een singkeh moest murw gemaakt worden. De ouderwetsche methode was ruw en hard doch werkte heilzaam. Thans was het mijn beurt om de eerste schreden te leiden van een leerling. Zou het mij gelukken om een even succesvol resultaat te bereiken zonder het oude beproefde systeem te volgen? Hoe dikwijls had ik me diep en diep ongelukkig gevoeld, wanneer in momenten van opbruisenden overmoed, mijn baas me door eenige kleineerende woorden weer terugdreef naar het beginpunt, het „niets-zijn”, het „nog-niets-kunnen”.
Ik wilde Martens hiervoor sparen. Aanmoedigen en op het eergevoel werken, afgewisseld met ernstige bemerkingen waar dit noodig was, waren de hoofdlijnen waarop ik mijn methode had gebaseerd. Het aankweeken van zelfvertrouwen was mijns inziens meer vruchtdragend dan het ontnemen van ieder gevoel van eigenwaarde.
Mandoer Koemi!
Toewan.
Hoe laat zijn je koelies gisteren naar huis gegaan ?
Ongeveer half drie.
Juist, om half drie, maar met hun borong waren ze nog lang niet klaar, hè?

De nieuwe mijnheer zei dat we naar huis mochten.
Ik weet precies wat er gebeurd is mandoer, hou je mqar niet van den domme. Je bent voor het laatst gewaarschuwd. Jij alleen, versta je me, jij alleen spreekt met mijnheer. De koelies werken en houden hun mond. Heb je dat goed begrepen?
Saja toewan.
In de verte zag ik een koelie op ons toehollen. Wat krijgen we nu weer?
Hijgend en struikelend naderde de boodschapper.
Tabeh toe…wan… huh… huhh… Alimin van… mandoer Soekarman… heeft Masoem met een parang… huhh… op het hoofd …ge…slagen,… huh, huh.
Dood?
k Geloof dat-ie… huh… nog leeft.
Hebben ze Alimin gepakt of is-ie er vandoor gegaan ?
De mandoer heeft zijn parang… afgenomen… huh, en wacht nu op U.
Blijft U maar hier mijnheer Martens, straks kom ik nog wel even terug.
Bij den boschrand vond ik alle koelies samengeloopen. In dichten kring stonden ze om den geslagen Masoem.
Ajo, naar je werk allemaal. Vooruit, opdonderen en vlug wat! Wat is er gebeurd Soekarman ?
Lawan mijnheer. Masoem heeft ‘t verloren.
Dat zie ik. Tegen een boomstam geleund zat een koelie. Twee javanen trachtten met gekauwd gras een hevig bloedende hoofdwond dicht te drukken.
Schei uit met dien smeerboel. Hier, leg mijn zakdoek erop en breng m naar mijn huis. Neem ’m maar tusschen jullie in. Een paar meter verderop zat Alimin gehurkt. Hij scheen van het heele geval geen notitie te nemen en rookte kalm zijn strootje.
Bij mijn nadering wierp hij het eindje sigaret weg en groette beleefd.
Waarom heb je Masoem aangevallen ?
Om ’m dood te maken!
18 Dell planter

Zoo bangsat, om ’m dood te maken! Wil ik jou eens doodmaken, babiloe?
Mijnheer mag met me doen wat-ie wil, ‘k ben maar een orangkontrak.
Vertel op. Wat had je tegen Masoem?
Hij houdt het met m’n vrouw. Toen ik vannacht om 12 uur thuis kwam vluchtte hij uit m’n kamer. In het donker kon ’k hem niet te pakken krijgen. Toen ik ’m vanmorgen op het werk zag werd ik panas hati. ’t Is zijn eigen schuld. Tien of twintig jaar kan me niet schelen, ’k vind het alleen jammer dat-ie niet dood is.
Alweer een vrouwenkwestie. De hoofd-administrateur zal wel weer van meening zijn dat zooiets op een goed beheerde onderneming niet mag voorvallen. Waarom sturen ze geen middernachtzendelingen, om op het zedelijk welzijn van de inlanders te letten? In het beschaafde Europa staan de couranten dagelijks vol van liefdesdrama’s. Hier in de rimboe, waar het „oog om oog en tand om tand” als de eenige ware leer wordt aangenomen, is het een bewijs van minder goed beheer wanneer een jaloersche echtgenoot zijn medeminnaar met een parang bewerkt.
Waar is de hoofdmandoer?
Die is om halfzes direct naar het moeras gegaan.
Roep hem hier en zeg dat-ie Alimin naar Kota-Baroe laat brengen.
Bij m’n hut komende zag ik Zeegers druk bezig met het aanleggen van een noodverband om het hoofd van Masoem.
Die heeft een behoorlijke oplawaaier gehad, zeg. Hij bloedt als een rund. Hoe krijg je dien kerel nu naar den dokter?
Karsan moet ’m maar met m’n wagentje naar GoenoengAmpat brengen, daar zal de baas wel verder voor ’m zorgen, ‘k Schrok me een beroerte, ’k Lag lekker te maffen toen die boy van je ineens op de deur bonsde. Die ouwe gek kletste van parang, bloed en mati en ik dacht niet anders of ze hadden jou te pakken gehad.
Gelukkig niet.

Nee, maar ’t zou toch kunnen, nietwaar? Wist ik over wien het ging?
De wond was zoo goed mogelijk verbonden.
Nou, lachte Jaap, je bent weer gerepareerd, stap maar op en blijf voortaan van andermans vrouwen af.
Zullen wij nu gaan ontbijten Bob ? M’n eetlust is er met dat gedonder niet minder op geworden. Waarom heb je me vanmorgen niet geroepen ?
Och, je hebt een beroerden nacht gehad en lag om 5 uur te snurken als een rhinoceros. ’k Vond het zonde om je wakker te maken. Je hebt vacantie.
En wè.t voor vacantie. Als ik weer een paar dagen vrij ben, kom ik ze beslist op Sèlat doorbrengen, ’t Is hier niet ongezellig. Eet nu maar en wees blij dat je niet hier geplaatst bent.
Hier geplaatst ? Ach man, ‘k zou geen dag blijven, laat ze voor mij maar een bejaarden israeliet nemen. Daar komt je hoofdmandoer aan. Kijk ’m een sip snuit trekken.
Heb je van dien aanslag op Masoem gehoord ?
Jawel mijnheer, ’k heb Alimrn juist laten wegbrengen.
Weet je misschien ook wat de aanleiding is geweest?
Een vrouwenperkara.
Juist, je bent goed ingelicht. Je zult dan waarschijnlijk ook wel weten dat Alimin tot 12 uur heeft zitten gokken. Ik heb je toch order gegeven dat na negenen niet meer gespeeld mag worden ?
Ik let er iederen avond op, maar ze zijn moeilijk te snappen. Gewoonlijk staat er één op post die een sein geeft. Als je dan bij zoo n kamertje komt, vind je ze allemaal slapende, ’k Heb er al verscheidene afgeranseld maar ze wagen het steeds weer. Je hebt maar te zorgen dat mijn orders uitgevoerd worden, hoe je dat doet is jouw zaak. Ga maar naar het werk, we bespreken die kwestie nog wel nader.
Ik begreep heel goed dat het clandestien spelen toch niet geheel was tegen te gaan, maar na dit standje aan Sarmin was ik overtuigd dat er vanavond weer eenige rake klappen zouden worden uitgedeeld.

Er moést discipline zijn.
Ga je mee naar het boschkappen?
Natuurlijk. Heb je een wandelstok voor me?
De nevel was opgetrokken, ‘t Begon al weer warm te worden. Wat een terrein, hè?
Geweldig. Zouden hier vroeger menschen hebben gewoond? Waarschijnlijk niet. Op Java is het wat anders. De oudheidkundige dienst heeft daar verschillende opgravingen gedaan, waarmede zij het hindoetijdperk hebben gereconstrueerd, ’k Heb er een heel interessante beschrijving over gelezen. Voor de komst van den Islam stond, vooral in Midden- en Oost-Java, de beschaving op zeer hoog peil.
Voel jij wat voor die theorieën over het vroeghistorisch tijdperk?
Oh, ja, heel veel zelfs. In Holland kon ik uren en uren in een museum doorbrengen. Vooral de urnen en steenen wapenen zijn een studie waard. Ze verplaatsen je geheel in den tijd van duizenden en duizenden jaren geleden, toen de menschen in hun primitieven en onbeschaafden staat de aarde bevolkten. Interesseer jij je daar niet voor Jaap?
Ik? Welnee, ’t Waren net menschen als wij. Als ze over tienduizend jaren een stuk van jouw ribbenkast vinden, zetten ze ’t misschien ook wel in een museum te kijk, met een bordje erboven „Schedel van een planter anno negentienhonderd zooveel, gevonden in Midden-Sumatra. De vorm wijst op een sterk gedegeneerd menschenras, hetwelk zich hoofdzakelijk met bami en bier voedde.”
Wel mogelijk. De oudheidkenners raken nooit uitgestudeerd. Iedere periode is de moeite waard om aan de vergetelheid ontrukt te worden.
Geloof jij dan alles wat ze je probeeren wijs te maken? ‘t Berust me te vaak op vage veronderstellingen. Zoo en zoo zal het wel geweest zijn, als ’t niet zoo is, was het wel anders.
Moet je niet zeggen Jaap. Juist door die opgravingen ontdekt men voorwerpen die een zuiver beeld geven van de verschillende tijdperken waarin óf de opbloei óf de inzinking der be-

schaving duidelijk wordt aangetoond. Vanzelfsprekend is ‘t er wel, eens een beetje naast, maar dat wordt later wel weer herroepen. Bij Pasoeroean bijvoorbeeld, vond eens iemand op een diepte van 3 meter een stuk koperdraad en daar dacht-ie mee aan te toonen dat voor de komst der Europeanen op Java, de telefoon al bekend was.
Dat is nog niks. Bij ons op de onderneming hadden ze eens een gat van negen meter diepte gegraven en wat denk je dat ze daarin vonden?
Nou?
Niks, totaal niks. Zelfs geen stukje koperdraad.
Wat wou je daar mee zeggen ?
Dat voor de komst der Europeanen de draadlooze al bekend was. Stik!
Op drie, vier plaatsen tegelijk kraakte en donderde het in het bosch. Met doffen dreun stortten enkele zware stammen tegen den grond. De echo weerkaatste honderdvoudig dit allesoverheerschende geluid.
’t Is hier verdomd aardig Bob, maar laten we liever den anderen kant opgaan. Je bent je leven geen moment zeker in dat beroerde bosch.
Och wat, k loop hier al maanden rond; als je je oogen gebruikt valt het wel mee. Kom, nog een klein eindje, dan zijn we bij mandoer Moenadji.
Mopperend volgde Jaap. Over stammen klauterend en tusschen takken doorkruipend. Oh, wat vind ik het hier toch leuk, wat vind ik het hier toch leuk. Vacantiegenoegens op Sè… adoe nondedju, doorns als bajonetten. Ik ga terug Bob, da’s geen werk voor een net mensch.
Wat een kerel. Vooruit dan maar, laten we maar gaan kijken hoe Martens met z’n wieden opschiet.
Als hij tenminste al niet naar huis is. Misschien was de borong weer te zwaar, ha, ha, ha, grappig singkeh heb jij.
Zeg m daar nou niks meer over Jaap. ’k Heb ’m vanmorgen al onder handen genomen. Jij houdt dat jong doorloopend voor den gek.

Ook erg. Hebben ze jou zoo haloes behandeld toen je uitkwam ? Gaat nog al, ‘k had niet te klagen.
En die sinjo dan, waar je me vroeger over schreef?
Oh, die Morain? Nou ja, dat was een vervelend sujet, maar die heeft z’n streken dan ook wel thuis gekregen.
Goeden morgen!
Morgen heeren. Zooeven kwam hier een boodschap of Kartodikromo naar de pondok mocht. Haar man moest naar de gevangenis en hij had geen sleutel van z’n kamer. Ik hoorde dat haar man iemand vermoord heeft, is dat zoo mijnheer Reeder? Welnee, zoo erg is het niet hoor. Een kleine vechtpartij, dat komt wel meer voor.
Dat zijn toch nare dingen vind ik. Waarom is hier op zoo’n afgelegen onderneming geen politiepost?
’t Zou nog al niks kosten. Stel je voor, op iedere kebon een paar agenten.
Ja, of een bataljon infanterie, zei Jaap.
Maar als nu een politieke geestdrijver het volk opstookt om die enkele Europeanen die hier wonen af te maken, wat dan?
Nou, dan niks hè. Wat wou je? Als het zoover komt ben je d’r bij, dat is nu eenmaal je baantje.
Jaap lachte. Zit je nou al in de rats Martens?
Nee dat niet, maar…
Och laat Zeegers maar kletsen, hij plaagt graag. Hoe staat het met de wieding? Komt het klaar vandaag?
’k Denk het wel. De meesten zijn al over de helft.
Laat U de lalang goed diep uithalen, met wortel en al. Kijk hier doen ze het goed.
Ken je al wat maleisch, vroeg Jaap.
Zoo’n beetje, ‘t Is nogal moeilijk, ’t zijn allemaal a’s en i’s die je hoort. Soms snap ik er geen jota van.
Je moet maar denken: Ajam is kip, kapal is schip, roti is brood en mati is dood.
Dat is aardig, ‘k zal het onthouden.

Je kunt ook zeggen: Perampoean is vrouw,
dingin is kou. saja ben ik
en perèk sama loe is stik.
Hou maar op met je gedaas Jaap, hij zal het wel zonder jouw mooie rijmpjes leeren. Loopt U maar mee Martens.
Wanneer kom je mij nu eens opzoeken Bob? Je komt toch zeker eens gauw naar Goenoeng-Ampat?
Volgende week denk ik. Op een kegelavond, dan zie ik meteen alle lui weer eens.
Op dat moment vermoedde ik niet dat het weerzien van de collega’s al spoediger zou plaats hebben.
Tegen een uur of zes, ’k had juist gebaad, hoorde ik een auto voor de hut stoppen.
’k Behoefde niet te raden wie het waren. De stem van Koos klonk hoog boven het rumoer uit.
Reeder! Kom er eens uit. Waar zit je in godsnaam. Kruip eens uit dat hol.
De begroeting was allerhartelijkst. Koos stapte het eerst uit. Hierna volgden Karei van Berghe, Hartman en Rensema. Waarom is Sjoerd niet meegekomen?
Die ligt al een week met malaria, je moet de groeten van ’m hebben, ’t Speet ’m dat-ie niet mee kon, maar hier heb je een paar boeken van ’m en over een poosje zal-ie met Orenburg hierheen komen.
Orenburg? Wie is dat?
Een Deensch assistent van Bila. Op ’t oogenblik zonder baantje. Laten we nu eens je villa bekijken. Sjonge, sjonge, wat een sjieke boel. Kunnen we d’r allemaal tegelijk in? Niet zoo dringen asjeblieft. Is dit de salon?
Jawel, hierachter liggen de logeer- en badkamer maar die zijn op ’t oogenblik bezet door Zeegers.
Da s waar ook. Zeegers logeert hier. Hoe krijg je het voor elkaar in dit hok. Waar woont dat jog nu, die Martens? Ook hier misschien?
Nee, die heeft z’n eigen apartementen. Hij zal straks wel hier

komen. Gaan jullie d’r nou allemaal uit, dan zal ik Mioen de stoelen buiten laten brengen.
Een oogenblik later trad Jaap te voorschijn. Hij werd als een oude bekende begroet. Bij de aankomst van de „Oranje” en bij latere ontmoetingen had Jaap een prettigen indruk gemaakt. Ze mochten hem allemaal graag.
Ieder bood hem aan om eenige dagen te komen logeeren totdat zijn huis voldoende geïnstalleerd zou zijn.
Zoo Reeder, vertel eens op. We hebben elkaar in lang niet gezien. Schiet de kebon al op?
Uitstekend. Hoe vinden jullie den nieuwen weg?
Mooi. Een knap stuk werk. Je moet er echter nog meer zand opgooien. Op sommige plaatsen zak je een voet diep in de modder.
Natuurlijk, we zijn bezig. Dat komt allemaal terecht.
Is dat je singkeh, Reeder?
Ja, dat is Martens. Kijk ’m eens verwonderd zijn. Hij snapt niet waar al die Europeanen zoo opeens vandaan komen.
Martens moest zich met een omgekeerde bierkist tevreden stellen, ’k Kwam stoelen te kort.
Rensema vertelde van zijn kwestie met den baas.
Hoeveel boomen hebben je koelies nu meer gekregen?
Geen een. ‘k Heb me net zoo lang verzet en ‘m aangetoond dat het onzin was tot-ie de zaak maar bij het oude het. Hij vindt me een eigenwijs en conservatief product, maar dat laat me koud. Weet je dat-ie in jouw oude ontginning op GoenoengAmpat de opkomende lalang niet meer laat uitvorken? Wij rubberlui zijn veel te bang voor zoo’n beetje lalang. Je moet eens opletten wat dat straks een geld zal kosten, om het weer schoon te krijgen.
Ik heb ook opdracht om maar een beetje te tadjakken, maar ik denk er niet aan. Als de zaak vastloopt, ben ik het kind van de rekening. Merci.
Gelijk heb je.
Mioen bracht thee. Oeni volgde met een groot blad sandwiches. Hé, wat is dat? Ben je tegenwoordig een beetje getrouwd?

Ben je mal. ’t Is de vrouw van mijn boy.
Als je straks een pahitje weggeeft, zullen we je gelooven. De duisternis viel spoedig in. Een zwerm kleine witte avondvlindertjes fladderde rond de op de tafel staande lamp Zeg Rens, dat is waar ook, ken je dien assistent op Kebon-Kesasar? Dien Belg bedoel ik.
Jawel. Van Deume, een zonderling type.
We zijn van plan om ’m eens op te zoeken, hè Jaap?
Dat wil zeggen, jij en Martens, als ik ’t wel heb.
Wat weet je van dien Van Deume, Rens, is ’t een dégénéré? Zooiets ja. ’k Heb hem in geen jaren ontmoet. Vroeger kwamie nog wel eens in Medan. Zijn oude heer is dokter in Luik of Namen, dat weet ik niet zoo precies meer.
Rens nam een nieuwe sigaret en vervolgde zijn verhaal van een planter die in de eenzaamheid het verleden trachtte te vergeten door overmatig gebruik van alcohol.
Van Deume had in Leuven gestudeerd. In het derde jaar hadie een stommen streek begaan door verliefd te worden op een Fransch koormeisje dat met een gezelschap de groote steden van Europa bezocht om hier en daar voorstellingen te geven. Te laat zag hij in dat dit meisje zijn ondergang moest worden. Van Brussel was hij haar naar Hamburg en Diisseldorf gevolgd. In Straatsburg ontstond een publiek schandaaltje toen hij in een restaurant een officier, die verliefde blikken naar het opvallend mooie meisje had geworpen, zoo grof beleedigde, dat niet anders dan met groote moeite een strafvervolging werd voorkomen.
Hierna volgde Weenen, waar de koorgirl een engagement voor een jaar had aangegaan.
In deze lichtstad leefde Van Deume als in een roes. Bedwelmd van liefde stortte hij zich in het nachtleven. In de schitterende en lokkende nachtgelegenheden verloor hij zijn geld en… zijn zelfrespect; hij raakte geheel verstrikt in de zinnenbegoochelende emoties. Steeds weer lokte het lieve kopje.. Haar onpeilbare zwarte oogen dwongen hem voort te gaan, zijn ongeluk tegemoet.

Zijn vader had eenmaal getracht hem tot bezinning te brengen. De levenswijze dokter begreep dat zijn zoon in een droom leefde, waaruit hij straks beschaamd en gedésillusioneerd zou ontwaken. Hij wilde een streep onder het gebeurde zetten en in de hotelkamer te Weenen smeekte de wanhopige vader zijn zoon om de studie weer te hervatten. Tevergeefs! Hij kón niet terug. Alles stuitte af op de koppigheid van zoonlief die steeds vaster en vaster beklemd raakte in de armen die hem langzaam maar zeker naar beneden trokken.
De toelage hield op en het kleine kapitaaltje dat hem bij z’n moeders overlijden was uitgekeerd, begon bedenkelijk te minderen.
Toen kwam de ontgoocheling. Het luchthartige vlindertje voelde niets voor liefde zonder caviaar en champagne. De aanbidders waren talrijk. Ze zocht licht en muziek.
Het duurde maanden en maanden voordat hij besefte dat-ie was bedrogen. Toen was het te laat. Z’n goede, maar strenge vader beantwoordde zijn brieven niet meer.
Twee maanden zwierf hij in de achterbuurten van Antwerpen, totdat een oud studiegenoot hem toevallig ontdekte en door connectie wist te bewerkstelligen dat Van Deume als rubberplanter bij een Belgische maatschappij op Sumatra werd geplaatst.
Hoewel goed van inborst was Van Deume een zwakkeling. Hij had leiding doch bovenal goede vrienden noodig.
Wanneer het noodlot echter terrein heeft gewonnen, laat het zijn prooi niet makkelijk weer los.
Van Deume kwam op een kleine onderneming terecht, ver in het binnenland, met een Schot als eenige collega. Mac-Green was een dronkaard. Als jong officier had hij het leger, wegens verregaand drankmisbruik, moeten verlaten. Najarenlange omzwervingen in diverse havenplaatsen was hij op de Oostkust aangeland. Het moordend klimaat en de whisky mankten spoedig een einde aan dit bedorven leven.
De verarmde maatschappij zond geen vervanger en als bezuinigingsmaatregel bleef Van Deume alleen op de onder-

neming. Vergetelheid en troost zoekend bij den alcohol. Rengema had op eenvoudigen en kalmen toon deze treurige levensgeschiedenis verhaald.
We waren allen onder den indruk en zwegen eenige oogenblikken.
Ik ga toch maar met jullie mee Bob, zei Jaap. ’t Is wel een verdomde reis, maar soedah, je hebt het nu eenmaal in je kop gezet.
Rensema wist de stemming er spoedig weer in te brengen door eenige lollige moppen en gebeurtenissen uit z’n studententijd te vertellen. De avond vloog om en het speet me toen Hartman om één uur voorstelde huiswaarts te gaan. Zij beloofden mijn groeten aan Sjoerd over te brengen.
Nog lang oogde ik de lichten van de auto na, die bij de vele draaiingen van den weg of bij het af dalen in de ravijnen telkens onzichtbaar werden en weer opdoken, totdat zij eindelijk bij een scherpe bocht voorgoed uit het gezicht verdwenen.

HOOFDSTUK XX
Neen, ’k heb er werkelijk geen spijt van. Zoo’n tocht door het bosch moet je eerst meemaken voor je er goed een begrip over krijgt. Ondanks de vermoeienis genoten Jaap en Martens van dit uitstapje en beiden ontdekten steeds nieuwe dingen, waarvan zij zelfs het bestaan niet hadden vermoed. Zeegers, zoo min als onze nieuweling, kenden het oerbosch. Nadat we een moeilijk heuvelachtig terrein waren doorgeworsteld, hadden we het geluk een droge bedding aan te treffen, die ongeveer in de richting van Kebon-Kesasar liep.
De vele bochten en kronkelingen beteekenden wel een omweg, maar we konden hier heel wat makkelijker loopen en derhalve beter opschieten.
Zoo nu en dan versperde een rotsblok ons den weg.
Hoe denk je er over Bob om eens een kwartiertje te gaan rusten. Martens loopt te hijgen als een locomotief met asthma.
’k Wil niet ontkennen dat ik moe ben. M’n schoenen zitten vol zand.
Wat heb je in dien zak Martens, paaschbrood?
Nee. Bananen. Wil je er een paar?
Merci, geef ze maar aan den aap van Reeder.
We zaten op een ongeveer twee meter hoog rotsblok. De geweren en de proviand naast ons.
In de toppen der boomen ruischte de wind. De lange spitse bladeren van de rotan bewogen als op de maat van de hooge trillers welke een kleine vogel, hoog boven ons, deed hooren. Een helgroen gekleurde kameleon waagde zich tot op het uiterste puntje van een twijg om een argeloos torretje te bemachtigen.
Niet ver van ons af klonk het roffelend geluid van een houtspecht die met z’n snavel den stam van een boom bewerkte. Wat was het hier mooi en rustig. De vrije natuur in zijn volste pracht. Zelfs het nietigste plantje had zijn recht en hief, naast

de oppermachtige djohar en marbauboomen, het kopje omhoog, naar het levenbrengende licht.
Hier leefden de vogels in ongekende kleurenpracht hun vredig bestaan.
In een torenhooge toealang zat een neushoornvogel met hautaine minachting de liefdesverklaring van een ijverig minnaar op te nemen.
Het mannetje pronkte met een prachtig rood en geelgekleurden hoorn en hupte onafgebroken twee sprongen naar rechts en twee sprongen naar links
Steeds buigend, trachtte hij vriendelijke keelgeluiden uit te stooten.
Leuke beesten, zei Jaap, kijk ’m zijn best eens doen.
Het vrouwtje bleek echter hooger inspiraties te hebben, want na een lachklank te hebben uitgestooten, spreidde ze haar breede vleugels en schoot met sierlijken zwaai het luchtruim in.
Hoorde je dat? ’t Is verdorie net een menschelijke lach. Typisch hè?
Zijn jullie uitgerust, of wou je nog wat blijven zitten?
Hoe lang zou ’t nog loopen zijn?
‘s Kijken, we hebben nu twee uur en een kwartier stevig doorgestapt, over een half uur kunnen we d’r wel zoowat zijn denk ik.
Gaan we weer de bedding door?
Nee, we moeten meer naar rechts. Hier maar in.
Weer door dat hout wurmen, zei Jaap. Ga jij maar voorop Martens, jij moet het nog leeren.
Ik vind het best, draag jij dan zoolang m’n geweer.
Verhip nou effetjes, draag jij je spuit maar zelf. Steek ’m maar achter je oor.
Zoo nu en dan uitte Jaap een kemachtigen vloek. Zwiep niet zoo met die takken goddome. Au, … verrek een doom. Haal ’m d’r es uit Bob.
Och laat toch zitten man, wat geeft nou zoo’n doorntje? Doorntje? Doorntje? ’t Lijkt wel een assagaai, wil ik ’m eens in

je achterste prikken?
Loop nou maar door, halve gare, ‘t leed is gauw geleden. Ginds op dien top zie ik hevea staan. Dat moet Kesasar zijn.
’t Was inderdaad zoo. Even later stonden we aan den rand van een rubberkebon. En wat voor een kebon!
Nou, nou! Is me dat even een zootje? Heb je ooit zooietsgezien Bob?
Kijk eens wat een boomen. Totaal vernield. Hoe tappen ze hier feitelijk? De cups zijn in geen jaren schoon gemaakt. Jonge, jonge, wat een bende.
Hierheen Martens, dit zal wel een weg moeten voorstellen. Tusschen de boomen werd een huis zichtbaar. Vervallen grootheid.
Zou-ie thuis zijn?
Natuurlijk. Laten we maar eens kijken.
Een hooge trap opgaande kwamen we in een zoo goed als ongemeubileerde voorgalerij. Een ronde rotantafel en eenige wrakke stoelen was alles wat op het eerste gezicht te ontdekken, viel.
Bij onze binnenkomst verrees verder uit een hoek een half gekleede gestalte. Met eenige wankele schreden kwam hij ons tegemoet. Bonjour, bonjour, komen jullie Van Deume eens opzoeken? Da’splesant.
Het ongeschoren gezicht verried duidelijk de sporen van een overmatig alcoholgebruik.
Gaat zitten, gaat zitten. Met een slap handgebaar werden ons eenige schots en scheef staande stoelen aangewezen.
Na vluchtig en weinig officieel kennis te hebben gemaakt, vroeg Van Deume waar we vandaan kwamen en hoe we er zoo bij gekomen waren om zoo’n verren tocht te maken.
Ik vertelde van de ontginning van Sèlat en vond dat we als naaste buren toch eens kennis moesten maken.
In den hoek waar we onzen gastheer het eerst ontdekt hadden, bevond zich een klein tafeltje waarop een half geledigde flesch whisky stond.
Ben je nu al aan den borrel, vroeg Jaap, ’t is pas n uur.

Och ja, waarom niet, hè? Maar ’t is beroerde…. hik… whisky hoor… hik, tjap koeda.
’t Sóhijnt je anders nogal te smaken. Heb je voor ons niet wat anders?
Jawel, zeker. Timah! Timah! Mari sini!
In de deuropening verscheen een javaansche vrouw. Haar dik lichaam puilde aan alle kanten uit een blouse van Europeesch maaksel.
Dat is mijn schoone vrouw,… hik… ha, ha, ha, zeggen jullie maar wat je drinken wilt, maar champie heb ik, hik… niet hoor. Bier en… hik… whisky is er plenty.
Zet jij voor ons maar wat heel sterke koffie Timah.
Heel sterke… hik… koffie… Timah… hoor je het?
Weet je wat jij nu moest doen Van Deume? Jij gaat een uurtje op die rustbank liggen, dan gaan wij wat in de omgeving van je huis rondkijken. Als we straks terugkomen maken we je weer wakker. Doen ?
Maar ik ga toch zeker niet slapen als ik Hollandsche… hik… vrienden… op bezoek heb.
Natuurlijk, antwoordde Jaap, je hebt gelijk, ga nou maar even hier liggen. Zoo! Nou nog die kain over je body en smoel houwen verder.
Ge mot niet zoo… hik boos doen… hi, hi,… oh…
In snikken uitbarstend draaide Van Deume zijn gezicht naar den muur.
Dronkemanstranen. Laat ’m maar liggen.
Martens had tot nog toe niets gezegd. Met groote oogen keek hij naar het voor hem ongewone schouwspel.
Kom, laten wij maar haar buiten gaan.
God, God, wat een zatladder. Hoe vind je nou zoo’n vent Bob, treurig, hè ?
Ja, beroerd geval van degeneratie, hopeloos naar den bliksem.
Achter het huis komende, stonden we plotseling verwonderd te kijken naar een complete diergaarde.
Massa’s kippen en eenden kakelden en snaterden dooreen.

Hiertusschen zat, parmantig kijkend, een tamme neushoornvogel.
Aan een ketting slingerde een groote zwarte aap, die bij onze verschijning de zotste gezichten begon te trekken.
Vier kleine boschvarkentjes liepen knorrend en wroetend onder de vervallen bijgebouwen.
Hij schijnt tenminste toch van dieren te houden, zei Martens, dat zijn doorgaans niet de slechtste menschen.
Jaap amuseerde zich geruimen tijd met den aap. ’t.Was een reuze grappig dier. In minder dan geen tijd had-ie zich van den inhoud van Jaaps zakken meester gemaakt, ’t Kostte heel wat moeite en vriendelijke woordjes om de voorwerpen, als: sigarettenkoker, lucifers, zakdoek en zakmes weer terug te krijgen. De onderneming zag er schandelijk verwaarloosd uit. De lalang tierde welig. Aan wieden werd schijnbaar nooit iets gedaan.
Je krijgt zoo’n idee dat-ie zich niet erg druk maakt, als je ’t mij vraagt laat-ie den boel maar groeien zoo‘het groeit.
’t Is maar de kwestie of z’n maatschappij de noodige contanten voor onderhoud ter beschikking stelt.
Zou er voor zoo’n man nu niets te doen zijn? Ik bedoel een betrekking in een andere omgeving of zoo.
Waarschijnlijk niet. Wie wil zoo’n drankorgel in dienst nemen? Hij boft nog dat-ie hier kan blijven zitten, ’t Is een alleenstaande kebon, dus er is niemand die ’m op z’n vingers kijkt.
Ik hou op z’n tijd van een borrel, zei Jaap, maar om me ’s morgens om io of n uur op mijn eentje te gaan bezatten, nee, dat gaat boven m’n petje.
Bij onze terugkomst lag Van Deume als een os te slapen. Laat ’m nog maar wat liggen, ‘t zal ‘m goed doen.
Op gedempten toon zetten we het gesprek voort.
Martens wees op een kleine foto, welke met een punaise tegen den dinding was bevestigd.
Zou dat het meisje zijn waar Rensema van vertelde? Misschien wel. Knap ding, zeg! Geen wonder dat-ie er zoo gek opwas.
Ja, ze is het, kijk hier heb je ’r weer, in balletcostuum, la, la, la,

boekanmain tjanti.
Leg nou weg Jaap, hij kan ieder oogenblik wakker worden. Uit den hoek klonk een langgerekte geeuw.
Zoo, ouwe jongen, ’t slaapie uit? Hier, pak aan, een fijne kop sterke koffie.
Nondedju, waarom hebben jullie me niet eerder geroepen? ‘k Heb waarachtig liggen slapen terwijl ik bezoek heb.
Hindert niks. We hebben in dien tijd je diergaarde bekeken. Een oogenblikje. k Zal me even gaan baden en kleeden. Wil ik zoolarc de grammofoon opdraaien?
Nee, spaar ons, antwoordde Jaap, we zijn niet erg muzikaal. Zoo je wilt. ’k Zal aveseere.
Hoe moet dat gaan als die man eens ziek wordt, vroeg Martens; een dokter of eenige verpleging is hier natuurlijk niet te vinden.
Dan helpt z’n huishoudster hem wel.
Ja maar als…
Och jij met je als, als… als mijn tante twee wielen had was zij een rikshaw.
Timah kwam vragen wat we straks wilden eten.
Breng het menu maar even, antwoordde Jaap.
Wat zegt U mijnheer?
Niks. Geef maar wat je hebt.
Gadverderrie wat een slons, hè? ’k Zie net zoo lief dat krullekopje op dat portret.
Je moet niet vergeten dat dat lieve krullekopje hem den put in heeft geholpen en dat deze slons als ’t er opaan komt ’m op de been zal houden… sstt, daar komt-ie aan.
Hoewel de zwarte kringen om de oogen en de fletse gelaatskleur van Van Deume zijn ongezonde leefwijze aanduidden, zag hij er toch wat meer presentabel uit dan een uur geleden. Het stadium van degeneratie was nog niet in die mate gevorderd dat hij de vreemde ontvangst van daarstraks ongemerkt liet passeeren.
Na enkele verontschuldigende woorden hierover, trachtte hij het ons eenigszins aangenaam te maken, voor zoover dit hier
19 Deli planter

dan mogelijk was. We kregen een beknopt verslag van een failliete maatschappij en momenteel particulier bezit van één der vroegere commissarissen.
Geld was er niet. Salaris kreeg hij zoo nu en dan maar eens. Van tantièmes was natuurlijk geen sprake.
’t Kan me ook geen lor schelen. Wat moet ik hier met geld doen?
U zoudt toch kunnen sparen en dan over een paar jaar naar België kunnen terugkeeren, vond Martens.
Van Deume zat onderuit gezakt in den wrakken stoel, met de beenen voor zich uitgestrekt.
Met doffe oogen staarde hij eenigen tijd voor zich uit.
Naar België terugkeeren? Waarom?
Kom, U hebt toch allicht familie, een vader of moeder? Neen!… Zich met een ruk oprichtende, vervolgde hij, wat drinken jullie, bier of een pahitje?
We hadden wel dorst en het was op de galerij snikheet geworden. Dus bier.
Je moet ’r eens uit, Van Deume, kom me eens opzoeken, dan gaan we samen naar Goenoeng-Ampat, daar zitten een paar geschikte lui.
Ja, dat is goed, dat zullen we eens hebben.
Klets je nou maar wat, of kom je werkelijk?
Nee, nee, ik kom. Willen we aan tafel gaan?
Of de tocht door het bosch onzen eetlust had aangewakkerd of dat de kookkunst van „de slons” zoo buitengewoon was weet ik niet, maar een angstige hoeveelheid bami verdween in onze maag.
Ofschoon we met opzet ons zoo bescheiden mogelijk van het bier bedienden, belette dit onzen gastheer niet om zichzelf hiervan rijkelijk in te schenken. Eten deed hij bijna niet, doch drinken des te meer.
Ik begreep dat goedbedoelde raadgevingen als parelen voor de zwijnen zouden zijn. Alleen een andere omgeving en dagelijkschen omgang met goede en wilskrachtige vrienden zouden misschien nog iets kunnen bereiken.

Na het eten gingen we nog eens naar de menagerie kijken. Jaap wou met alle geweld met den aap sollen.
’t Was opmerkelijk hoe iemand als Van Deume, die volslagen onverschillig was voor alles wat zichzelf, zijn omgeving of zijn toekomst betrof, zoo gehecht was aan z’n dieren.
Zachtjes liefkoosde hij den aap, die zijn lange armen om zijn hals had geslagen.
Zelfs de neushoornvogel op z’n schouder zat met scheefgedraaiden kop aandachtig naar de vriéndelijke woordjes te luisteren.
’t Werd tijd om den terugtocht te aanvaarden. Van Deume bracht ons tot den boschrand weg.
t Is dus afgesproken dat je me eens komt bezoeken, kan ik er op rekenen?
Ja, dat komt voor elkaar. Letten jullie maar goed op de richting, als je verdwaalt, ben je nog niet gelukkig.
Tot nu toe hadden we wel denzelfden weg van ’s morgens te pakken. Hier en daar waren takken gebroken en zagen we zoolafdrukken in den weeken bodem.
Wat denkt U, vroeg Mariens, zou-ie werkelijk eens naar Salat komen ?
‘k Betwijfel het sterk. Hij praatte er steeds overheen. Enfin, wij hebben ons best gedaan.
Het houtgewas werd dichter en als gevolg hiervan kwam het daglicht schaarser door.
Zijn we hier wel goed Bob? Hier hebben we vanmorgen toch niet geloopen?
Nee, k geloof ook dat we wat afgedwaald zijn, maar als we deze richting houden, moeten we vanzelf bij de bedding uitkomen.
Kijk dan eens op je kompas.
Verrek, waar heb ik dat ding?
Zoek nog eens. Heb jij het Mariens?
Nee, maar ’k herinner me dat het bij Van Deume op tafel lag. Dan maar zonder kompas. Ginds is de zon net ondergegaan, dat is dus het Westen. We kunnen niet dwalen.

Zeg Bob, zal ik m’n geweer hier aan dien tak hangen? ‘t Is toch maar een schietijzer uit het jaar nul.
Ben je niet wijs? Meenemen, of je geeft me een nieuw.
Hou jij ’t dan even vast Martens, ’k moet even mijn veter dichtknoopen.
Zet het maar zoolang tegen dien boom. Ik heb aan één geweer genoeg.
Gochem singkeh heb je Bob. Hij vertrouwt me voor geen cent. Verstandig van ’m!
De duisternis maakte het loopen moeilijk. Ieder oogenblik haakten we aan de doornstruiken of struikelden we over takken.
Het laatste kwartier waren we steeds gestegen. De beenen begonnen als lood aan te voelen.
Martens was ongetraind en had het zwaar te verduren. Hij hijgde naar adem.
Hooger steeds hooger klommen we, tastend in het donker naar een tak of Haan waar we ons steun aan konden geven.
Ik kan haast niet meer, zuchtte Martens, ik verga van dorst. Hier, zei Jaap, hem zijn veldflesch toereikend, drink op.
Er zit bijna niets meer in en U hebt misschien zelf dorst. Drink op en zanik niet.
Na vijf minuten stonden we op een plateau, ‘t Bosch was hier minder dicht.
Het zweet Hep langs ons gezicht, de knieën knikten van vermoeidheid.
Heb jij nog eenig idee welken kant we uitmoeten, Bob?
Nee, we zijn geloof ik de kluts kwijt, ’t Is krankzinnigenwerk om maar op goed geluk door te loopen. Wie weet in welk ondoordringbaar gedeelte we straks terecht komen.
Wat wou je dan doen?
’t Eenige wat er op zit is om maar tot morgenochtend hier te bHjven. Als het dag wordt kunnen we misschien de richting bepalen.
Wat moois. Dat is de tweede keer dat ik mijn vrijen dag bij jou doorbreng. Heb je nog meer van die uitstapjes op het oog?

Mopper nou maar niet ouwe kankerpit, daar komen we geen klap verder mee.
’t Is maar gekheid jó, heb je nog een giftstengel voor me?
M n laatste, pak aan. Steek per ongeluk niet mijn koker in je zak.
Zouden hier tijgers in de buurt zitten, vroeg Martens. Kunnen we niet een vuur aanleggen ?
Je hebt zeker veel boekjes over Buffalo Bill gelezen. Daar leggen ze één, twee, drie een vuurtje aan en braden er een stuk hertevleesch boven. Hier heb je gelegenheid om het in practijk te brengen; probeer het maar eens. Alles groen en levend hout om je heen en voor de rest rotte bladeren en takken, alles drijfnat. Dat stomme hert laat ook maar op zich wachten.
Hoe laat is het, mijn horloge staat stil.
Half negen.
Wat vind ik het toch leuk, wat vind ik het toch leuk! ’k Zal er maar bij gaan zitten, wat jullie doen weet ik niet.
Zoo! Vertel jij maar eens wat over je zuster in Italië, of over je Pa, dat vind ik ook wel interessant.
U steekt overal den draak mee. Kunt U wel eens ooit ernstig zijn?
Oh ja, toch wel, maar als je in die beroerde binnenlanden wilt lachen moet je eerst jezelf kietelen.
Met elke minuut werd het donkerder en de stilte intenser.
De vogels die ’s morgens in alle toonaarden hun levenslust hadden uitgeschald, hadden zich nu zingensmoe een rustig plaatsje tusschen de takken gezocht of wachtten onder de dichte bladeren op de komst van den nieuwen dag. Het minste geluid accentueerde de stilte en zelfs een vallend blad deed ons zoo nu en dan opschrikken.
Overdag imponeerde het machtige oerbosch en kwam je als natuurliefhebber onder den indruk van den mooien en rijken plantengroei, van de kleurige vlinders en vogels. Dan voelde je je klein naast de geweldige stammen die reeds eeuwen en eeuwen hier stonden.

Nu, in de tastbare duisternis beklemde ditzelfde bosch en was het of uit alle richtingen gevaar dreigde.
Martens kwam er rond voor uit dat hij het hier niets prettig vond en vroeg fluisterend of we toch maar niet zouden probeeren den weg naar huis te vinden.
God man, praat maar harder, of ben je bang dat je de buren zult wakker maken.
Nee, maar ’t is hier niet om uit te houden.
Zoek dan een weg, antwoordde Jaap. Je kunt geen hand voor oogen zien. Wat wou je nou als een idioot gaan rondsjouwen!
Boven ons klonk een zacht kraken.
Wat is dat ?
Och, misschien een aap. Wees toch niet zoo kinderachtig bang. We hebben als ’t er op aankomt toch nog drie geweren? Ik dacht dat je flinker was Martens.
Zouden we niet om beurten wat gaan slapen, wat denk je Bob? Ga je gang maar. Je zult op dien natten grond wel niet erg lekker liggen en de bloedzuigers en muskieten knagen direct aan je botten.
Opeens brak de maan weifelend door de wolken, zoo nu en dan het plateau spaarzaam verlichtend.
’k Ga eens wat rondloopen, zei Jaap, je wordt stijf van dat zitten.
Pas maar op dat je niet afdwaalt, we moeten bij elkaar blijven. Toch een eigenaardige man die Zeegers. Hij kan soms zoo vreemd tegen me doen, zoo onverschillig Maar daarstraks gaf-ie mij z’n laatste beetje thee, terwijl-ie natuurlijk zelf dorst had. Oh, neem gerust van me aan dat het een beste kerel is. Hij doet zich graag ruwer voor dan-ie werkelijk is. Aan boord gaf-ie indertijd zijn laatsten cent aan een van de scheepslui die in de beroerdigheid zat, met het gevolg, dat toen we van boord gingen, hij aan mij reisgeld moest vragen, ’t Is nu eenmaal een would-be type, maar met een hart van goud. In Deli is het hem ook al niet erg meegeloopen moet je rekenen. Tegenslag op tegenslag. Bij hoeveel maatschappijen is-ie nu al

geweest. Hier was het dit, daar weer dat. Natuurlijk komt er wel wat eigen schuld bij, maar er zijn ook menschen die veel wanboffen. Door al dat veranderen word je in den regel niet veel beter. Hij moet bijvoorbeeld hier weer van voren af aan beginnen, ’k Verwonder me nog hoe-ie er zoo’n opgeruimd humeur bij houdt. Hij kan wel eens bitter uit den hoek komen, maar meent er niets van.
Opeens brak Jaap tusschen de takken door. We schrokken van z’n haast.
Ga mee lui, we zijn vlak bij de bedding van vanmorgen. Nog geen veertig meter hier vandaan zag ik het zand in het maanlicht schitteren. Zijn wij eventjes een stel kameelen ? Kom mee! Hij had gelijk, ’t was inderdaad de bedding waar we zoo naar hadden gezocht. Dat was een uitkomst. Nu behoefden we niet den geheelen nacht in het vochtige bosch door te brengen. Het vooruitzicht om straks weer in een bed te kunnen slapen inplaats van op den natten grond, deed ons opgeruimd en flink den pas erin zetten. De gedwongen rust had ons goed gedaan.
Wat zeggen jullie daarvan ? Ben ik een spoorzoeker, of niet ? Reusachtig, maar je moet er niet zoo mee geuren.
Na een uur loopen bereikten we den boschrand en een gelijktijdig geslaakte zucht verried dat we allen den toestand eenigszins penibel hadden gevonden.
Wat wou je doen Jaap? Je kunt natuurlijk bij mij slapen, of wou je liever door naar huis?
Dóór natuurlijk. Kan ik je paard en wagen krijgen? ’k Moet om halfzes weer op m’n werk zijn.
We zullen den seice wel optrommelen. Als je wat doorrijdt, kun je om één uur op Goenoeng-Ampat zijn.
’t Was een emotievolle dag geweest, welke nog lang in onze herinnering zou blijven.

HOOFDSTUK XXI
Mijn huis kwam goed tot zijn recht op den hoogen heuvel. Van de breede voorgalerij had men een ruim uitzicht over den geheelen jongen aanplant. Vier ramen aan de achterzijde der woning zagen uit op het diepe ravijn, waarin zich bruisend en spattend een riviertje kronkelde. Aan de overzijde hiervan lagen de dichte bosschen, die in massieve eenheid als het ware de wereld afsloten.
Het uitzicht hierop was onbeschrijfelijk mooi, vooral wanneer de zon haar laatste stralen in matgouden schijn deed glanzen op het veelkleurige bladerdak.
Een flink eind van de koeliewoningen verwijderd, lag het huis heerlijk en rustig. Vroeger zou ik gezegd hebben „akelig eenzaam”.
Nu genoot ik ’s avonds van de weldadige stilte om mij heen. Met voldoening kon ik terugzien op hetgeen achter mij lag. Op alles wat op Sèlat tot stand was gekomen. Uit onproductief oerbosch was een onderneming gegroeid, welke een belangrijke aanwinst voor de maatschappij beteekende. Nimmer werd ik verzadigd van het uitzicht op de onafzienbare rijen jonge heveaboomen. Kaarsrechte stammetjes met een gezonde overvloedige bladerenkroon.
Het meubilair dat indertijd op Goenoeng-Ampat was opgeslagen, had danig van de rajap, de alles vernielende witte mieren, geleden, ’k Had er Jaap gelukkig mee gemaakt. Die vond het nog prachtig.
In Medan had ik een eenvoudige doch keurige inrichting gekocht. ’t Had wel een diepe bres in mijn duiten geslagen, maar dat moest ik er voor over hebben. Op een onderneming als Sèlat gold het „My home is my castle” als nergens anders ter wereld. Daarom mocht ik geen spijt hebben van de hieraan bestede kosten.
Voor Mariens had ik een eenvoudige slaapkamer ingericht, die,

wanneer hij later op zich zelf zou wonen, als logeerkamer kon gereserveerd worden. Van de eet- en schrijfkamer, alsmede van badkamer en voorgalerij maakten we gemeenschappelijk gebruik. Hierdoor had Martens al dadelijk een gezellig tehuis en geen directe kosten. Mijn personeel bediende ook hem en voor de kost betaalde hij me een billijk bedrag, waarbij rekening was gehouden met zijn klein aanvangsalaris.
Het was me gelukt hem uit den beer te houden. Ik wist hoe schulden en de hiermede gepaard gaande onaangenaamheden, deprimeerend konden werken.
Een week nadat de woning door ons was betrokken, had ik, ter inwijding, den collega’s van Goenoeng-Ampat een fuif aangeboden.
Ze waren vroeg gekomen om vóór alles de onderneming te bezichtigen.
Eenparig waren zij het er over eens dat Sèlat een prachtkebon was geworden. Mijn compliment Reeder, had Rensema gezegd. M’n compliment kerel, ‘t Ziet er buitengewoon keurig uit. Wanneer de directeur weer op bezoek komt en dit stukje werk heeft bekeken, dan is je toekomst gemaakt. Als je hier baas bent, valt er nog wel wat te verdienen.
Misschien wèl ja, ’t zal veel van de rubberprijzen afhangen. Nou ja, ups en downs houd je altijd. De bekende vette en magere jaren maak je allemaal mee. Op den duur komt dat wel terecht.
’t Was dien avond een gezellige boel geworden. Tot diep in den nacht waren de gasten gebleven.
In Martens had ik een prettig collega en een ijverig leerling gevonden. Natuurlijk botste zijn uit boeken verkregen kpunic wel eens met mijn in de practijk opgedane ervaring, doch we waren het steeds zonder onaangenaamheden eens kunnen worden.
Zooals ik zelf was begonnen, klom ook Martens langs den ladder van steeds belangnjker wordende werkzaamheden omhoog.

In het begin was het voor hem wel eenigszins eentonig geweest. Het toezicht houden op een ploeg wiedvrouwen verveelt gauw. De maleische taal kreeg-ie echter goed onder de knip en dat was noodzakelijk alvorens ik hem een afdeeling javanen kon toevertrouwen.
Successievelijk leerde ik hem het rintissen, oculeeren, de zadenselectie etc. etc. Het moeilijkste gedeelte was wel om den juisten omgang met de koelies aan te kweeken. Dit vooral is van groot gewicht. Zoo heel gemakkelijk vervalt men van het eene uiterste in het andere. Er is geen rechte lijn voor af te bakenen. Ieder geval moet op zich zelf beoordeeld en behandeld worden.
Met kalmte en bezadigdheid kom je heel ver. Toch is het dikwijls noodzakelijk om je waardige houding te laten varen en eens flink uit te vallen. Sommige elementen imponeer je niet anders dan met krachttermen. Ik had hem streng op het hart gedrukt om vooral niet te slaan. Hij mocht zich onder geen voorwaarde tot hardhandig optreden laten provoceeren. Van een jong assistent wordt dit in den regel niet geaccepteerd. Een singkeh weet nog niet te onderscheiden wie van zijn koelies een behoorlijk pak slaag als verdiend beschouwt en wie eenzelfde afstraffing, als diep beleedigend, bloedig zal wreken. Bij ernstige brutaliteit of onwil had Martens strikte opdracht om niet zelf te handelen, doch mij te waarschuwen.
Hierdoor hadden zich tot op heden geen ernstige dingen voorgedaan. Na het onaangename gebeuren met Djojo was het vrij rustig gebleven. Slechts vier onverbeterlijken had ik naar Java moeten terugzenden. De enkele overgebleven belhamels hadden na mijn „onder vier oogen systeem” de wijste partij gekozen en zich verder kalm gehouden.
Op een goed beheerde onderneming mogen zich geen excessen voordoen, had de heer Steenhuis gezegd.
Door de prettige verstandhouding en de interesse die we beiden voor ons werk hadden, vloog de tijd om. Je leefde hier snel. Het was nu al weer ongeveer drie jaar geleden dat Martens op Salat was gekomen. Alsof het gisteren was gebeurd zag ik nog

zijn bedremmelde gezicht toen hij zijn eerste „woonhuis” betrad. Moet ik hierin wonen?
Nu lacht hij nog dikwijls om zijn slapelooze nachten. Thans is hij ’s avonds te moe om te luisteren naar vreemde geluiden om zijn huis.
De hoofdweg was nu uitstekend berijdbaar geworden. De modderige gedeelten waren met puin verhard. Stevige permanente bruggen hadden de noodbruggetjes vervangen. Tweemaal per maand bezochten we samen de kegelclub op Goenoeng-Ampat. Dat waren weer ouderwetsche spontane avonden. Jaap en Martens waren als prettige collega’s in de samenleving opgenomen.
Wel probeerde Jaap zoo nu en dan om zijn bekende plaaglust op Martens bot te vieren, doch deze wist er in den regel wel zoo op te reageeren dat hij de lachers op zijn hand had. Zijn Hollandsche bescheidenheid had plaats gemaakt voor Delische vrijmoedigheid. Zijn goedgekozen replieken brachten zelfs Jaap in verwarring.
In den laatsten tijd hepen de gesprekken op de club veelal over de terugloopende rubberprijzen. Hier en daar werden bij kleine maatschappijen assistenten en zelfs administrateurs ontslagen. In den regel hoorde je daar weinig van of werd er beweerd dat deze of geene onderneming wegens te weinig loonende productie uit de tap was genomen. Soms hoorde je dat eenigen assistenten, uit hoofde van vergevorderden leeftijd, ontslag was aangezegd. Dan weer waren het singkeh’s, die wegens gebleken ongeschiktheid werden teruggezonden.
Het aantal repatrieerenden begon echter op te vallen en werd het gesprek van den dag.
Wij behoefden ons echter niet ongerust te maken. Wel bleven de tantièmes uit, doch van salariskorting, zooals die hier en daar reeds geschiedde, was bij ons geen sprake.
De hoofdadministrateur had zich onlangs nog zeer optimistisch uitgelaten over den huidigen toestand. Hij had ons o.a. medegedeeld, dat het in de bedoeling der directie lag om nog een rubberonderneming te openen. Een kebon die zeker twee-

maal zoo groot zou worden als Salat. Ook de aanleg van een zwembad op het hoofdemplacement te Batoe-Lama, dat op f 35000 was geraamd, gaf wel een idee dat de directie niet bevreesd was voor de toekomst. Verschillende luxe-uitgaven die de maatschappij deed, brachten ons in de veronderstelling, dat de val der rubberprijzen voor ons geen reden tot ongerustheid behoefde te zijn.
Neen, wij behoorden tot de gelukkigen en leefden volkomen mee met de onfortuinlijke collega’s van minder kapitaalkrachtige maatschappijen.
Reeds eenige malen had de heer Keppel mij toegezegd een derde assistent op Sèlat te plaatsen. Het onderhoud van het beplante terrein werd geleidelijk aan moeilijken De terrassen leden onder de zware regens. Wanneer de verzamelde watermassa’s door een zwakke plek braken, moesten onmiddellijk herstellingen worden verricht.
Terwijl ik de ontginnings- en plantwerkzaamheden leidde, had Martens zijn handen vol aan het onderhoud, zoodat ik nu begon aan te dringen op de komst van den derden assistent. Aan den hoofdmandoer had ik reeds meer werk opgedragen dan in zijn positie gewenscht was. Indien hij met een te groot gedeelte der werkzaamheden wérd belast, benam dit hem de mogelijkheid om voldoende contact met de geheele koeliebevolking te houden.
Ik kon me gelukkig achten met rustig en tevreden werkvolk, maar moest er wel voor waken dat dit zoo bleef. Een enkele onruststoker kon veel kwaad veroorzaken.
Zoo nu en dan doken weer ontstellende berichten op. ToealangDoewa gesloten. De D.C.O. ontslaat 14 employés. Rubberrestrictie in overweging genomen.
Zou het bij ons nu maar allemaal rustig op den ouden voet blijven doorgaan?
Twee assistenten waren kort geleden van verlof teruggekeerd en hadden zelfs een singkeh meegebracht.
Indien de directie van plan was te gaan bezuinigen, had

zij zich deze kosten kunnen besparen.
Met onverminderde energie werd op Sèlat bosch ontgonnen. Steeds dieper vraten de scherpe bijlen in het donkere oerwoud. Waren hier geen symptomen van financieelen achteruitgang? Toch wel. Karei van Berghe meende dat bij ons onverantwoordelijk hoog spel werd gespeeld. De tabak verloor. De rubber bracht steeds minder op. Waar moest dit op uitloopen!

HOOFDSTUK XXII
De tijden zijn slecht, heel slecht geworden. Bij alle maatschappijen wordt bezuiniging op drastische wijze toegepast. De wereldvoorraad rubber overtreft elke schatting en hoorbaar kraken verscheidene maatschappijen op haar te zwakke fundeeringen. De prijzen zakken schrikbarend en allerlei lap- en hulpmiddeltjes worden toegepast om den kostprijs maar te drukken. De salarissen der employés zijn reeds met 20 tot 30% verlaagd, ’t Helpt niets. De rubberprijzen blijven dalen. Systemen, welke vroeger als prul- en knoeiwerk angstvallig werden vermeden, worden nu toegepast.
Bij tientallen tegelijk zijn reeds de assistenten naar huis gezonden. Honderden en honderden moesten Deli vaarwel zeggen, om elders hun geluk te beproeven.
’t Waren voorloopig wel niet de besten die ontslagen werden, doch het water naderde bedenkelijk de lippen van hen, die in normale omstandigheden zeker gehandhaafd waren gebleven. De spanning groeide bij den dag. Steeds somberder pakten de donkere wolken zich samen boven de maatschappijen, die in de goede jaren hun groote winsten op onverstandige wijze hadden belegd. Met de verknoeide tonnen gouds, waren de zoo noodzakelijke reserves verdwenen.
’t Was of een aardbeving woedde, die diepe kloven in Sumatra’s vruchtbaren bodem scheurde, waarin de eene maatschappij na de andere zieltogend ten onder ging.
Het resultaat van zwaren arbeid en jarenlange noeste vlijt, werd meedogenloos teniet gedaan.
Als door onzichtbaar gifgas overgoten, zonken de eertijds zoo bloeiende ondernemingen ineen. Kwijnend poogden zij zich nog zoo lang mogelijk staande te houden, totdat ook zij ten leste moesten capituleeren voor het dreigende crisisspook.
Bij onze maatschappij heerschte een ware paniekstemming. Reeds 30 employés waren ontslagen, waarvan Jaap de

eerste was geweest.
Als een van de laatst aangenomenen had hij de reeks slachtoffers geopend. Hij was naar Java vertrokken waar een oom van ’m een rijstpellerij bezat. Misschien dat die ’m kon helpen.. Op Pinang-Riboe en Goenoeng-Ampat had de ontslagorkaan danig huis gehouden. Rensema en Sjoerd waren reeds een maand geleden naar Holland vertrokken. Hartman was eenige dagen geleden ontslagen. Het afscheid van hem was pijnlijk geweest. Steeds hadden we elkaar in raad en daad kunnen steunen. Nu stonden we machteloos.
De heer Steenhuis had als hoofdadministrateur het gebouw het eerst hooren kraken en was wegens gezondheidsredenen tijdig naar Holland vertrokken. De heer Keppel was hem opgevolgd. Aan hem was het onbetwiste genoegen te beurt gevallen om het commando over het zinkende schip te voeren.
Koos van Geldorpe was als tijdelijk beheerder op GoenoengAmpat aangesteld. Uitdrukkelijk was hem echter gezegd, dat hij zich vooral geen illusies moest maken.
De ontginning op Sèlat was stopgezet. Er mocht geen cent meer worden uitgegeven. Bezuinigen en nog eens bezuinigen! De aanbouw van het derde huis moest worden gestaakt, ’t Had geen doel meer om het af te maken. Vanuit mijn mooie woning op den heuvel kon ik het werk van de laatste drie en een half jaar overzien. De hevea stond er zoo prachtig voor. Jonge krachtige boomen, wier melksap helaas geen handelswaarde meer bezat. Ook die moesten straks aan de verwildering worden prijsgegeven.
Martens had zich als een flink assistent ontwikkeld. Zijn werk was goed en graag erkende hij, dat mijn ervaring zijn richtsnoer was geweest. We hadden op de meest prettige wijze samengewerkt. Nu zou dit alles veranderen. SÈtlat had geen behoefte meer aan twee assistenten. Een van ons was hier teveel.
Meermalen besprak hij met mij de mogelijkheid om in Europa weer opnieuw te beginnen. Gelukkig kon zijn familie hem wel in het zadel helpen.

Met iedere post verwachtte hij zijn ontslag. Wil je gelooven Reeder dat ik haast wou dat ze ’t me nu maar schreven. Dan wist ik het tenminste. Nu zitten we iederen dag in spanning, terwijl ik overtuigd ben dat het toch eens moet komen.
We leefden in een martelenden tijd. Hoeveel collega’s waren reeds ontslagen. Wie was nu aan de beurt?
De meesten bezaten geen banksaldo. Van het salaris alleen kon je hier moeilijk sparen.
De couranten en brieven uit Holland hadden ons voldoende op de hoogte gehouden van de toenemende werkloosheid in Europa. Wat zou je daar trouwens, na 15 of meer jaren in de tropen een leidende functie te hebben bekleed, nog kunnen aanvangen?
De telefoon rinkelde. Dat gebeurde meermalen per dag. Hallo! Ben jij daar Reeder? Hier Van Geldorpe.
Ja. Wat is er Koos? Nieuws?
Vandaag zijn er weer zeven lui ontslagen, waaronder Karei. Verdorie dat spijt me zeg. Wat een toestand!
’t Is beroerd ja. Nu heb ik hier niemand meer over. Morgen moet ik 200 koelies naar Java terug sturen. Er zijnerhoopen bij die al een jaar of 20 hier werken en over een poosje recht hadden op een levenslange ondersteuning. Morgen mag ik ze aanzeggen dat die beloofde ondersteuning niet doorgaat en ze maar verder moeten zien aan den kost te komen. Lollig, hè ? Daar zou je wel eens last mee kunnen krijgen Koos. ’t Is je reinste misleiding tegenover die arme bliksems.
Dat zal wel losloopen. ‘t Dringt niet eens goed tot ze door. Ik kan de Javaan geen ongelijk geven als hij het vertrouwen in den blanda geheel opgeeft. Wat begrijpen zij van daling der rubberprijzen?
Nou enfin, wij hebben in ieder geval ons prestige opgehouden. De rest gaat boven onze macht. Was er nog iets Koos?
Ja, of je morgen even op het hoofdkantoor wilt komen. De hoofdbaas verwacht je om een uur of tien. Kun je er dan zijn? Dat zal wel gaan. Is er iets bijzonders?
‘k Weet het niet. Ik denk dat Martens zijn ontslag krijgt en

dat Keppel een en ander met je wil bespreken over het werk en zoo. Kom je morgenmiddag nog even bij me aan?
All right. Tot morgen dan.
Bonjour Reeder.
Martens was juist bij me en had uit mijn antwoorden het gesprek kunnen volgen.
Ziezoo, nu weten we het tenminste. Beter dan die beroerde spanning. Als ik er dan toch uit moet, dan maar zoo gauw mogelijk. Mijn neef heeft vorige maand een handelskantoor in Sjanghai geopend en ik ben er zeker van dat daar nog wel een baantje voor mij open is.
Ja, jij boft met je relaties. Zonder die kom je momenteel niet ver. Maar hoe moet het met alle anderen gaan? Niet iedereen is zoo gelukkig als jij.
Zeker, dat is wel waar. Toch zou ik liever hier zijn gebleven, ’k Ben hier nu eenmaal gewend en je weet dat ik genoeg mijn best heb gedaan.
Den volgenden dag, op mijn rit naar het hoofdkantoor, dacht ik nog eens over alles na. Ik nam me ernstig voor om alles in het werk te stellen dat Martens gehandhaafd zou blijven, ‘t Was zoo’n ijverige geschikte vent. De hoofdbaas was anders niet gemakkelijk van een genomen besluit af te brengen. Verder mocht ik ook niet vergeten, dat reeds heel wat oudere employés dan Martens ontslagen waren. De machtige makelaarsfirma Martens en Jongma zou daar wel de hand in hebben. De heer Keppel ontving me en begon als inleiding te wijzen op de slechte tijdsomstandigheden. Er moesten maatregelen worden genomen, die niet anders dan met diep leedwezen van de directie ten uitvoer werden gebracht.
We staan er zoo slecht voor, vertelde de heer Keppel, dat de tabaksondememingen geheel gesloten moeten worden en de rubber zich tot het onderhouden van de bestaande kebons moet bepalen.
De administrateurs en assistenten worden allen ontslagen, met uitzondering van drie menschen, die toezicht op de eigendommen der maatschappij zullen houden.
20 Deli planter

Met klimmende verbazing had ik deze uiteenzetting aangehoord. Ik wist dat de toestand précair was, maar zóó erg, neen, dat had niemand kunnen vermoeden.
Er blijft dus één assistent per onderneming zitten, zei U?
Ja-
Mag ik misschien ook weten wie deze gelukkigen zijn?
Van Geldorpe op Goenoeng-Ampat.
En op Sólat?
Martens.
Martens, zegt U? Martens? Maar dat is een der jongsten van de maatschappij. Hij heeft zijn geheele opleiding van mij gehad, mijnheer Keppel. Ik ben hier 15 jaar en heb Sè.lat geopend!
Dat is mij allemaal bekend, mijnheer Reeder. ‘t Spijt me zeer, maar ’t zijn orders van de directie.
Wanneer gaat mijn ontslag in?
Nu. Op dit moment.
Het duizelde voor mijn oogen. Ik kón het maar niet direct verwerken. Ontslagen!…
Wat zijn de financieele bepalingen? Wordt de opzeggingstermijn in acht genomen ? Krijg ik drievierde van het pensioen ? De wettige opzeggingstermijn wèl. Maar eh… pensioen, neen. Er is geen geld meer en waar niet is… verliest de keizer, enfin U begrijpt me wel.
Maar dat is toch een schandaal, mijnheer Keppel. ’t Is ons toch vast en stellig beloofd! Het pensioen is ons door den directeur persoonlijk toegezegd en dat beschouw ik als een eerezaak en een conditie waarop onze werkovereenkomst gebaseerd is.
Volkomen waar. Maar zooals ik U reeds zei, de kas is leeg. Als tegemoetkoming voor deze pensioenderving biedt de maatschappij U een uitkeering ineens aan van 250 gulden per dienstjaar. Dit geld kunt U direct toucheeren, als U tenminste genegen is dit papier te teekenen.
Mag ik het even doorlezen?
Natuurlijk! ‘t Is een verklaring dat U van alle vorderingen op

de maatschappij afziet. Een algeheele décharge dus.
En als ik dit niet teeken ?
Dan krijgt U niets, ook geen uitkeering per dienstjaar. U zoudt natuurlijk kunnen procedeeren, maar dat zou U meer geld kosten dan voordeel opbrengen, dat kan ik U wel bij voorbaat verzekeren.
Mag ik het eenige dagen in beraad houden ? ’k Zou graag eerst met m’n collega’s overleg willen plegen.
Neen, dat gaat niet. U moet nu teekenen of we zullen het als geweigerd beschouwen.
De pen beefde in mijn handen. Op deze manier werd ik „gedwongen” om zoogenaamd „vrijwillig” afstand van mijn pensioen te doen.
Zoo, dat is in orde. U heeft den verstandigsteh weg gekozen. Gekozen, zegt U? Er wordt mij geen anderen weg opengelaten, ’t Zijn de tijdsomstandigheden die ons tot dergelijke maatregelen dwingen, mijnheer Reeder. U begrijpt toch zeker wel dat de directie het ook niet prettig vindt om een vijftigtal employés te ontslaan?
Och nee, natuurlijk niet. De heer Erixhoven zal wel liever zijn ondernemingen in vol bedrijf zien, dan dat ze dichtgroeien. Dat is duidelijk. Maar dat de directie zoo met ons te doen heeft, als U wilt laten voorkomen, betwijfel ik toch sterk.
Kom, kom, mijnheer Reeder, neemt U gerust van mij aan dat alles met diep leedwezen gebeurt.
Daar zijn we niet veel mee geholpen. Een pensioen was ons aangenamer geweest. U zegt dat de kas leeg is en dat moet ik wel aannemen. Maar ieder hier weet dat in de laatste paar jaxen een bedrag verknoeid is dat ruim voldoende zou zijn geweest om ons thans volgens het contract uit te betalen. Pardon, dit is een critiek op mijn voorganger en een rechtstreeksche beschuldiging van de directie, ’k Neem het U voor ditmaal niet kwalijk omdat ik volkomen Uw bittere stemming begrijp. U heeft tot onze tevredenheid gewerkt en kunt op een goed getuigschrift rekenen. Draagt U het werk aan mijnheer Martens over. Zoo, rest mij nog U het beste

voor de toekomst te wenschen. Ik hoop dat U er spoedig in zult slagen om een anderen werkkring te vinden.
Dank U.
Geheel verslagen kwam ik bij Koos van Geldorpe aan. Hij zag het reeds aan m’n gezicht.
Kun je daar nu bij Koos? Had je dat kunnen denken? ’k Heb waarachtig genoeg sympathie voor Martens, dat weet je ook wel. Maar dat ik eruit moet en hij gehandhaafd wordt, vind ik grof, méér dan grof. Heb ik daar nu al die jaren voor in de rimboe gezeten? Je weet zelf hoe ik op Sèlat gewerkt en gewoond heb. Gouden bergen werden me beloofd… en nu…? Koos zei niets en schudde maar het hoofd.
Nou, zeg eens wat. Vind jij het billijk?
’k Snap er niets van, verdomd, ’k kan er niet bij Reeder.
Ja, en dan het pensioen! Niemand krijgt een sou.
Dat wil zeggen,… niemand… niemand?
Nee, niemand. De kas is leeg, zei de hoofdbaas, en waar niet is verliest de keizer z’n recht, durfde-ie nog te zeggen.
Heb je al voor algeheele décharge geteekend?
Allicht. Als ik het niet had gedaan was ik zonder een cent op straat gezet.
Ja, dan valt er niet veel meer te protesteeren. Ik kan je anders wel in vertrouwen meedeelen, dat de lui die hier achttien jaar zijn viervijfde van het pensioen krijgen.
Dat is verdomme het toppunt. Tegen mij wordt beweerd dat er geen cent meer in kas is en nu blijkt dat ze een grens hebben getrokken. Hier, jij alles… en jij niks. Waarom niet pondspondsgewijs verdeeld ? Een gedeelte van het pensioen, gerekend naar het aantal dienstjaren, zou een rechtvaardige en billijke oplossing zijn geweest. Enfin, we doen er geen klap aan. God, God, wat hebben ze ons te pakken. Achteraf beschouwd had Morain voor dien eenen keer toch gelijk met z’n achterdocht. Weet je nog wel?
Soedah, laat dien vent er maar buiten. Wat denk je nu te gaan doen, Reeder? Naar Holland?
Natuurlijk, ’k Kan toch moeilijk in dit bosch blijven wonen?

Nee, dat gaat niet. Zou je een betrekking in Holland kunnen krijgen?
’k Vrees er hard voor. ’t Is nogal een mooie tijd.
Wat dunkt je van Java?
Och schei uit, daar is het nog beroerder dan hier. Nee, ‘k ga naar Holland, anders kom ik nog in de kampoeng terecht. Dank je wel.
Beroerde boel. Wat doe je nu met je barang, je bent pas zoo keurig ingericht. Wie zal dat koopen?
Niemand natuurlijk. Martens kan het van me cadeau krijgen. Ja, ik wil wel een en ander van je ovememen, maar wie garandeert mij dat ik er niet zelf over een paar maanden uitlig.
Laat maar Koos, je bedoeling is goed, maar je zit zelf op den schopstoel. Dat beetje meubilair is bijzaak.
In ieder geval reken ik er op dat je de laatste dagen bij mij komt logeeren. Dat is alles wat ik nog voor je doen kan.
Graag Koos. Als ik m’n koffers gepakt heb kom ik bij je.
Dit was nu het resultaat van mijn volhouden. De tanden op elkaar en de schouders er onder…!
Ontslagen! Op Sèlat lag mijn toekomst. Daar maakte ik zoo’n goede kans, was me eens gezegd.
Ik had den strijd om het bestaan verloren, doch door een aanval in den rug.
Eenige dagen waren gemoeid met het inpakken van kleeren en het overgeven van de onderneming aan Martens. Ook hij, ofschoon in bevoorrechte positie, had versteld gestaan van den gang der zaken. Daar had hij zeker niet op gerekend.
Oprecht drukte hij me de hand en verklaarde volmondig dat hij veel van mij had geleerd. In en buiten het werk. ’t Speet hem geweldig dat dit alles nu zóó moest eindigen.
Je moet het niet verkeerd opvatten Reeder, zei hij, maar wil ik mijn vader eens schrijven of hij misschien iets voor je kan doen. ’k Vind het allemachtig aardig van je Martens, maar ik wil eerst probeeren om mij op eigen kracht te redden, ’t Zou al gek zijn wanneer me dat niet gelukte. Make the best of it. De schouders er maar weer onder…

Nog eenmaal ging ik alleen de onderneming rond. Hier lag een stuk van mijn leven. Mijn werk, waar ik nog met hart en ziel in opging. Elke boom herinnerde mij aan den harden strijd om van Sèlat te maken wat het nu was.
Het bamboehuisje lag nog aan den boschrand. ’t Was in elkaar gevallen en slingerplanten onttrokken het gedeeltelijk aan het oog.
Tusschen deze vier in elkaar gevallen bamboewanden had ik mijn kaarten geteekend. Salat, in blauwe en roode lijnen. Hier had ik den aanval op het oerbosch voorbereid en uitgewerkt ; de aanval die zoo schitterend geslaagd was.
Doch hier had ik ook in hooge koortsen gestreden tegen de machten die mijn energie en illusie hadden willen dooden. Steeds had ik overwonnen. Huugs geest waarde hier rond. Op de kritieke momenten was hij mij een steun geweest.
Wat beteekende dit kleine plekje grond voor anderen? Voor mij was het moeilijk hiervan te scheiden.
Na eenige maanden zou van dit alles niets meer te vinden zijn. De natuur schept nieuw leven en vernietigt weer dat wat ten ondergang is gedoemd. Zóó staat het geschreven…
Naar huis gaande koelies namen hun hoed af. Enkelen keken nog eens om.
Wat zag de toewan aan die oude keet ? Malle blanda’s toch. Met Martens regelde ik de werkzaamheden. De contracten van de koelies werden ontbonden. Slechts 40 javanen en 30 vrouwen mochten blijven. Hiermede moest Martens de onderneming voor dichtgroeien behoeden. De hieraan verbonden administratie was zeer gering en kon geen moeilijkheden opleveren. Zoo nauwkeurig mogelijk werd alles tot in de finesses besproken.
Eenige oude koelies, die ik indertijd van Goenoeng-Ampat had meegenomen, en nu onder de toegezegde steunuitkeering behoorden te vallen, liet ik ’s avonds bij mij komen.
Op eenvoudige en voor hen begrijpelijke wijze, trachtte ik hen de financieele onmacht der maatschappij duidelijk te maken, ‘t Greep me wel even aan om die oude grijze en kromgewerkte

stakkers te moeten aanzeggen, dat zij naar hun dessa’s moesten terugkeeren, zónder de enkele guldens per maand, die hen voor armoede zouden hebben gevrijwaard.
Begrepen ?
Toewan poenja timbangan… Zooals mijnheer het wil.
Alweer die doffe berusting. Geen spier op hun gelaat verried de groote teleurstelling!… Zooals mijnheer het wil…
De laatste vier dagen bracht ik bij Koos door. Op alle denkbare manieren probeerde hij het mij zoo aangenaam mogelijk te maken, ’t Slot was, dat hij me aanbood om maar te blijven logeeren. In Holland was het toch ook niets gedaan.
’k Was er hem erkentelijk voor, maar mijn passage was reeds besproken. Wanneer ik binnen twee maanden geen gebruik maakte van den aangeboden vrijen overtocht, zou deze gunst vervallen. Mijn financiën Heten niet toe om dit te riskeeren. Veel afscheid te nemen was er niet. De meesten waren reeds vóór mij vertrokken.
Koos bracht mij naar Belawan en eenige uren daarna stond ik eenzaam aan de reeling te turen naar het aan de kim verdwijnende land, waar ik 15 jaar geleden zoo vol goeden moed aan wal was gestapt.
Vaag teekenden zich nog de toppen van het gebergte tegen den horizon ai, totdat zij ineen smolten met het diepe hemelblauw.
Zacht dreunden de machines die de schroef deden wentelen. De breede schuimstreep achter de boot zou ons volgen tot HoUand. Tot het vaderland dat een zijner zonen na een lange afwezigheid weer zou ontvangen en opnemen in het groote gezin, dat door de toenemende werkloosheid toch reeds in zulk een benarde positie verkeerde!
EINDE

Published by

Leave a comment