Stories from Deli

chinese coolies life in Deli

Planter

                         Overdruk uit DE PLANTER No. 553 30 April 1934 van Hel Tweede Hoofdstuk (tweede deel) der historische samenvatting omtrent het vijf en twintig – Jarig bestaan der V.v. A. I. D.

                VAKVEREENIGING VOOR ASSISTENTEN IN DEU

                DE GESCHIEDENIS VAN DE ASSISTENTENREGELING • „Ik houd er aan vast, dat voor de Assistentenregeling ter Sumatra’s Oostkust zeer bijzondere redenen gelden”. (Regeeringsgemachtigde van Justitie inden V. R. 1924). Er is veel over het groote arbeidsrisico van den assistent geschreven en gezegd, vooral sinds 1909 toen de V.v.A.i.D. werd’ opgericht en meer aandacht aan den abnormalen toestand werd gewijd, echter aanvankelijk zonder dat de Regeering neiging vertoonde zich er veel mee te willen bemoeien. Het is verklaarbaar dat de planters, in sociaal-economischen zin opgegroeid volgens het systeem, dat Mr. van den Brand in zijne bekende, begin dezer eeuw, uitgegeven brochures zoo drastisch aan de kaak heeft gesteld, het middel tot verbetering van den toestand, welke zich door talrijke en vaak bloedige aanslagen op assistenten kenmerkte, aanvankelijk uitsluitend meenden te moeten zoeken ineen verscherping van het strafstelsel voor de koelies, in het door de Regeering verlaten der z.g. „ethische richting , door Haar ingeslagen nadat in Holland de publieke meening t.a.v. Deli was wakker geschud en zulks tot de installatie vaneen Raad van Justitie te Medan en tot het instellen van de Arb. Inspectie had geleid. Vandaar dan ook, dat inde jaren 1909 tot en met 1912 verscheidene requesten door de V.v.A.i.D. zijn gericht tot de Koningin, de Tweede Kamer, den Gouverneur-Generaal, enz. met het doel een verscherpt koelie-strafstelsel in toepassing gebracht te krijgen.

                Toen men van de zijde der requestranten daar geen resultaat van zag en bovendien begon in te zien dat het niet bepaald’ een hartverheffend werk was om te trachten de Regeering tot het volgen vaneen reactionnaire politiek te bewegen, en dat bovendien de bewustwording van de Inlandsche bevolking een niet te on – derschatten factor in ’t geding vormde, ging men er van lieverlede toe over zich af te vragen of de verbetering van den onveiligheidstoestand niet ineen andere richting gezocht moest worden, nl. door aantasting van het kwaad dichter bij den wortel. In assistentenkringen legde men er zich toen op toe. meer aandacht te schenken aan den economiscihen en psychologischen ondergrond der aanslagen. Speciaal aan een behoorlijker behandeling van den koelie (vooral t.a.v. loon, en arbeidskwesties) en aan de ongeoorloofde wervingspraktijken diende meer aandacht gewijd te worden. Speciaal aan de richtige behandeling van den koelie, waaraan, ondanks het bestaan van de” Arbeidsinspectie! nog veel ontbrak, zoo oordeelde men —, moest beter de hand gehouden worden, opdat de tegen recht en billijkheid indruischende loonkortingen en beknibbelingen geen oorzaak zouden worden van gespannen verhoudingen, en direct of indirect voor den koelie geen aanleiding zouden opleveren om tot geweldadigheden tegen zijn directen chef, den assistent, over te gaan. Met de bepalingen van de koelie-ordonnantie en met de nakoming van de koelie-werkcontracten werd vrijwel overal vaak in niet geringe mate, de hand gelicht. En zelfs de grootste en inde buitenwereld ter naam en faam goed bekend staande maatschappijen maakten zich aan dit alles schuldig, hetgeen op menige bladzijde van De Planter in die jaren geboekstaafd en aan scherpe critiek onderworpen is geworden. Een climax werd bereikt toen eind 1915 wederom een assistent, op de tabaksonderneming Goenoeng Ketaran, het bloedig slachtoffer werd der, vorengenoemde, beknibbelingspraktijken,

                Dit moordgeval heeft, dank zij het feit dat De Planter er in ’t openbaar de economische dessous van aantoonde, geleid tot een onderzoek dat verschillende compromitteerende toestanden aan ’t licht bracht, welke toen weinig van de „normale” toestanden op alle ondernemingen verschilde, zooals de toenmalige Gouverneur der O. v. S. in zijn officieel schrijven aan d’e Regeering verklaarde. Genoemd bestuurshoofd belegde daarop vergaderingen met de bedrijfsleiders der cultures en met afgevaardigden van het assistenten-corps, teneinde met ihen die hoogst bedenkelijken onveiligheidstoestand te bespreken en middelen te beramen, welke er zooveel mogelijk tegen konden voorzien. Dank zij hetgeen bij die gelegenheid is aangevoerd en bepleit door de assistenten, is de Gouverneur tot het inzicht gekomen: dat assistenten, die in hunne positie als zoodanig volslagen afhankelijk zijn van hun werkgever; die zich te allen tijde aan de grofste willekeur onderhevig weten en zich met een goedkoop te geven ontslag bedreigd zien, uit d’en aard der zaak ter wille van het behoud van hunne betrekking geneigd zijn alle bevelen, hoe onmenschelijk, onrechtvaardig, onbillijk en in strijd met de ordonnantie en contractsbepalingen ze ten opzichte der koelies ook mochten zijn, op te volgen en uitte voeren; dat, waar een dergelijke toestand’ bestond, zulks zeer bevorderlijk was voor het bedrijfsrisico, waaraan de assistent in zijne positie tusschen werkgever en aan dezen gebonden koelie steeds blootstaat inden vorm van op hem door, wegens menschelijk en economisch mishandelde, ontevreden geworden arbeiders gepleegde aanslagen; dat toch de assistent, die zelfs dein strijd met wettelijke en rechtvaardige normen gegeven orders moet doen uitvoeren, meer dan „normale” kans heeft om daarbij op verzet en onwil en lijdelijke tegenwerking te stuiten, waaruit dan een gespannen verhouding ontstaat, welke bij soms de geringste als aanleiding te beschouwen daad’ van de zijde van den assistent, dezen een met een mes of gereedschap gepleegde aanval te verduren doet krijgen.

                Het scheppen van bestaanszekerheid moest de voornaamste factor inde Assistentenreg e 1 i n g worden. Op grond van die overwegingen is de Regeering er toe overgegaan om een „Assistenten-regeling” te ontwerpen, waarin speciaal de bestaanszekerheid van den assistent zoo goed mogelijk, d.w.z. binnen zekere grenzen verzorgd werd door opname erin van voorschriften omtrent den contractsduur en de daarmede verband houdende schadeloosstellings-bedragen bij onrechtmatig gegeven ontslag; terwijl bij de verdere samenstelling dier ordonnantie vrijwel rekening is gehouden met de ussances, welke op ’t gebied der arbeidsvoorwaarden voor de assistenten reeds ter Oostkust bestonden. Wat de bestaanszekerheid betreft oorspronkelijk was het, geheel inde lijn van de ontwerpings-motieven, de bedoeling om de contracten van onbepaalden duur te binden aan, niet zooals later geschiedde: slechts een aanvangsminimum vaneen jaar en daarna aan een termijn van vier maanden —, maar aan een constantminimum van 12 maanden, hetgeen dus beteekende dat bij tusschentijds door den werkgever aan den assistent gegeven onrechtmatig ontslag, steeds een schadeloosstelling ten bedrage vaneen jaar salaris uitgekeerd moest worden. Het oorspronkelijk ontwerp Assistenten-Regeling (1917). De voornaamste bepalingen van het oorspronkelijk ontwerp moge hier eerst gereleveerd worden; Artikel 4. Inde overeenkomst moet worden bepaald: 1. het aan den assistent verschuldigd salaris per maand..

                2. de soort van den bedongen arbeid; 3. het aan den assistent toekomend aandeel inde winst der onderneming (tantième); 4. de dagen, waarop van den assistent geen arbeid mag worden gevorderd; 5. het aan den assistent toe te kennen binnenlandsch en buitenlandsch verlof; 6. naar welke plaats in het binnen- of buitenland, na afloop van de overeenkomst of na ontbinding daarvan tengevolge van de schuld van den werkgever, de assistent en zijn gezin op kosten van den werkgever zullen worden teruggezonden. Tenzij de overeenkomst anders bepaalt, heeft de assistent met het behoud van het volle loon recht op een binnenlandsch verlof voor den tijd vaneen maand telkens na een jaar of op een buitenlandsch verlof voor den tijd van acht maanden telkens, nadat hij zes jaar bij denzelfden werkgever heeft gediend, alsmede, na afloop van de overeenkomst of na ontbinding daarvan tengevolge van de schuld van den werkgever, recht op kostelooze terugzending met zijn gezin naar eendoor hem, assistent, op te geven plaats. De overige in het eerste lid bedoelde punten worden, voorzoover de overeenkomst terzake geen billijke regeling inhoudt, beheerscht door het plaatselijk gebruik, naar billijkheid door den rechter geregeld. Artikel 5. De werkgever is verplicht, de lokalen, waarin hij den arbeid doet verrichten, en de daarin zich bevindende werktuigen, op zoodanige wijze in te richten en te onderhouden, en zijn bedrijf zoodanig te leiden, dat de assistent tegen gevaar voor lijf en goed zoover beschermd is, als redelijkerwijze gevorderd kan worden. Zijn die verplichtingen niet nagekomen, dan is de werkgever gehouden tot vergoeding der schade, aan den assistent dientengevolge bij de verrichting van den arbeid overkomen, tenzij door hem het bewijs wordt geleverd, dat die schade aan grove schuld van den assistent is te wijten. Indien de assistent, tengevolge van het niet nakomen dier verplichtingen door den werkgever, bij de verrich-

                üng van den arbeid zoodanig letsel heeft bekomen, dat daarvan de dood het gevolg is, is de werkgever jegens het gezin of de ouders van den overleden assistent, die door zijn arbeid plegen te worden onderhouden, verplicht tot schadevergoeding, tenzij het bewijs door hem wordt geleverd, dat het ongeval aan grove schuld van den assistent is te wijten. Onder grove schuld van den assistent wordt bij de toepassing van dit artikel mede verstaan het handtastelijk optreden van den assistent tegen werklieden behoorende tot de Inlandsche en daarmede gelijkgestelde bevolking. Artikel 6. De werkgever is verplicht ingeval van ziekte of ongeval van den assistent, zoolang deze op de onderneming vertoeft, voor diens behoorlijke verpleging en geneeskundige behandeling zorg te dragen, zonder de kosten daarvan den assistent in rekening te brengen. Artikel 10. leder der partijen kan de overeenkomst doen eindigen, voordat de tijd, waarvoor zij is aangegaan, verstreken is, doch de partij, die dit doet zonder dat de wederpartij daarin toestemt, handelt onrechtmatig, tenzij zij tegelijkertijd aan de wederpartij eene schadeloosstelling betaalt op den voet als bij artikel 13 is bepaald, of de overeenkomst doet eindigen om een dringende, aan de wederpartij onverwijld medegedeelde reden. Artikel 13. De schadeloosstelling, bedoeld in artikel 10, door den werkgever aan te bieden, is gelijk aan het bedrag van het salaris van den assistent voor den tijd van één jaar. De schadeloosstelling, door den assistent aan te bieden, bedraagt vijfhonderd gulden. Van het bedrag der verschuldigde schadeloosstelling is een rente verschuldigd, berekend tegen zes ten honderd in het jaar, van den dag, waarop de overeenkomst is geëindigd. Artikel 14. In geval eender partijen de overeenkomst onrechtmatig heeft doen eindigen, heeft de wederpartij het

                recht, hetzij het bij artikel 13 bedoeld bedrag, hetzij een volledige schadevergoeding te vorderen. Hetzelfde geldt, indien eender partijen door opzet of schuld een dringende reden heeft gegeven om de overeenkomst te doen eindigen en de wederpartij van die bevoegdheid heeft gebruik gemaakt. ★ Argumente n-m at er ia a 1 u i t De Planter. Van Regeeringswege werd er de volgende „algemeene beschouwing” aan vastgeknoopt: (men zal daaruit zien dat de Regeering belangrijk argumenten-materiaal uit De Planter heeft geput, en dat de onafhankelijke positie welke de V.v.A.i.D. bezat, van groot belang voor de totstandkoming dezer wettelijke arbeidsregeling is geweest ). Bij gemis aan bijzondere voorschriften hier te lande, aldus de „Algemeene beschouwing” welke de rechtsverhouding tusschen den werkgever en zijne assistenten regelen, ziet de assistent door zijne economische minderheid zich feitelijk wel gedwongen in dienst van den werkgever te treden op overeenkomsten, waardoor hij geheel inde macht des werkgevers komt. Ter nadere bevestiging hiervan zij verwezen naar de hierbij in afschrift overgelegde overeenkomsten, welke door assistenten moeten worden aangegaan, indien zij in dienst van de daarbij bedoelde maatschappijen wenschen te treden. In het bijzonder wordt de aandacht gevestigd op de volgende bepalingen: a. sub IV der overeenkomst met de Deli Langkat Tabak Maatschappij: „dat de Administrateur ten allen tijde het recht heeft den assistent te ontslaan, zonder dat deze aanspraak kan maken op eenige vergoeding”; b. sub artikel 5 der overeenkomst met d’e Deli Maatschappij: „dat de assistent zicih verbindt geen huwelijk aan te gaan alvorens zijn salaris minstens ƒ 350. ’s maands bedraagt”, doch luidens het daaraan onmiddellijk voorafgaande beding hangt

                het uitsluitend van de Administratie der onderneming af, of aan den assistent deze bezoldiging te eeniger tijd zal worden toegekend; sub artikel 7: „dat de Administratie het recht heeft den assistent ten allen tijde uit zijne betrekking te ontslaan, indien hij naar haar oordeel zijne verplichtingen niet behoorlijk nakomt; met behoud van zijn salaris over de komende maand; c. sub artikel 12 der overeenkomst met de Amsterdam Deli Compagnie: „dat de assistent dadelijk kan worden ontslagen met behoud’ van 6 weken salaris, tenzij wangedrag de oorzaak van het ontslag is”. De meeste bepalingen van deze overeenkomst geven de Administratie algeheele bevoegdheid’ geheel naar eigen goeddunken te handelen; d. sub artikel 6 der overeenkomst met d’e Hollandsch Amerikaansche Plantage Maatschappij: dat de Administratie ten allen tijde het recht heeft den assistent uit zijne betrekking te ontslaan, indien hij naar haar oordeel zijne verplichtingen niet behoorlijk nakomt of voor zijne betrekking niet de noodige geschiktheid blijkt te bezitten”; e. inde overeenkomst met de Deli Cultuur Maatschappij: „dat toestemming tot een huwelijk kan worden gegeven bij salaris van ƒ 320. of meer, indien de assistent tot volle tevredenheid werkzaam is en geen schulden heeft”, en voorts, aan het slot der voorlaatste alinea: „dat indien de assistent inden loop vaneen jaar den d’ienst der Maatschappij verlaat, hij tevens zijn aanspraak op tantième verliest, behoudens inde gevallen, waarin de Hoofdadministratie beslist hem toch tantième toe te kennen”, welk beding n.h.v. zeer vaag is, f. in d’e overeenkomst met de Nederlandsche Rubber Maatschappij, laatste alinea: „dat het dienstverband van beide zijden ten allen tijde opzegbaar is, met een opzeggingstermijn van zes weken. !) Het is dus verklaarbaar, dat de assistent in zijn eigen belang immers de onzekerheid’ van zijne t) Vide het opstel getiteld „Contract-curiositeiten” voorkomende op bl. 1807 van „De Planter” van 23 Augustus 1916 No. 155.

                positie dwingt hem ertoe alles doet om zijn werkgever welgevallig en ter wille te zijn, dat hij zorgt, dat het met d’e hem verstrekte opdrachten beoogde doel coute que coute worde bereikt, met dit gevolg, dat hij niet alleen blindelings gehoorzaamt en de hem gegeven bevelen werktuigelijk nakomt, doch ook dat hij, met voorbijzien van alle gevaren voor eigen leven, geneigd’ is elke daad te verrichten, welke, volgens zijne meening, geacht kan worden voor de onderneming bevorderlijk te zijn, om dusdoende inde gunst van den werkgever te komen, m.a.w.: bestaanszekerheid te verkrijgen. Het in De Planter van 19 Februari 1916 No. 144 (bl. 1630) voorkomend opstel, getiteld „Hoe men de assistent onder „druk zet ”, is een bevestiging van het bovenstaande (vide ook de voorlaatste alinea van het opstel „Een antwoord op een brief , voorkomende in De Planter van 19 Juni 1916 No. 151). Dat aldus de billijkheid jegens d’en Inlandscihen arbeider vaak uit het oog wordt verloren, kan wel niemand verwonderen; dat d’e koelie, van nature reeds achterdochtig en wraakzuchtig, in zijn toestand van gedurende tal van jaren gebonden zijn aan den werkgever, elke onbillijkheid, hoe gering ook, als een opzettelijk tegen hem gerichte onechtvaardige daad beschouwt, waarvoor, volgens zijne meening, inde gegeven omstandigheden op geen andere wijze genoegdoening zal kunnen worden verkregen dan door middel van zijn „pisau blatti” of „parang”. Zulke excessen zullen kunnen worden voorkomen, wanneer de assistent niet meer zal zijn een willoos werktuig inde handen van den Administrateur of van den werkgever. Hiermede is uiteraard niet gezegd, dat de voorgestelde regeling dadelijk aan alle dergelijke excessen een einde zal maken. „De assistent” aldus de Sumatra Post van 8 Februari 1913 No. 33, Eerste blad „hoe ook beschouwd, zal blij v en staan tegenover een groep van menschen die, door welke drijfveer ook in zekeren staat van innerlijke opgewondenheid gebracht, allen eerbied voor het leven vergeten. Het is zeker te sterk gezegd, dat in iedere Ooster-

                ling de amokmaker schuilt; maar onder iedere groote groep van Oosterlingen zijn er toch zeker, in wie deze volstrekt onbeheerschte hartstochtmensch aanwezig is. Het komt er maar op aan, of er eene, voor ons Westerlingen soms onbegrijpelijke, aanleiding is, welke dien bloeddorstigen mensch ontketent. „Men voelt dat d’e overheid tegen zulke sporadische koelie-excessen niets vermag. Hoewel niet alles, zoo vermag ecihter de planter er méér tegen. Zij n leiding en regelend optreden helpt immers de „omgeving” scheppen, waaraan toch ook de handelingen van den koelie voor een groot deel onderworpen zijn. Wanneer nu al, wat op die omgeving inwerkt, voorzooveel het aandeel van den planter betreft, berekend’ is om den koelie tevreden te maken met zijn lot, dan is hiermede reeds een krachtige voorbehoeding tegen uitspattingen bereikt.” Met deze zienswijze kan ik mij vereenigen. Dooreen zoo groot mogelijke bestaanszekerheid aan de assistenten te verzekeren, zal inde door de Sumatra Post bedoelde richting worden gestuurd. Het verschaffen aan de assistenten van die zekerheid is het doel dezer regeling, en het behoeft derhalve geen nadere toelichting, dat en waarom bij de samenstelling daarvan steeds in ihet oog is gehouden de vraag: op welke wijze de rechtstoestand van den assistent zóódanig kan worden geregeld, dat de handelingsvrijheid van dezen niet voortdurend beperkt wordt d’oor de vrees uit de betrekking te worden ontslagen, waardoor hij, mede in verband met de concurrentie op d’e arbeidsmarkt, vaak gedurende langen tijd niet op behoorlijke wijze genoegzame middelen van bestaan kan verkrijgen (vide,het opstel „Arbeidsregeling voorkomende in De Planter van 8 Augustus 1916 No. 154). De uiteraard binnen zekere grenzen te houden handelingsvrijheid’, gepaard met de bewustheid door de wet te worden beschermd, zal verder er toe leiden, dat de assistent zijne meening beter durft te uiten en eerder bereid zal worden bevonden de gevraagde inlichtingen naar zijn beste weten te verstrekken, waardoor het Bestuur en de Arbeidsinspectie vollediger dan tot dusver op de

                hoogte zullen komen van de toestanden op de ondernemingen. De ontwerp-ord’onnantie regelt dus, zooals uit den considerans moge blijken, de rechtsverhouding tusschen den werkgever en de assistenten. Wel is waar zullen door de regeling niet alle assistenten hunne vroegere onvrijheid verliezen; onder hen zullen zekerlijk lieden worden aangetroffen, die om verschillende redenen, b.v. door het vooruitzicht om administrateur te worden, op gelijke wijze als hierboven omschreven, slaafs-ondergeschikt aan den werkgever zullen blijv en, doch voor dezulken zoude geen enkele regeling van nut zijn. De noodige beschermende voorschriften voor de zwakkere partij worden inde ontwerpord’onnantie gevonden; wie meer verlangt, verlangt het onmogelijke. De voorgestelde bepalingen zijn grootendeels ontleend aan de wet op het Arbeidscontract in Nederland (hieronder kortheidshalve met de letters N.W. aan te duiden), en de dat contract betreffende voorschriften van het ontwerp Burgerlijk Wetboek voor Nederlandsch Indië der Bijzondere Commissie uit de Staatscommissie voor de herziening van het Indisch Privaat- en Strafrecht (hieronder kortheidshalve met de letter 0.8.W. aan te duiden), voorzoover de eischen van de praktijk zulks toelaten. Het spreekt van zelf dat, waar in het ontwerp Burgerlijk Wetboek voor Nederlandsch-Indië dein de Nederlandsche wet voorkomende regeling voor zoover zij samenhangt met specifiek West-Europeesche toestanden niet is overgenomen, die gedeelten ook inde ontwerp-ordonnantie worden gemist. Ook verschillende andere bepalingen van de Nederlandsche wet hebben geen plaats inde ontworpen regeling gevonden, omdat die voorschriften overbodig zijn, gelet op de strekking van de ontwerp-ordonnantie; de thans bestaande afhankelijkheid van den assistent van zijn werkgever, zooveel mogelijk tot een minimum te beperken. Zoo zijn bijvoorbeeld niet overgenomen de bepalingen betrekking hebbende op de minderjarige arbeiders, op den verjaringstermijn, enz. Ook het desideratum: „een Raad van Beroep in te stellen ‘, waarop in het genoemd opstel „Een antwoord op

                een brief” in De Planter van 19 Juni 1916 No. 151 de aandacht word’t gevestigd, zal voorshands niet kunnen worden verwezenlijkt, daar het niet inde bedoeling ligt om thans reeds inzake van arbeidsgeschillen een bijzondere procedure in het leven te roepen. Volgens een vaste jurisprudentie zijnde artikelen 1600 t/m 1603 B.W. niet toepasselijk op de overeenkomsten tusschen ondernemers en hunne assistenten. Een afwijking of wijziging van de vijfde afdeeling van den zevenden titel van het derde boek van het B.W. is het ontwerp dus niet. Toch zal t.z.t. de Koninklijke machtiging zijn te vragen voor haar vaststelling, aangezien de belangrijkheid der materie daartoe alle reden geeft. Hier en daar, zie b.v. de aansprakelijkheids-regeling in artikel 5, komt trouwens het ontwerp op het gebied van het Burgerlijk wetboek, zoodat de medewerking der Kroon ook noodig is om de verbindende kracht der ordonnantie buiten twijfel te stellen. Nota van wijzigingen en aanvullingen, door d e V.v. A. i. D. i n g e d ie n d. Daartoe van Regeeringswege aangezocht, diende de V.v.A.i.D. in October 1917 eer. nota van advies nopens het concept-Assistentenregeling in bij het Hoofd der Arbeidsinspectie, waarvan wij hieronder slechts eenige der voornaamste wijzigingen en aanvullingen, dooreen Commissie van adviseurs der Vereeniging geconcipieerd, releveeren. Artikel 4. Inde overeenkomst moet worden bepaald: 1. het aan den assistent verschuldigd salaris per maand : 2. d’e soort van den bedongen arbeid; 3. het aandeel inde bruto-winst der onderneming (tantième), dat den assistent toekomt over den tijd. gedurende welken hij in dienst zal zijn geweest der onderneming;

                4. de dagen, waarop van den assistent geen arbe’d mag worden gevorderd en hij zich vrijelijk op of buiten de onderneming mag bewegen; 5. het deel dat de assistent, ingeval van ziekte of ongeval van hem of zijn gezin, zal dragen van de kosten der geneeskundige behandeling en/of verpleging en voeding in eene ziekeninrichting, al of niet geleqen op de onderneming; 6. het aan den assistent toe te kennen binnenlandsch en/of buitenlandsch verlof; 7. naar welke plaats in het binnen- of buitenland, na afloop van de overeenkomst of na ontbinding daarvan ten gevolge van de schuld’ van den werkgever, de assistent en zijn gezin op kosten van den werkgever zullen worden teruggezonden; alsmede naar welke plaats in genoemde gevallen de inboedel van d’en assistent op kosten van den werkgever vervoerd zal worden; Tenzij de overeenkomst gunstiger voor hem bepaalt, heeft de assistent: le inden loop van ieder dienstjaar recht op een als diensttijd meetellend binnenlandsch verlof voor den tijd van veertien dagen, onder behoud van het volle loon; 2e telkens nadat hij zes jaren gediend heeft bij denzelfden werkgever, recht op een buitenlandsch verlof voor den tijd van acht maanden, onaer behoud van het volle loon en vol tantième, benevens vrije passage-kosten voor hem en zijn gezin, met dien verstande, dat het bedrag der retourpassage hem niet uitgekeerd, of, indien dit reeds geschied is, door hem teruggestort zal worden, indien hij na ommekomst van zijn verlof zijne diensten niet hervat op de onderneming. Hiergeboren assistenten die den onder ten 2e bedoelden verloftijd binnensland wenschen door te brengen, hebben daartoe het recht. Indien de assistent tijdens den onder 2e bedoelden verloftijd overlijdt, komt het hem over den geheelen verloftijd verschuldigde loon en tantième ten goede aan zijne erfgenamen of zijne rechtverkrijgenden. De assistent heeft na afloop van de overeenkomst of na ontbinding daarvan ten gevolge van de schuld van den werkgever, recht op kostelooze terugzending met zijn gezin naar eendoor hem, assistent, op te geven plaats, zulks met dien verstande, dat dit recht gedurende drie maanden voor den assistent van kracht blijft, doch daarna vervalt.

                De uitiendingskosten vaneen in het buitenland geënaageerden assistent komen ten laste van den werkgever. De assistent heeft een maand na de vaststelling der balans en winst- en verliesrekening der onderneming recht op uitbetaling van het hem toekomend winstaandeel. Na verloop van dezen termijn is de werkgever over het uitte keeren bedrag een rente verschuldigd van zes procent per jaar. De assistent heeft voor zich en zijn gezin ten allen tijde recht op kostelooze geneeskundige hulp, zoolang deze verstrekt kan worden door den aan de onderneming verbonden geneesheer. De overige in het eerste lid’ bedoelde punten worden, voorzoover de overeenkomst ter zake geen billijke regeling inhoudt beheerscht door het gewestelijk gebruik, naar billijkheid door den rechter geregeld. Artikel 5. Indien d’e assistent, tengevolge van het niet nakomen dier verplichtingen door den werkgever, zoodanig letsel heeft bekomen, dat daarvan de d’ood of een tot arbeid blijvend ongeschikt makende verminking het gevolg is, is de werkgever jegens ihet gezin of de ouders van den overleden of verminkten assistent, die door zijn arbeid plegen te worden onderhouden, verplicht tot schadevergoeding, tenzij het bewijs door hem wordt geleverd, dat het ongeval aan grove schuld van den assistent is te wijten. Onder grove schuld van den assistent wordt bij de toepassing van dit artikel mede verstaan het handtastelijk optreden van den assistent tegen werklieden behoorende tot de Inland’sche en daarmede gelijkgestelde bevolking, mits de dood of de verminking van den assistent uitsluitend’ aan het begaan van die handtastelijkheid is te wijten. Artikel 6. De werkgever is verplicht ingeval van ziekte of ongeval van den assistent, zoolang deze niet ineen ziekeninrichting is opgenomen, kosteloos in diens behoorlijke verpleging en geneeskundige behandeling te voorzien. Dezelfde verplichting heeft de werkgever ten opzichte van het gezin van den assistent.

                De D. P. V.-n o t a teqen d e A. R. ’t Sprak welhaast vanzelf dat de werkgevers teqen invoering dier A. R. in ’t geweer traden. De D. P. V, b.v.. zoo vinden we inde afleveringen van De Planter 1918 vermeld overhandigde de Regeering een lijviq» contra-nota te dier zake, waaraan, op zijn beurt de redacteur van De Planter ineen 4-tal artikelen scherpge-Kruide commentaar leverde. a „Laten wijde bezwaren, die de Nota naar aanleiding vaneen en ander oppert, (nl. omtrent art. ) eens even aanhalen”, schreef de Planter^redacteur o.m. „Zoo ergens”, aldus de D.P.V.-nota „dan 18 huet,m de cultures ter Oostkust een dringende Tt fu ,men,den assistent, die toont met werkvolk of beheerder niet overweg te kunnen, ontslaat. Z°° ooit, dan is daar eensgezindheid en een qoede samenwerking tusschen beheerder en assistenten een eerste vereischte. Ontbreekt die samenwerking, is men gedwongen om assistenten in dienst en op de onderneming te houden, die om welke reden ook, met met den beheerder overweg kunnen of met genegen zijn met hem samen te werken dan zijnde gevolgen niet te overzien en zal de teruqsiag daarvan op het werkvolk merkbaar zijn”. Let s.v.p. op de door ons gecursiveerde woorden Uie zijn toch een weerspiegeling van bet disciplinaire stelsel, inde cultures in zwang ten opzichte van de verhouding tusschen administrateur en assistenten. Duidelijker en onverdachter bevestiging van de tallooze malen door ons gedane bewering, dat op de ondernemingen de leuze hoogtijviert: „nght or wrong, the manager” is wel met te verkrijgen, waar toch de D.P.V. hier hooqst eigenzelvers aan ’t woord is. Riglit or wrong, the manager, onder dat motto werd de assistent, die het Bandar-Klippa • schandaal aan ’t licht bracht ontslagen; werd de assistent, die protesteerde tegen de besteling van 600 koelies op Boekit Sentang voor vier dagen loon, ontslagen; werd de beheerder, aan wiens

                deur d’oor verscheidene assistenten de op een hunner collega’s gepleegde moord inde fermenteerschuur werd gelegd, gehandhaafd, en zouden die assistenten zijn ontslagen, indien men hunne namen te weten ware gekomen; werden de drie assistenten die op Batoe Nanggar zich volkomen terecht beklaagden over hun manager, ontslagen. Etc., etc. wij noemen hier nu maar ’n paar eclatante gevallen, plukken slechts een tuiltje uit den overvloed van onkruid-bloemen. Nee hoor, de D. P. V. is niet bijzonder gelukkig in ’t kiezen van argumenten tegen de ontworpen assistentenregeling. Ze levert nl. onbewust, geconfijt als ze is in vijftig jaren lang in ’t werkgeverskamp bestaan hebbende opvattingen, voortdurend’ de meest klemmende argumenten vóór de invoering der genoemde regeling. Een woord van dank waarvoor dan ook past”. De Sum. Post van 3 April 1918, de onderwerpelijke bestrijdingsnota der D. P. V. besprekende, vestigde de aandacht o.m. op de omstandigheid, dat de opstellers d’ier nota van oordeel blijken te zijn, ~dat de Assistentenregeling inde partijk geen werkelijke verandering inde afhankelijke positie van den assistent zal brengen ”, en merkte naar aanleiding daarvan op; „Geen sterker argument vóór de Ass. Regeling dan deze meening der D. P. V. Indien inderdaad de Assistentenregeling inde praktijk geen werkelijke verandering kan maken aan een zoodanige werknemerspositie, dan zal zij eenvoudig verschèrpt moeten worden! Want wij leven niet meer ineen tijd, dat door overheid en samenleving geduld kan worden, dat de eene mensch het „willoos werktuig” is van den ander.” De Pkmter-iedacteur knoopte er toen de volgende opmerking aan vast: „En wij voor ons zouden daaraan nog de vraag willen toevoegen: Als de D. P. V. van meening is, dat de assistent, ondanks de A.R., toch afhankelijk, ja zelfs willoos werktuig van den werkgever zal blijven, waar – om maakt ze zich dan toch zoo druk met de bestrijding van die A.R ….?.

                19 19; ~Z uster Anna, ziet ge nog niets kom en?”. Vreemde geruchten drongen tot het Vereenigingsbestuur door omtrent krachten, welke in actie zouden zijn gezet om van de plannen tot invoering eener A. R. een ~gecompliceerde kwestie” te doen maken. De Redacteur van De Planter (Ackerstaff) uitte er zijn verklaarbare verwondering over, dat er in bijna 2 jaren niets meer van het ontwerp A.R. werd vernomen. Hij herinnerde er als volgt aan: Op een van de bureaux te Batavia ligt onder het loodje het ontwerp eener assistentenregeling voor de Oostkust van Sumatra. Zoo schijnt het althans, want men hoort er niets meer van. Wilde geruchten gaan rond, dat er niets van komen zal, want dat het gouvernementeele loodje al te zwaar drukt. Het wachten is, zegt men, op een algemeene regeling voor geheel Indië geldend. Maar, vragen wij ons af, heeft niet de heer van Lier indertijd verklaard, dat Deli meer nog dan anderen behoefte heeft aan een regeling! Waarom dan niet, al ware het bij wijze van tijdelijke maatregel, alvast de Delische regeling ingevoerd? De gouvermenteele wegen zijn duister en wij zitten maarte wachten tot uit die duisternis een lichtje zal opglimmen. Het ontwerp is toch niet voor den mop gemaakt en de V.v.A.i.D. en D.P.V. en de A.V.R.O.S. hebben toch niet voor de aardigheid hun tijd en moeite gegeven, om dat project te bestudeeren en van haar opmerkingen te voorzien; het advies, waarmee de gouverneur de zaak heeft doorgezonden, is toch niet gegeven, om ook onder het loodje zacht en kalm de eeuwige rust in te gaan! Wij tasten, om met Staring te spreken, rond in ’t ongewisse. Toen echter van de week het gerucht opdook, dat niet alleen van de invoering niets zou komen, doch dat een algemeene regeling voor Java alleen zou worden geprobeerd, om eerst naderhand zich tot de buitengewesten uitte strekken, toen hebben wij het nuttig en noodig geoordeeld, om ons tot den vertewoordiger alhier van de hooge regeering, den gouverneur,

                te wenden. Ook die ambtenaar begreep niets van hetgeen er inden boezem der regeering omwoelt. Van de aangehaalde geruchten wist hij niets af, doch zijn advies luidde: Vraag nog eens, hoe het er bij staat, zulk een middel wil wel eens helpen. De gouverneur gebruikte andedere woorden, doch de zin was zoo. Toen hebben wij naar den hoogen heer van Buitenzorg ons schriftelijk gewend, aldus: „Geven met verschuldigden eerbied te …. enz ; dat reeds sinds langen tijd sprake is van de inwerkingstelling eener arbeidsregeling voor assistenten ter Oostkust van Sumatra, dat die regeling destijds ontworpen is tengevolge van de daaraan gevoelde behoefte, dat die behoefte nog steeds even sterk gevoeld wordt als toen, reden, waarom adressanten zich eerbiedig tot Uw Excellentie wenden met het dringende verzoek, wel die maatregelen te willen nemen, welke zullen leiden tot een zoo spoedig mogelijk van kracht worden van bovenbedoelde assistentenregeling; het welk doende enz. …” * Het ontwer p-A ssis t ent e n-r egeling inden Volksraad. Eindelijk, in November 1919 kwam het ontwerp der Assistenten-regeling , hetwelk aanmerkelijk van het oorspronkelijk ontwerp (1917) verschilde bij den Volksraad in openbare behandeling. De heeren Jansen (Cultuurbond) enDeßuyter (Suikerbond) woonden, in opdracht van de „Federatie” deze Volksraadszitting als belanghebbende „toeschouwers” bij, teneinde, zoo noodig, verschillende Volksraadsleden (met eenigen waarvan genoemde heeren tevoren reeds omtrent e.e.a. hadden overlegd) van nader advies te kunnen dienen t.b.v. de V.v.A.i.D., die geen vertegenwoordiger naar Batavia had kunnen zenden. In het orgaan van den Suikerbond van 30 November 1919 schreef De Ruyter er de volgende korte opmerkingen over: „Ik wil geen critiek oefenen die langs het ontwerp heengaat en feitelijk tot een uitstel sine qua

                non zou leiden, ik aanvaard het standpunt der Regeering omdat ik voor alles wil komen, tot zaken doen en ik neem de verordening dan ook zooals ze daar ligt. Maar ook kan mijn oordeel geen ander zijn, dan dat de Regeering ons slechts een geraamte bied van hetgeen men in Nederland heeft noodig geoordeeld om deze materie ook maar eenigermate te beheerschen, ik zou haast zeggen een onvolledig geraamte, omdat essentieele deelen ontbreken ’. Deze woorden werden door den heer } o s S u y s, als eerste spreker over het ontwerp ~assistenten-regeling” in den Volksraad gesproken, welke woorden ons bij het aanhooren van zijn doorwrochte, helder zakelijke rede, uit het hart gegrepen waren. Immers, van verschillende zijden daarover aangegevallen, heeft de Regeeringsgemachtigde tenslotte het motief met ronde woorden verloochend als zouden de vele assistentenmoorden der Regeering aanleiding hebben gegeven tot invoering dier assistentenregeling. Wij traanden van de gemoedsaandoening welke de heer Mr. ‘s Jac o b in onzen ziel plantte toen hij in dat Regeeringsmotief zelfs een beleediging zag, de psychologie van den assistent en de nagedachtenis van de al te groote schaar van slachtoffers aangedaan, wanneer de Regeering in de ontworpen regeling, zooals in haar M. v. T. gezegd, een geneesmiddel ziet tegen de kwaal van aanslagen op het leven van den assistent. „Haar reden van bestaan moet zij (de Regeering) niet hierin zoeken, maar evenals de Nederlandsche wet op het arbeidscontract, inde behoefte om aan werknemers eene behoorlijke rechtspositie te verschaffen. De ontworpen regeling verschijnt daarmede ineen ander en zuiverder licht dan waarin de Regeering haar geplaatst heeft. Zij is dan niet meer een noodmaatregel tegen excessen, maar een rechtsbescherming tegen willekeur inde verhouding tusschen werkgever en werknemer en zij verkrijgt de breede basis van algemeene geldigheid voor alle takken van bedrijf waar die verhouding voorkomt”. En de Regeeringsgemachtigde antwoordde op deze passus uit ‘s heeren ’s Jacobs rede:

                „Het is volkomen juist, ik heb het zooeven reeds gezegd, dat eventueel deze regeling ten gevolge kan hebben, vermindering van het aantal moordaanslagen, maar dit effect is zoo hypotetisch en indirect, dat de hoofdstrekking elders moet liggen. De hoofdstrekking is een einde te maken aan den noodtoestand ( rechteloosheid en bestaansonzekerheid, De R.) der assistenten. Ik meen dat dit uitdrukkelijk in het licht moet worden gesteld, niet alleen omdat de heer ’s Jacob (trouwens ik moet erkennen, de memorie van toelichting gaf er eenige aanleiding toe,) dat zoo heeft ingezien, maar ook omdat inde pers dergelijke uitlatingen niet zijn uitgebleven”. Deze wending wekte, voorwaar, bevreemding. Inderdaad, (dit schreven wij hierboven) stond de verdediging v/h ontwerp door den Regeeringsgemachtigde, den Directeur v/h Dept. van Justitie, in het teeken van het assistenten-belung, en het wil ons derhalve voorkomen, d’at, in die gevallen waar ZHEDG. zich o.m. uitermate zwak toonde, de Regeeringsgemachtigde geheel te goeder trouw was. Wij vragen ons nu af; wie schreef de memorie van toelichting waarin zoo imperatief de assistenten-moorden als reden van invoering der assistenten-regeling werden aangeduid ?. Was het de Inspecteur van Arbeid die zich halsstarrig aan dit motief vastklampte om aan de beschouwing over het rechtsbeginsel te ontkomen niet alleen, doch bovenal camouflage tegenover den werknemersstand te plegen ?. Daarmee heeft hij d’e Regeering dan zeer slecht gediend en Zij heeft, op Haar beurt, door het zoo zeer gewraakte motief in d’e M. v. T. te handhaven, blijk gegeven al te zeer op deze handigheid van den Inspecteur van Arbeid gebouwd te hebben, want, het kwam voordien in verscheidene Bonds- en persorganen en later tijdens de Volksraad-zitting duidelijk tot uiting, dat men de oprechtheid’ van de bedoelingen van den ontwerper in twijfel trok om de rechtsverhoudingen van werknemer tot werkgever met d’e ontworpen regeling te hebben willen stuwen inde banen van rechtvaardigheid.

                Aangezien tijdens de zittingen de meeningen omtrent het amendement ’s J a c o b, om art. 2 uit het ontwerp te annuleeren wegens het absolute gemis van de bestaanszekerheids-factor daarin, vrij scherp tegenover elkaar stonden, stelde het Volksraadslid Bergmeyer voor om de stemming uitte stellen teneinde over die kwestie overleg te kunnen plegen met de aanwezige vertegenwoordigers der vakvereenigingen. Ten huize van den heer ’s J a c o b hadden de besprekingen plaats waarbij tegenwoordig waren: van de Volksraadsleden: de H.H. ’s Jac o b, Bergmeyer, Suys, Schmutzer, van der Jagt en Valkenburg. van de vertegenwoordigers der Vakbonden: de heeren Jansen en van Dyck, resp. voorzitter en red. comm. van den Cultuurbond, Van Lonkh u y ze n van onze Federatie en ondergeteekende, als afgevaardigde van onzen Bond. Benevens de Inspecteur van Arbeid, de heer van Lier. Werd het tijdens de Volksraadszittingen door ons betreurd dat de Assistenten-Bond niet vertegenwoordigd was, nog sterker werd deze leemte tijdens deze conferentie door alle partijen gevoeld. Men kwam, hoewel de debatten zeer levendig waren, niet tot overeenstemming, omdat de Inspecteur van Arbeid pertinent verklaarde dat handhaving van art. 2 overeenkomstig den wil der assistenten was. Wij zullen hierop ineen volgend artikel terugkomen. Van groote beteekenis valt nog te melden de door den Regeeringsgemachtigde, en ook door den Volksraad onvoorwaardelijk aanvaarde amendementen, grootendeels voorgesteld door den heer Suys. Aldus de opmerkingen van De Ruyter indertijd in De Suikerbond. Het ontwerp 1919 werd bij de behandeling inden Volksraad weer eens zeer belangrijk geamendeerd terwijl opname van eenige bepalingen van dwingend recht werden voorgesteld.

                ~ln het bedrijfsleven hier te lande zijn weinig posities zoo onvast en moeilijk als die der geëmployeerden inde culture s”. („Medëdeelingen” van de Algemeene Secretarie te Buitenzorg). In De Planter van 30 Juli 1920 was het volgende gepubliceerd: ~D e Algemeene Secretarie te Buitenzorg had de attentie, aan de redactie van De Planter per vliegpost te doen toekomen een exemplaar van de op I Januari 1920 afgesloten „Mededeelingen omtrent enkele onderwerpen van Algemeen Belang”. Onder deze onderwerpen is ook de Assistenten regeling opgenomen. De betreffende verhandeling, voorzoover de oorsprong van genoemde wetgeving er in wordt gememoreerd en de strekking en beteekenis ervan worden uiteengezet, zullen wij hier overnemen. „In het bedrijfsleven hier te lande zijn weinig posities zoo onvast en moeilijk als die der geëmployeerden in de cultures. Dit is daaraan te wijten, dat deze positie zich naar twee zijden laat karakteriseeren: de geëmployeerden der landbouwonderneming is werknemer zoowel als vertegenwoordiger van den werkgever. Hij is werknemer: maar arbeider is hij niet. Zijn taak bestaat in het houden van toezicht op het werk, den ijver, de plichtsbetrachting van den eigenlijken arbeider, den koelie. Hij is verantwoordelijk voor de uitvoering van die werkzaamheden, en heeft in verband daarmee het recht, den koelie bevelen te geven. Voor den koelie is hij de „baas”, de werkgever, of althans diens vertegenwoordiger. Ten opzichte van den administrateur en de directie der onderneming is de geëmployeerde evenwel de werknemer. Zijn positie is geheel van het oordeel en de bedoelingen van den beheerder of eigenaar der onderneming afhankelijk, hij weet, dat wanneer die beheerder

                ontevreden is over zijn verrichtingen, dit hem zonder hooger beroep of nader onderzoek zijn werkkring kosten kan. Tegenover de macht van den werkgever om hem uit zijn betrekking te ontslaan, kan hij niets stellen dan dienstvervulling die z.i. niet steeds voldoende gewaardeerd wordt. De beheerder beschikt, ook ten aanzien van de ~toeans opziender”, de geëmployeerden, overeen groote macht, aan welke de organisaties der Europeesche employé s tot dusver nog niet noemenswaard afbreuk hebben kunnen doen. Uit den aard der zaak vindt deze verhouding tusschen beheerder en geëmployeerde haar weerslag in die tusschen geëmployeerde en koelie. Leeft de employe onder een sterken druk van bovenaf, dan zal dit zich openbaren ineen sterken druk zijnerzijds op de koelies die onder zijn toezicht werken. Worden hem hooge eischen gesteld, zoo zal hij gedwongen zijn. op zijn beurt hooge eischen te stellen. Onredelijkheid, onbillijkheid, willekeur, ondervonden d’oor den geëmployeerde, planten zich langs hem naar beneden voort en worden ervaren door den koelie. Zoo kan het voorkomen dat de geëmployeerde zich gedwongen ziet tegenover den Inlandschen werkman op te treden op een wijze d’ie hij zelf ongewenscht oordeelt, doch waartoe hij zich genoodzaakt acht om zijn betrekking te behouden. In deze verhoudingen sluit een gevaar dat zich overigens noch overal, noch onder alle omstandigheden gelijkelijk openbaart. Het zal zich daar, waar, als op java, de koelie betrekkelijk vrij is om, indien hij de ondervonden behandeling niet langer wenscht te verdragen, een goed heenkomen te zoeken, lang niet in die mate doen geleien als b.v. in Deli, waar het werk verricht wordt door contractarbeiders, wier vrijheid nu eenmaal aanmerkelijk beperkt is, d’ie zich aan ruwe of onbillijke bejegening van de zijde van den geëmployeerde niet kunnen onttrekken, en van wie velen, ontmoedigd en verbitterd, reeds bij geringe aanleiding hun wrok koelen op den Europeaan die hen beveelt en controleert. Het groot aantal aanslagen van koelies op Europeesche geëmployeerden, dat jaar op jaar in Deli plaats heeft, vind’t inden aard dezer verhoudingen verklaring. Het is, vóór alles, de nagenoeg volkomen rechteloosheid van den geëmployeerde als werknemer, die deze verschijnselen oproept.

                W aar schuilt de fout? De fout schuilt hier, inde eerste plaats, inde verhouding tusschen geëmployeerde en administrateur of directie, inde overmacht van deze laatste. Zij beschikt over de middelen óm den employe tot de meest stipte uitvoering van gegeven bevelen te dwingen ook wanneer daaraan levensgevaar verbonden is. Behoorlijke regeling van de rechtspositie van den geëmployeerde en de rechtsverhoud’ng tusschen hem en een beheerder der onderneming moet het gevaar, dat thans uit die verhouding van vrijwel volstrekte afhankelijkheid ontspringt, vanzelf doen afnemen. De op een assistent der onderneming Goenoeng Katran ter Sumatra’s Oostkust, den heer P. O. Kirschke, in 1915 gepleegde moord vormde voor de Regeering de directe aanleiding tot het ontwerpen van eene wettelijke regeling van de rechtsverhouding der geëmployeerden aldaar tegenover hun directies, door welke de positie d’ier assistenten ten opzichte van hunne administrateurs minder afhankelijk zou worden. Het streven zat voor, den assistent zekere vrijheid van handelen te waarborgen, zonder dat hij voortdurend zou behoeven te vreezen, zijn betrekking te verliezen. Inde betrekkelijke ontwerp-ordonnantie, waarover hei gevoelen van den Volksraad werd ingewonnen, werd getracht, dit doel te bereiken dooreen aantal bepalingen van de gewenschte strekking”. ♦ Tot zoover het bewuste Departementale artikel, waarin dan verder een overzicht werd gegeven van het inde A. R. vastgelegde. ★ Bemoeiingen in Holland (1920). De heeren Jansen (Cultuurbond) en De Ruyter (die toenmaals door den Suikerbond naar Holland was afgevaardigd t.b.v. dringende aangelegenheden, de belangen

                der suikergeëmployeerden rakende) hebben met het Ministerie van Koloniën nog omtrent eenige redactie-wijzigingen en toevoegingen onderhandeld en eerstgenoemde (die toen benoemd was tot vertegenwoordiger der Federatie in Holland) heeft nadien weer een onderhoud met den Minister terzake gehad bij welke gelegenheid hij namens de V.v.A.i.D. op spoedige afdoening der ordonnantie heeft aangedrongen. De A. R. door de Kroon bekrachtigd. De Planter van 7 April 1921 bevatte de volgende mededing: De Assistentenregeling ter Oostkust van Sumatra ■— aldus luidt de officieele doopnaam – is dan eindelijk door de Kroon bekrachtigd geworden, ’t Is wel heel toevallig, dat dit telegrafisch bericht uit Hólland ons bereikte een tiental dagen nadat ter algemeene vergadering der V.v.A.i.D. het (voorloopige) besluit was genomen, Hare Majesteit de Koningin ten tweede male telegrafisch te verzoeken (in November 1.1. was zulks ook reeds geschied), zoo spoedig mogelijk Hare medewerking te willen verleenen ter verzekering in gemelden vorm van de rechtspositie der assistenten. Het betreffende bericht werd door ons juist intijds ontvangen, om uit de onlangs aan de leden verzonden referendumsbiljetten de vraag te kunnen schrappen, of de betrokkenen accoord gingen met de motie, welke inzake de Assistentenregeling en het desbetreffende aan de Koningin te zenden telegram, bij acclamatie was aangenomen (voorloopig) ter algemeene vergadering van 16 Maart j.l. De A.R. heeft dus de Koninklijke goedkeuring verkregen. En wanneer de volledige tekst per mail in Indië zal zijn gearriveerd wat in ’t gunstigste geval tegen eind April kan plaats vinden —, is het woord gekomen aan den Gouverneur-Generaal, die, wijl het hier geen algemeene, maar een uitzonderings-wet geldt, de bevoegdheid heeft, de A.R. op eendoor hem te bepalen datum in werking te doen treden. Waar de A.R. reeds ongeveer vijf jaren doende is ter wereld te komen, mogen wij, waar de invoering ervan thans slechts van één pennestreek afhankelijk is, ver-

                wachten, dat binnen den kortst tnogelijken tijd de inwerkingtreding zal afgelast worden. Dat zij zoo! Naar geseind is geworden onlangs, heeft het ontwerp zooals het naar aanleiding van inden Volksraad gehouden besprekingen was ingediend bij het Ministerie van Kolomen, eenige wijzigingen en aanvullinqen ondergaan. Het minimum inzake een jaarlijks toe te kennen verof is gesteld op 14 dagen, in stede van op een maand. In het door den heer Janssen, ex-voorzitter van den Gultuurbond, aan het bestuur der V.v.A.i.D. uitgebracht rapport omtrent zijne op 7 Dec. 1.1. met den Minister van Koloniën gehouden besprekingen aangaande de A.R., lezen wij betreffende deze aangelegenheid het volgende„ln het ontwerp, door den Volksraad goedgekeurd stond opgenomen, dat aan den assistent één maand binnenlandsch verlof zou moeten worden toegekend terwijl de nieuwe regeling 14 dagen noemt. Ik wees er op dat b.v. de meeste suikerfabrieken één maand binnenlandsch verlof verleenen, en dat dit vooral voor bum. s Oostkust geen overbodige luxe zou zijn. Immers indien de verlofganger eens buiten Sumatra Oostk. zou willen gaan, b.v. naar Java, zou 14 dagen onvoldoende zijn. Ik had nog wel meer redenen kunnen aanvoeren maar het argument vóór de wijziging was, dat de assistenten zelf int algemeen 14 dagen genoeg achten. Gewezen werd op een rapport vaneen commissie van assistenten (het door de V.v.A.i.D. uitgebrachte advies aan de Kegeering), welk rapport in De Planter van 22 Sept. 1917 en 20 Oct. 1917 te vinden is. Tegen dit argument kon ik weinig inbrengen. Alleen merkte ik op, dat de suikeremployees er zeer zeker anders over denken . De Minister heeft zich dus beroepen op het indertiid door d’en Assistentenbond uitgebrachte advies, ’t Valt te begrijpen, dat men met een advies van die zijde terdege rekening houdt, wanneer het is in het voordeel der werkgevers, zooals in casu. Opgemerkt moet echter woorden, dat in ,het concept, hetwelk der Vakvereniging ter beoordeeling werd voorgelegd in 1917, geen sprake was vaneen maand, maar slechts van 14 dagen verlof per jaar.

                Een tweede wijziging betreft de vrije dagen per maand. Het concept legde den werkgever de verplichting op, inde overeenkomst vast te leggen het aantal vrije dagen per maand, dat minstens vier moest bedragen, waarvan twee Zondagen. Het Kon. Besl. verplicht den werkgever thans de dagen der maand (minstens vier en waarvan twee Zondaggen) vast te stellen inde overeenkomst; er moeten dus data of met name genoemde weekdagen worden vastgelegd, waarbij eene verwisseling, met inachtname van twee vrije Zondagen, slechts is toegestaan wanneer er gewichtige redenen voor aangevoerd kunnen worden. Wij vermoeden, dat de werkgevers deze vrije-dagenaangelegenheid voorloopig, d.w.z. zoo lang den koelies slechts twee vrije dagen per maand blijven toegestaan, zullen regelen als volgt: dele en de 16e van elke maand worden vrije dagen voor alle assistenten der onderne – ming; de eene helft dier assistenten kan bovendien den lsten en 3den Zondag, de andere helft den 2den en 4d’en Zondag der maand als vrije dagen beschouwen. De complicaties, welke het samenvallen vaneen Zondag en een hari besar nu en dan zullen veroorzaken, zijn wel te overkomen. Voorts luidt de nieuwe bepaling: ~De werkgever is bevoegd, in geval van dringende redenen, andere vrije dagen in dezelfde maand aan te wijzen”, dat wil dus zeggen, indien de werkgever zich precies aan het minimum houdt: twee andere Zondagen. Oorspronkelijk was de bedoeling, de uitdrukking „in geval van dringende redenen” weg te laten, en in stede daarvan te bepalen: „De werkgever is steeds bevoegd ’. Blijkens het rapport van den heer Janssen, heeft deze den Minister weten te overtuigen, dat de thans gebezigde uitdrukking eenigen waarborg tegen willekeur verschafte, en derhalve te prefereeren was boven het woordje „steeds” inden voorzin. Enfin, waar inde definitieve regeling het concept- minimum voor de vrije dagen is teruggebracht van vier op twee, behoeven de assistenten, vooral thans nu door inkrimping van personeel hun taak verzwaard is, niet op een overschrijding van dat minimum te rekenen. Inde Indische cultures schijnt een wekelijksche rustdag tot de onbereikbaarheden te behooren.

                Een derde wijziging, ditmaal ten gunste van de assistenten, is gelegen inde nieuwe bepaling, dat een assistent, die in het zesde jaar wordt ontslagen zonder geldige redenen, of die ontslag neemt om geldige redenen, of het contract laat ontbinden wegens gewichtige redenen, recht heeft op de uitbetaling vaneen in evenredigheid met den diensttijd zijnde geldsom, bedoeld als schadeloosstelling wegens het feit, dat hij niet inde gelegenheid is, zijn na zes dienstjaren verschijnend recht op verlof te bemachtigen. De heer Janssen schrijft daarover het volgende: „Ik wees er op, dat een onrechtmatig ontslag ook wel eens te wijten is aan een a.s. buitenlandsch verlof, waarop anders aanspraak ontstaat. Het is bekend, dat sommige werkgevers zich niet ontzien, het ontslagmiddel toe te passen om aan de nakoming der verlofcondities te ontkomen. De Minister begreep dat. Na een lange discussie over de wijze, waarop daarin zou zijn te voorzien, en welke discussie geen definitief resultaat opleverde, gaf de Minister nochtans de nadrukkelijke verzekering, dat deze kwestie zijn volle aandacht had en dat hij alsnog zou nagaan, wat er te dier zake gedaan kon worden’’. Uit de daareven gemelde wijziging of liever aanvulling van de verlofsbepalingen heeft men gezien, hoe de Minister zijne belofte is nagekomen. Naar aanleiding vaneen onderhoud, dat de Gouverneur onlangs heeft gehad met het Dag. Bestuur bij welke gelegenheid ook de A.R. is ter sprake gekomen, heeft ZEHG. het bestuur eenige dagen geleden de vraag doen stellen, of het niet wenschelijk ware, tot d’en Gouverneur-Generaal het verzoek te richten, namens de V.v.A.i.D., om eenige verbeteringen inde A. R. aan te brengen, geboden als die waren als gevolg van de omstandigheid, dat dein 1916 of 1917 ontworpen regeling voornoemd, thans, nu wij vier a vijf jaar verder zijn, verouderd is te achten wat sommige er in voorkomende punten aangaat. Ofschoon het Bestuur den Gouverneur uiteraard’ zeer erkentelijk is voor diens aldus betoonde belangstelling, en het er zich dan ook van verzekerd houdt, dat van die zijde eventueel op steun zou kunnen rekenen, heeft het

                nochtans gemeend, aan den gegeven wenk geen gevolg te moeten geven. Gelet toch op de reeds opgedane ervaringen ter zake, is de kans zeer groot te achten, dat een dergelijk tot de G. G. te richten rekest voorloopig tot resultaat zou hebben, dat de invoering der A. R. wederom op de lange baan werd geschoven; voor onbepaalden tijd zou worden uitgesteld. De wijzigings- en verbeterings-voorstellen zouden niet onwaarschijnlijk wederom den geheelen lijdensweg, door de A. R. reeds doorloopen, moeten afleggen. En intusschen zouden de assistenten, na nu reeds vijf jaren hunne werknemerszielen in lijdzaamheid te te hebben bezeten, alsmaar verstoken blijven van de rechtspositie, welke de, overigens natuurlijk voor verbetering vatbare, A. R. hun kan verschaffen. Om maar niet te gewagen van de ontstemming, die ten dergelijk verloop van zaken, lees: inde hana gewerkt uitstel van invoering, zou verwekken inde kringen der cultuur-employé’s op Java, waar men verlangend uitziet naar het „antecedent”, naar de een fait accompli geworden A. R., die de voorlooper zal zijn vaneen gelijksoortige arbeidsregeling voor de cultuurgeëmplo yeerden aldaar. Neen, voorloopig is hoofdzaak: de spoedige inwerkingtreding van de door de Kroon goedgekeurde regeling. Naar verbetering van derzelver inhoud kan dan, eventueel in samenwerking met de cultuurbonden op Java, nog altijd wel gestreefd worden. Naar dan voorts uit de door Aneta verspreide berichten blijkt, is de schadeloosstelling, verschuldigd wegens de eenzijdige verbreking vaneen voor onbepaalden tijd aangegaan dienstverband, genivelleerd, voor beide partijen gelijk gemaakt en vastgesteld op een bedrag, overeenkomende met 4 maanden salaris van den assistent. In het Indische, naar de regeering in Holland opgezonden ontwerp was deze aangelegenheid aldus geregeld : De assistent was in dat geval verplicht eene schadeloosstelling te betalen van 3 maanden salaris, d’e werkgever: van 4 maanden salaris. Om de waarheid te zeggen, lijdt de ordonnantie op het punt van de regeling der schadeloosstellingen bij ontslag zonder dringende redenen, niet aan overduidelijkheid, en zou het bij invoering der A. R., dan ook ten zeerste gewenscht zijn, dat de Directeur van Justitie de betreffende bepalingen vaneen duidelijke toelichting voorzag.

                De omstandigheid’, dat aanstellingen voor onbepaalden duur onderhevig zijn aan het minimum van één jaar, doet met betrekking tot de schadeloosstelling, uitte keeren wegens wederrechtelijk ontslag of idem ontslagname tijdens dat eerste jaar, allerlei vragen stellen, 1 erwijl een en ander nog ingewikkelder wordt tengevolge van het feit, dat er een proeftijd bedongen kan worden. Enfin, naar verluidt, is de uitte keeren schadeloosstelling genivelleerd, nl. voor beide partijen gelijk gesteld. De Minister van Koloniën heeft gemeend daartoe te moeten overgaan, omdat ook de Nederlandsche wet op de arbeidsovereenkomst zulk een gelijkheid als basis neemt, De Indische regeering dacht daar, blijkens haar concept, anders over. Zij redeneerde oorspronkelijk: ~Voor den assistent is een bedrag van het salaris voor den tijd van drie maanden voldoende hoog. De schadeloosstelling voor den werkgever is gesteld op het salaris van den assistent voor den tijd vaneen jaar. Aldus zal worden voorkomen, dat de ontslagen assistent een armoedig bestaan inde kampong lijdt, in afwachting, dat hij wederom een betrekking vindt, hetgeen hem niet altijd even gemakkelijk zal vallen, indien de werkgever de overeenkomst ontbonden heeft. Ter voorkoming, dat de werkgever al te lichtvaardig daartoe overgaat, moet de door hem te betalen schadeloosstelling eenigszins groot zijn.” En toen inden Volksraad, tijdens de behandeling aldaar van de A. R., de heers Jacob tegen bovengemelde schadevergoeding-regeling in oppositie kwam, diende de Directeur van Justitie hem als volgt van repliek : ~Mijnheer de Voorzitter, dan zou ik er even op willen wijzen, dat de regeling speciaal gemaakt is om d’e assistenten te hulp te komen, die vooral in dit opzicht de zwakkeren zijn. Men vergete niet, dat, welke boete men ook aan de ondernemingen moge opleggen, d’ie toch betaald wordt uit de algemeene kas. Daar heeft de administrateur niet de minste last van, terwijl voor den assistent de boete uit zijn schraal gevulde eigen zak moet komen. Dat is wel dégelijk zwaarder te dragen. Al mag het medelijden niet den doorslag geven, een dergelijk medelijden zal de wetgeving zeker niet misstaan.

                Wat de schadeloosstelling betreft, die ten behoeve van den assistent moet worden vastgesteld, die mag, dunkt mij, niet minder bedragen dan ljaar traktement. Het bedrag van 3 maanden bezoldiging voor den assistent is in verhouding veel zwaarder dan het bedrag van 6 maanden (door den heer ’s Jacob voorgesteld’). Dit is dus wel degelijk een factor, die zonder onbillijkheid door den werkgever in aanmerking genomen mag worden. Ik zou dus willen voorstellen, het bedrag in art. 13 genoemd, te behouden. Ik had, bij het samenstellen der ordonnantie, niets op het oog dan het belang van de zaak zelf en handelde alleen op grond van de overtuiging, dat het mijn plicht was de partij der economisch zwakkere assistenten met kracht te verdedigen tegen den oneindig sterkeren on~ der nemer”. Naar men weet, is het Indische concept ten slotte toch gewijzigd in zooverre, dat de werkgever niet één jaar, maar 4 maanden salaris diende te betalen bij onrechtmatig ontslag, gegeven aan een assistent, aangenomen voor onbepaald’en duur. En thans is de schadeloosstelling, door den assistent te betalen, welke op 3 maanden salaris was gesteld, gebracht op 4 mnd. salaris. Volgens den Minister gaat het dus klaarblijkelijk even goed vaneen stad als vaneen dorp. ★ Voorts is bekend gesteld, dat onder de dringende redenen voor een werkgever om tot ontslag zonder schadeloosstelling te kunnen overgaan, is opgenomen: het bekend maken van technische bijzonderheden aangaande zijn bedrijf, welke geheim behooren te blijven. Daar kan o.i. geen bezwaar tegen bestaan, waarmede wij bedoelen te zeggen, dat er vaneen dringende reden van dien aard weinig gebruik gemaakt zal kunnen worden, om de heel eenvoudige reden, dat er op de cultuurondernemingen hier, op een enkele uitzondering misschien na, niets te verbergen valt op technisch gebied. Tenzij men tot bedoeld technisch gebied mocht rekenen te behooren: de diverse ontduikingen van de koelie-ordonnantie en d’e vele foefjes, te baat genomen om de Arbeidsinspectie een rad voor de toch al verre van alziende oogen te draaien! In welk geval de onderhavige aanvulling van de A. R. haar doel voorbij gestreefd zou zijn !

                De voornaamste wijzigingen en aanvullingen der A. R. zijn hiermede gememoreerd’. Verdere beschouwingen kunnen beter achterwege blijven tot genoemde arbeidswet inde praktijk aan den tand is gevoeld. Aldus De Planter van 7 April 1921, * Inwerkingtreding nog niet afgekondigd; onder w ij 1 diende de A. V. R. O. S. bij de Regeering een bezwaarschrift in tegen invoering der A. R. onder de toen heerschende malais e-o mstandigheden. ~Naar verluidt, zoo meldde D(? Planter van 25 Mei 1921 —” heeft het A. V. R. O. S.-bestuur een bezwaarschrift ingediend tegen de invoering der A. R. onder de huidige omstandigheden. Verscheidene werkgevers inde rubber en thee zouden, naar het heette, huiverig zijn zich in deze tijden van malaise ongewenschte verplichtingen op den hals te halen door op de A. R. gebaseerde arbeidsovereenkomsten met assistenten aan te gaan. Wij attendeeren er echter op, dat art. 17 aan werkgevers. die aan den rand van insolventie gekomen zijn, de mogelijkheid opent de overeenkomst wegens die reden te doen ontbinden door den rechter. Deze laatste zal dan echter bewij ze n vergen, en geen genoegen nemen met de circulaires vol jerimiades, welke den assistenten thans onder den neus zijn geduwd en waaruit zij het geloof moeten putten, dat de Maatschappij het hoofd slechts boven water kan houden dooreen deel kunner te ontslaan en een ander deel hunner op het salaris te beknibbelen. De ordonnantie is echter voldoende soepel ten deze. zoodat evengemelde bezwaren dan ook niet ontvankelijk behoeven te worden verklaard 0.i.”

                W aar blijft de A. R.? Een motie door de Federatie uitgebracht. Op de Algemeene jaarvergadering van de Federatie, gehouden den Oden en 14den September 1921 te Soerabaia werd de volgende, door de V.v.A.i.D. voorgestelde, motie met algemeene stemmen aangenomen. „De jaarvergadering van de Federatie enz., overwegende, dat de Assistentenregeling ter O. K. v. S., na een ontwerp-stadium van ongeveer vijf jaar duur te hebben doorgemaakt, den 21 sten Mei 1.1. is afgekondigd; dat bij die gelegenheid een datum van in werking treden niet is vastgesteld; dat de Regeering inde Volksraadsvergadering van 20 Juni 1.1. over het tijdstip van invoering van de Assistentenregeling geïnterpelleerd, bij monde van den directeur van justitie geantwoord heeft, dat ongeveer medio Augustus 1921 een beslissing zou zijn genomen op de door betrokken werkgevers-vereenigingen ingediende bezwaarschriften terzake, en dat in elk geval de invoering der Assistentenregeling binnenkort zou plaats vinden; dat thans, nu wij ongeveer medio September schrijven, nog steeds niets naders omtrent de inwerkingtreding der Assistentenregeling bekend is; dat van bevoegde zijde de mededeeling is geworden, dat de Assistentenregeling het Departement van Justitie heeft verlaten en het wachten slechts is op het beslissende woord van den gouverneur-generaal; dat het uitblijven van diens beslissing, na dein den Volksraad gegeven verzekeringen voornoemd, groote verwondering en teleurstelling baart, temeer omdat de invoering der Assistentenregeling urgenter dan ooit is te achten, met het oog op de inkrimping en de bezuinigingen, welke de cultures ter O. K. v. S. te aanschouwen geven en waarbij gezegde bezuingingen dikwijls a tort et a travers wordt doorgedreven; besluit Z. Exc. den G.G. met aandrang te verzoeken, de onmiddelijke inwerkingtreding der A. R. te gelasten, en voorts deze motie telegrafisch ter kennisse van den G.G. te brengen”.

                De Regeering verklaart de oorzaken van vertraging inde afkondiging. „Inde Memorie van Antwoord der Regeering op het Volksraadsverslag betreffende de aanvullingsbegrooting 1922” zoo schreef De Planter van 1 Dec. 1921 – „staat het volgende vermeld, dat valt op te vatten als eene verdediging van de Regeering op dein den laatsten tijd aan haar adres gelanceerde, in allerlei vormen gegoten beschuldigingen van de invoering der Assistentenregeling met opzet op de lange baan te schuiven: „De invoering van de Assistentenregeling heeft vertraging ondervonden, doordat eerst een onderzoek moest worden ingesteld nopens de vraag, of de van planterszijde ingebrachte bezwaren tegen de invoering dier regeling met het oog op de malaise al dan niet gegrond waren. Het voormeld onderzoek is thans afgeloopen. Daar inde Assistentenregeling geen overgangsbepalingen welke bepalingen niet noodig worden bevonden voorkomen, moet aan de werkgevers voldoende tijd worden gegeven om de overeenkomsten, bedoeld in artikel 1 der Assistentenregeling, samen te stellen, zoo noodig na voorafgaand overleg met de directies in Europa. Op grond van deze overweging kon de Assistentenregeling bezwaarlijk reeds dadelijk worden ingevoerd, d.w.z. het tijdstip van invoering kon nu reeds worden vastgesteld, doch moest om voormelde reden zoodanig gekozen zijn, dat vanaf de dagteekening van het betrekkelijk Gouvernementsbesluit tot het tijdstip van invoering eenige maanden verloopen. De Regeering heeft thans beslist, dat de invoering van de Assistentenregeling moet plaats vinden op 1 Maart 1922”. De toestand van onzekerheid is thans dus opgeheven. De assistenten van Sumatra’s Oostkust valt de eer en, in vele opzichten, het geluk te beurt, de eersten van de Europeesche werknemers in Ned.-Indië te zijn, die de voor hen als zoodanig geldende arbeidsverhoudingen wettelijk geregeld zullen bevinden vanaf den lsten Maart 1922.

                Dit feit, op zichzelf beschouwd, is eene felicitatie waard. Het aandeel, dat de V.v.A.i.D. inde totstandkoming van deze sociale wet heeft gehad, is den ouderen bondsleden bekend genoeg. En waar wij nog niet zoo heel lang geleden, nl. medio vorige jaar, er ten gerieve van de jongere leden eene uiteenzetting van gegeven hebben in dit orgaan, meenen wij thans het opnieuw oprakélen en verhalen der vóór en wordingsgeschiedenis achterwege te kunnen laten. Zooals met de meeste wetten, eene materie als de onderhavige regelende, het geval is, zal ook de A.R. inde praktijk ongetwijfeld de noodige leemten blijken te bezitten. De ontwerpers, die uit den aard der zaak getracht hebben om, rekening houdende met de mate van inmenging in arbeidsvoorwaarden, welke de Regeering zich tot taak meent te mogen stellen, de regeling zoo volledig mogelijk te doen zijn, zullen van hunne onfeilbaarheid ten deze al evenmin overtuigd zijn als wij. Waarmede in zooveel woorden gewaarschuwd is onzerzijds tegen al te hoog gespannen verwachtingen van den kant der assistenten. En wat de werkgevers betreft het zal alle belanghebbenden en belangstellenden zeker verbazend benieuwen, of zij, die werkgevers, zich met breed gebaar inde nieuwe verhoudingen zullen schikken, of dat zij, voor zoover daartoe in staat, op kleinzielige manier hunne eventueele ontstemming zullen demonstreeren inde torning van eens verkregen rechten. Mogen die werkgevers alsdan echter bedenken, dat een dergelijke gedragslijn het beste pleidooi vormt voor. . . . scherpere arbeidswetten!” Conctracten in strijd met geest en bedoeling der A. R. opgesteld; ontduikingen, etc. Legio waren de gevallen, in De Planter becommentarieerd, waarbij assistenten-contracten werden opgesteld in strijd met de considerans van de verschillende bepalingen der A.R. In zijn jaarverslag over de Vereenigingswerkzaamhed’en 1921, memoreerde de secr.-penn.-red. er het volgende van :

                „In November j.1., toen de datum van inwerkingtreding was vastgesteld, heeft het Hoofd der Arbeidsinspectie ons bestuur in d’e gelegenheid gesteld de ordonnantie door hem te hooren toelichten. De werkgevers, wien diezelfde toelichtingen wel verstrekt zullen zijn, hebben zich. voor een groot deel hunner, daaraan niet bovenmatig gestoord’; en zij hebben de nieuwe arbeidsovereenkomsten dan ook niet in alle opzichten conform geest en bedoeling der A. R. opgesteld, integendeel, waar d’e gelegenheid er toe bestond of vermeend werd te bestaan, getracht de bepalingen buiten werking te stellen, te ontduiken of zoo eng mogelijk op te vatten. Het door ons bestuur tot den Directeur van Justitie gerichte verzoek om ineen of anderen vorm in te grijpen, is door dezen niet ingewilligd. Zoodat dan ook d’e weg van rechten ingeslagen zal moeten worden, teneinde uitte doen maken, in hoeverre de eenzijdige interpretatie der A. R. door verschillende werkgevers, toelaatbaar is te achten”. Voorstel tot overleg door de werkgeversorganisaties afgewezen. Vastgelegd zij nog, aldus het jaarverslag voornoemd dat, toen ons bestuur zich, met betrekking tot de opmaking der nieuwe assistenten-contracten, tot de beide Plantersorganisaties wendde, het van de A.V.R.O.S. te hooren kreeg, dat deze inde onmogelijkheid verkeerde tot het plegen van onderling overleg (nl. teneinde daardoor het ontstaan van kwesties op 1 Maart zooveel mogelijk te voorkomen), en het van de D. P. V. ten antwoord ontving, dat er tot overleg geen aanleiding werd geacht te bestaan. Voor gelijktijdige invoering in Atjeh en Tapanoeli gepleit; Gememoreerd zij nog ten slotte, zoo vervolgde het jaarverslag dat de A. R. alsnog niet voor Atjeh en Tapanoeli is ingevoerd; hetgeen zich niet goed tesamen rijmt met de verklaring, afgelegd’ door den Dir. v. Justitie inden Volksraad, dat aan een gelijktijdige

                invoering der A. R. ook in die gewesten, geen bezwaren verbonden waren. Inden loop van het vorige jaar (1921) heeft ons bestuur den G. G. schriftelijk aan evengenoemde verklaring herinnerd. ★ Over al te vrije interpretaties en diverse ontduikingen. ~Als ik Volksraad s-1 i d was ” dan zou ik onlangs, toen tijdens een der zittingen van het College, het Hoofdstuk „Justitie” aan de orde was, als volgt gesproken hebben: (aldus stelde Dingemans in De Planter van 7 Juli 1922 zijn nogal sterk gepeperde imitatierede op, welke we hieronder, merkwaardigheidshalve, in haar geheel memoreeren). Mijnheer de Voorzitter! Nu de spreekbeurt aan mij is, wensch ik de mij daarbij toegemeten minuten te benutten om de noodige mededeelingen te doen en opmerkingen te maken omtrent de toepassing van de op 1 Maart 1.1. in werking getreden „Assistentenregeling ter Oostkust van Sumatra”, die vrijwel te beschouwen is als de eerste gespecialiseerde wetgeving voor Europeesche werknemers zij het ook slechts een deel hunner in Ned.-Indië. Voor een goed begrip van zaken acht ik het gewenscht eenige stappen terug te doen in het verleden, en zoodoende in herinnering te brengen, dat de A.R. haar aanschijn te danken heeft aan dein 1916 door de regeering mgeziene noodzaak, om den assistenten, die voortdurend blootstaan aan van contractkoeliezijde gepleegde geweldadigheden, welke soms, en vooral eenige jaren geleden, haar diepere oorzaak vonden en vinden in economisch wanbeleid der betrokken ondernemingsbeheerders, zooveel mogelijk bestaanszekerheid te verschaffen en hen zoo weinig mogelijk afhankelijk te doen zijn van de willekeur hunner werkgevers. Inde „Algemeene Beschouwingen”, welke van de hand van den ontwerper, het in 1917 verschenen eerste concept der A.R., vergezelden, staat dan ook te lezen’

                „Het verschaffen aan de assistenten van die zoo groot mogelijke bestaanszekerheid is het doel dezer regeling, en het behoeft derhalve geen nadere toelichting, dat en waarom bij de samenstelling daarvan steeds in het oog is gehouden de vraag: op welke wijze de rechtstoestand van den assistent zoodanig kan worden geregeld, dat de handelingsvrijheid van dezen niet voortdurend beperkt wordt door de vrees, uit de betrekking te worden ontslagen, waardoor hij, mede in verband met de concurrentie op de arbeidsmarkt, vaak gedurende langen tijd niet op behoorlijke wijze genoegzame middelen van bestaan kan verkrijgen”. Mijnheer de Voorzitter, voor mijne inleiding meen ik te kunnen volstaan met deze, het doel d’er A.R., ten duidelijkste omschrijvende aanhaling, welke ik, om straks nader zullende blijken redenen het nood’ig achtte hier even te releveeren. En ik kan thans dus overgaan tot eene bespreking van hetgeen de praktijk reeds heeft geleerd omtrent d’e tekortkomingen der bewuste ordonnantie, die ihet den werkgevers mogelijk hebben gemaakt, hare bedoelingen, als even gememoreerd, in verscheidene opzichten te ontduiken en dus niet tot haar recht te doen komen. Om te beginnen zou ik kunnen wijzen op het feit, dat de Regeering in gebreke is gebleven, de noodige overgangsbepalingen in ’t leven te roepen en zoodoende te voorkomen, dat de invoering der A.R. voor de assistenten in zekeren zin een strop, in stede vaneen verbetering zou worden. Ik doel hier op d’e omstandigheid, dat den meesten assistenten hunne dienstbetrekking zes weken vóór 1 Maart 1.1. is opgezegd geworden, en dat dus de betrokken werkgevers op 1 Maart 1.1., toen de nieuwe overeenkomsten gesloten werden, zich beschouwden te staan tegenover gloednieuwe assistenten, wier uit den duur vaneen vorig dienstverband voortspruitende aanspraken op ’t punt van verlof, salaris, tantième-gerechtigdheid, pensioen, kapitaals-uitkeering e.d., niet in aanmerking genomen behoefden te worden bij ‘t aangaan van de nieuwe contracten. » Terwijl voorts d’ie overgangsbepalingen duidelijk kleur hadden dienen te bekennen ten opzichte van de bestaande contracten van bepaalden duur, welke op 1 Maart 1,1. nog niet geëxpireerd waren.

                Evenwel, ik zal tot die grief omtrent het niet bestaan van overgangsbepalingen maar verder het zwijgen doen, omdat de gevolgen van de betreffende nalatigheid’ eensdeels gelukkig van weinig of geen beteekenis zijn geweest, anderdeels thans al weer bijna tot het verleden behooren, terwijl bovendien het becritiseeren van gedane zaken, welke nu eenmaal geen keer nemen, van niet veel practisch nut is. Ik kom nu dus tot de van meer actueel belang zijnde feiten met betrekking tot de uitvoering der A. R. En ik wensch daarbij allereerst melding te maken van de omstandigheid, dat ongeveer de helft van alle ter Sumatra’s Oostkust werkzame assistenten op 1 Maart 1.1. quasi vrijwillig, maar inderdaad noodgedwongen, contracten van onbepaalden duur hebben geteekend, waarin gestipuleerd is geworden, dat de eerste vijf maanden van het voorgeschreven minimum-aanvangsjaar als proeftijd worden beschouwd, met alle aan die situatie verbonden rechteloosheid op ’t gebied der bestaanszekerheid. Dat dit strijdig is met de bedoeling der A. R. behoeft, na hetgeen ik daaromtrent in mijne korte inleiding in herinnering bracht, wel niet nader betoogd. Het gedurende vijf maanden ineen in zekeren zin rechtelooze positie brengen van honderden ervaren assistenten, die terecht hadden mogen verwachten hun rechtstoestand onmidd’elijk verbeterd te zien bij invoering der wettelijke regeling, verdraagt zich te eenenmale niet met geest en opzet van deze laatste. Waar ieder normaal denkend, slechts oppervlakkig met de ordonnantie en haar voorgeschiedenis op de hoogte zijnd wezen dit kan begrijpen, zijnde niet als imbeciel aan te merken werkgevers die zich aan de bewuste bedoeling-verkrachting schuldig maken, rechtuit te betichten van opzettelijke, kleinzielige, bonafide chefs onwaardige tegenwerking, dewelke men met een vreemd woord „sabotage” gelieft te noemen. Dit vooropstellende, is het meer dan treurig (ten opzichte van die werkgevers) te ervaren, dat zij niet eens den moed bezitten om hunne tegenwerking te erkennen als zoodanig, maar dat zij zich integendeel op kwajongensachtige manier verschuilen achter de bewoordingen der betreffende bepalingen inde A. R., die h.i. toch zoodanig zijn, dat niets hun belet en dat hun dus het recht verleend wordt om op een proeftijd te

                reëngageeren assistenten, die reeds jaren en jaren, tot twintig en meer oogsttijden toe, in hun dienst geweest zijn. ~Kwajongensachtig ’, betitelde ik dit. mijnheer de voorzitter. Want inderdaad’, men denkt bij dit alles aan spitsvondige logica van den straatjongen die, omdat hij aan een lantaarnpaal geen bordje met „verboden in te klimmen” vastgehechTziet, voorwendt daaruit het recht te mogen putten om den paal te beklimmen en het licht uitte draaien! Met het oog op een en ander is het dus wel zaak om de A. R. te herzien of liever aan te vullen met eene bepaling, die het den werkgever onmogelijk maakt, zich verder aan de geïncrimineerde praktijken te buiten te gaan. Want daar bestaat kans op voor alle assistenten, die sinds 1 Maart 1.1. nog niet aan een proeftijd onderworpen zijn geweest, onverschillig of zij zich overigens al jaren in d’ienst van den betrokken werkgever hebben bevonden. Ik stap nu over naar een ander punt, mijnheer de voorzitter, eene handeling betreffende, die met „ontduiking” bestempeld dient te worden. In bijna alle contracten slechts dat der Holl. Amerik. PI. Mij. maakt tot op zekere hoogte een gunstige uitzondering is gestipuleerd, dat de assistent in de maand (en), volgende op die waarin hij ziek geworden is, slechts een deel van zijn salaris ontvangt, (twee derde, drie kwart, de helft). Zulks is in strijd met art. 6 der A.R., dat getracht heeft tot uiting te brengen de bedoeling, den assistent geen geldelijk nadeel van zijne ziekte te doen ondervinden, noch inden vorm van bijdrage zijnerzijds inde kosten van medische hulp, medicijnen en verpleging, noch in dien van eene salariskorting. Voor deze opvatting pleit bovendien de omstandigheid, dat tegen een te zwaren wissel ten deze op de edelmoedigheid, de humaniteit en de beurs van den werkgever, voorzien is door art. 11 lid 2 sub 4 der A.R., waarin vermeld is, dat eene ziekte (van den assistent) van langer dan vier maanden, een reden tot verbreking van de overeenkomst kan opleveren voor den werkgever, tenzij de ziekte het gevolg is van de uitoefening van zijn beroep door den assistent. Zooals gezegd, de bedoeling van art. 6 der A.R. laat aan duidelijkheid weinig of niets te wenschen over. En

                de werkgevers, die tegen dat artikel het hoofd stootten, hebben dus eene ontduiking trachten te bewerkstelligen door inde salarisregeling eene bepaling op te nemen, welke den assistent het voordeel, hem bij art. 6 toegekend, ontneemt. Als curiosum dient vermeld, dat een Maatschappij recht door zee is gegaan ten deze. De Maatschappij tot Mijn-, Bosch- en Landbouw-exploitatie in Langkat heeft nl. met sublieme negatie van artikel 6 eenvoudig gestipuleerd, dat de assistent bij opname in het hospitaal zijne voeding zelf moet bekostigen. Zulks ondanks het feit, dat het Hoofd van den Dienst der Arbeidsinspectie zich. tijdens zijn bezoek aan Deli in. November vorige jaar, bij zijne in opdracht der regeering gegeven toelichtingen op de A.R. duidelijk uitgesproken heeft, dat onder vrije verpleging ook vrije voeding moest worden verstaan. Enfin, van laatsgenoemde Maatschappij is een en ander een onschuldig experiment te achten. Onschuldig daarom, wijl art. 6 nietig verklaart elk beding, waarbij de verplichting des werkgevers tot het verstrekken van vrije verpleging (en dus ook voeding) zou worden uitgesloten of beperkt. Minder onschuldig is echter de gesignaleerde houding der overige werkgevers. En waar het nog te bezien staat of de rechter, bij voorkomende gelegenheid in het geval gekend en via een civiel proces tot het doen vaneen uitspraak geroepen, deze moreel ongetwijfeld als eene ontduiking te betitelen handeling der werkgevers ook juridisch als zoodanig aanmerken, ontoelaatbaar achten en deswegen nietig verklaren zal, daar zou het, met het oog op die onzekerheid, dan ook aanbeveling verdienen, de A.R. dusdanig te herzien, dat bedoele ontduiking van art. 6 onmogelijk gemaakt wordt in meer directen zin en langs meer directen weg. Mijnheer de Voorzitter, nu ik toch bezig ben het chapitre ~ontduikingen” te behandelen, zal ik de onder dat hoofdstuk te boeken gedragingen der werkgevers maar eerst geheel afwerken. „Ontduikingen”, zeg ik, zonder mij daarbij te storen aan het frenetiek hoofdschudden van mijn mede-lid, den heer Mr. Buffart, die over die door mij gekozen benaming van de op het gebied der A.R. gepleegde onregelmatigheden allesbehalve gesticht schijnt.

                Een ~ontduiking” is m.i. toch te noemen het feit, dat enkele werkgevers zich niet hebben ontzien om hunne assistenten afstand te laten doen vaneen deel van het inde artikelen 14 en 15 der A.R. bepaalde. In die artikelen staat te lezen, dat, wanneer de verbreking van het dienstverband onder zekere in die artikelen opgenoemde omstandigheden plaats vindt, de gedupeerde partij het recht bezit om, buiten en behalve dein art. 13 A.R. bedoelde schadeloosstelling, in rechten vergoeding te eischen voor de haar eventueel berokkende meerdere schade. Aanpezien nu die art. 14 en 15 niet dwingend gesteld zijn, hebben enkele werkgevers de zeer zeker niet inde bedoeling van den wetgever gelegen hebbende vrijheid genomen om inde overeenkomsten eene bepaling op te nemen, die als volgt luidt: ~Partijen derogeeren in zooverre aan de art. 14 en 15 der A R., dat inde daarbij genoemde gevallen dein art. 10 er. 13 dier A.R. bepaalde schadeloosstelling steeds geacht wordt voldoende vergoeding te zijn voor de geheele aan den assistent berokkende schade”. Tusschen twee haakjes vestig ik er de aandacht op, dat de werkgever hier den assistent afstand laat doen van zekere, hem bij de A.R. toegekende rechten, terwijl hij, die werkgever zelf, het recht, hem inde bewuste artikelen toegekend, onaangetast laat. Van gelijke monikken, gelijke kappen gesproken ! Enfin, naar ik vernomen heb, verdedigt de werkgever deze zijne geste met de stelling, dat, wijl de art. 14 en 15 niet dwingend gesteld zijn door den wetgever, deze daarmede heeft willen te kennen geven, dat partijen de volle vrijheid bezitten om die artikelen geheel of ten deele uitte schakelen. Dit alles is nu misschien heel schoon en waar in theorie, en het zou het ook zijn inde praktijk wanneer het betrof twee gelijkwaardige, volkomen teqen elkaar opgewassen partijen, die, na onderling overleg, met onderling goedvinden besloten, de vermelde artikelen geheel of gedeeltelijk buiten werking te stellen. Maar, mijnheer de voorzitter, van twee dergelijke partijen is hier geen sprake. Ware dit laatste wel zoo, dan zou de heele A.R. min of meer als overbodig zijn te beschouwen; zou in elk geval de Regeering zich wel

                de moeite bespaard hebben om wettelijken steun te verschaffen aan eene partij, die krachtig en mans genoeg geacht kon worden om zichzelve op het gebied der arbeidsverhoudingen een bevredigende rechtspositie te scheppen. Ik ben dan ook geneigd te veronderstellen, dat de wetgever deze ontduiking noem het voor mijn part ~uitschakeling”, maar voor d’en assistent dan toch gedwongen uitschakeling der genoemde artikelen niet voorzien heeft en daarom in gebreke is gebleven die artikelen dwingend te stellen. Bij eene eventueele herziening der A.R. zou met de thans opgedane ervaring dus gemakkelijk rekening zijn te houden. Mijnheer de Voorzitter, ik zal thans overgaan tot de vermelding vaneen andere serie grieven, die ik met „verkeerde’ tendentieuze interpretatie van enkele bepalingen der A.R.”, zou kunnen betitelen. In dit verband valt dan allereerst op te merken, dat de werkgevers, die zich aan den proeftijdmaatregel bezondigd hebben, de vijf proefmaanden deel doen uitmaken van het minimum-jaar waarvoor de overeenkomst gesloten is krachtens het in art. 2 lid 1 der A.R. vaorgeschrevene omtrent overeenkomtsen van onbepaalder. duur. De betreffelijke bestaanszekerheid, welke het klaarblijkelijk de bedoeling is geweest in èlk geval te verzekeren voor den tijd van één jaar, als een begin, wordt daardoor gereduceerd in zooverre, dat ze zich slechts uitstrekt overeen periode van zeven in stede van twaalf maanden. Gelijk reeds opgemerkt en dooreen ieder, die zijn vijf alle deugdelijk onder appel heeft, begrepen zal worden, kan dit niet de bedoeling zijn geweest. En waar nu de proeftijd niet op ordentelijke manier is toegepast op alleen die assistenten, met wier capaciteiten, vakkennis en geschiktheid de werkgever nog geen gelegenheid had gekregen kennis te maken; waar integendeel die proeftijd op groote schaal is opgedrongen aan daarvoor eigenlijk niet in aanmerking komende assistenten, daar komt dit misbruik ineen nog ongunstiger licht te staan, nu blijkt, dat men dien moreel als onrechtmatig te beschouwen proeftijd-en-masse ook nog benut om afbreuk te doen aan het minimum-aanvangsjaar van den contracttijd.

                Dit laatste zij slechts eritre parenthèses opgemerkt; want het gaat hier natuurlijk om het principe, en niet om de mate, waarin misbruik is gemaakt vaneen tendentieuzen uitleg der bepalingen door de werkgevers. Ik zal op dit punt niet verder ingaan en mij slechts bepalen tot het signaleeren van de betreffende houding der werkgevers, voor wie het noblesse oblige al heel vaagjes bestaat, omdat er in lang niet alle opzichten van noblesse te hunnen aanzien sprake is. En het kan niet worden ontkend, dat lid 1 en lid 4 van art. 2 der A.R., met elkaar in verband bezien, met wat kwaden wil eenige ruimte laten voor de onderwerpelijke opvatting der werkgevers, wier gestes ten deze dan ook allen lof verdienen, wanneer beschouwd als demonstratie van de wijdte der ordonnantie-mazen ! Intusscheen hoop ik, mijnheer de voorzitter, dat deze aangelegeheid de volle aandacht der Regeering zal hebben. Een tweede geval van averechtsche interpretatie is voorloopig slechts in embreyo aanwezig te achten, aangezien het nog niet ineen actualiteits-stadium is gekomen. Het betreft de bij voorkomende gelegenheid waarschijnlijk in praktijk te brengen opvatting van in elk geval de tabakswerkgevers, om aan assistenten, die inden loop van het eerste minimum-jaar (bij contracten van onbepaalden duur) onrechtmatig ontslagen worden, slechts vier maanden salaris uitte betalen, -—■ dan wel die assistenten tusschentijds met vier maanden op te zeggen (met „tusschentijds” is bedoeld: vanaf den aanvang van den contracttijd tot aan de negende maand der minimum-jaar-overeenkomst). Deze veronderstelling omtrent de bedoeling der genoemde werkgevers grond ik op eene publicatie van den Secretaris der Deli Planters Vereeniging, in welke brochure n.l. met kunst- en vliegwerk is uiteengezet, dat niets den werkgevers belet om te handelen in bovengemelden zin. Alweer: als demonstratie van de soepelheid van enkele bepalingen der A.R. heeft die openbaar gemaakte zienswijze der werkgevers zijn nut en verdienste. Want, tenzij de Secretaris der D.P.V. de ontwerpers der A.R. als niet goed snik, stapelidioot en rijp voor ’t krankzinnigenhuis beschouwt, behoeft hij aan de

                voorgezeten hebbende bedoeling, nl. de eventueele schadeloosstelling en opzeggingstermijn in het eerste minimum-jaar te schoeien op de leest der idem contracten van bepaalden duur, niet te twijfelen. Waaruit dus zonder meer valt te concludeeren:— het met betrekking tot de A.R. bestaan bij genoemde zijde van ~der Geist der stets vcreint”. Intusscheen, mijnheer de voorzitter, kan de Regeering, die verwacht mag worden er op gesteld te zijn, de door haar gefabriceerde wetten niet averechts te zien geïnterpreteerd, met een en ander haar voordeel doen Ik zal thans een beurt geven aan de zeer ernstige grief, welke bestaat over de totaal onvoldoende wijze, waarop alle werkgevers met uitzondering van die var enkele Japansche ondernemingen hebben gemeend te mogen voldoen aan het voorschrift neergelegd m art. 4 lid 1 sub 6 der A.R. Dat voorschrift behelst de verplichting, aan den werkgever opgelegd, om in het contract de plaatste vermelden in of buiten Ned.-Indië, waarheen de assistent na normale beëindiging van zijn contract, of bij onrechtmatige verbreking van de oveeenkomst zijdens den werkgever, met zijn gezin en lijf-goederen op kosten van den werkgever moet worden overgevoerd. Behoudens de genoemde uitzondering, staat in alle overige contracten als die plaats vermeld: óf ~Medan” óf ~het dichtst bij de standplaats gelegen tramof spoorstation”. Het behoeft wel nauwelijks betoog, dat de wetgever niet de bedoeling heeft gehad om den assistent en zijn eventueel gezin plus een paar koffers onder de aangegeven omstandigheden uitsluitend het vrij vervoer per kretta seu>a of desnoods per ossenkar(l) ter verzekeren naar het naastbijzijnde station. Het zou waarlijk wat dwaas, want der moeite eigenlijk niet waard geweest zijn om de besparing (voor den assistent) van enkele guldens, en misschien wel dubbeltjes, gewichtiglijk te ordonneeren en te garandeeren middels een artikel inde A.R. De bedoeling is dan ook selbstverstanlich geweest, deze aangelegenheid niet op de gemelde wijze en gros op een koopje door den werkgever te doen regelen, maar door hem met ieder zijner assistenten afzonder-

                lijk, en daarbij dan de noodige billijkheid te betrachten mei het oog op diverse omstandigheden van localen aard, als plaats van herkomst, van engagement, etc. Ook de tot nog toe door vele der grootere werkgevers gehuldigde usance vloekt tegen de nieuwe contractbepaling, voornoemd. En in onmiddelijk verband daarmede kan het zijn nut hebben om hier te vermelden, dat de meeste overeenkomsten een slot-clausule bezitten van den volgenden inhoud: „De assistent kan terzake van de bij de voorgaande artikelen geregelde onderwerpen (dus ook het hier behandelde) noch op grond van plaatselijk gebruik, noch op grond van billijkheid, aanspraak maken op meerdere of andere rechten en voordeelen, dan hem bij die artikalen uitdrukkelijk zijn toegekend”. Men kan met den klomp voelen, dat het aangehaald contract-artikel een misschien welgeslaagde poging belichaamt, om den assistent eventueel de kans te benemen, zich naar aanleiding van dein zijne overeenkomst op onvoldoende, duveldoodjesachtige manier geregelde terugzendingskwestie te beroepen op de usance. Enfin, keer ik thans, na de pour besoin de la cause gepleegde afdwaling, terug naar het onderwerpelijke artikel der A.R . Uit het feit, dat dit spreekt van de plaats in of buiten Ned.-Indië”, blijkt voor ieder bona[ide~ve rstaander reeds voldoende, dat de wetgever geen uniforme regeling met als pièce de resistance „Medan” of „het naaste spoorstation” op het oog heeft gehad, De werkgevers heb ik hooren beweren, dat het „buiten Ned.-Indië” tot zijn recht komt inde contracten, dooreen daarin eveneens opgenomen bepaling, welke voorziet inde eventueele terugzending van den in Europa, in het algemeen buiten Ned.-Indië vertoevenden assistent naar het spoorstation, dat het dichtst bij zijn verblijfplaats in Europa, of elders buiten Ned.-Indië, gelegen is! Stel U voor, mijnheer de voorzitter, dat de wetgever op de nonsensicale gedachte was gekomen, om er per A.R. voor te waken, dat een b.v. met verlof in Europa vertoevend assistent, die daar ontslagen wordt, gelegen-

                heid krijgt om met zijn koffer, en eventueel zijn vrouw en kroost, op kosten van zijn hem eruit bonjourenden werkgever een toertje (per tram) te maken, van, laten we zeggen: de Kalverstraat naar het Centraal-station te Amsterdam! Men moet wel dubbelgebeid mesjogge zijn, om den wetgever van dergelijke fratsen te durven verdenken. En ik kan de bovengereleveerde, naar de advocatuur-voorvuile-zaken riekende spitsvondigheid der werkgevers dan ook verder buiten beschouwing laten en dus onaangevochten mijne opinie handhaven, dat de uitdrukking „buiten Ned.-Indië zich niet verdraagt met de thans uniform gepleegde, hier gehekelde contractbepaling. Ook het gebezigde woord „overvoeren”, waarbij ae klembtoon natuurlijk op „over” gelegd moet worden, mijnheer de voorzitter, en dat alsdan gemeenlijk gebruikt wordt ter aanduiding van het transport over water, wijst er op, dat dein contractvorm gegoten opvatting der werkgevers er glad naast is en niet beantwoord aan het doel. dat de wetgever zich voor oogen gesteld heeft. Ik wensch hier nog aan toe te voegen, dat, voor zoo ver tot nog toe is gebleken, verschillende werkgevers de soep ten deze niet zoo heet hebben doen eten, als ze in de overeenkomsten is opgediend. Verschillende gedurende den proeftijd wegens inkrimping ontslagen assistenten zijn door hem op hun kosten naar Europa teruggezonden, – onergevoerd! Maar: de A.R. heeft juist ten doel gehad, de rechtsverhoudingen der betrokken partijen afdoende te regelen en met name den assistent zoo weinig mogelijk van gunsten afhankelijk te doen zijn. En vanuit dat oogpunt beschouwd, kan de houding der werkgevers, waar die in de praktijk koninklijker blijkt te zijn dan de papieren bepalingen zouden doen vermoeden, aprés tout geen algeheele voldoening verschaffen en blijft het daarom zaak, de A.R. ook op dit punt zoodanig te herzien, dat de bedoeling des wetgevers volkomen tot haar recht moet worden gebracht door de werkgevers. Ziedaar, Mijnheer de Voorzitter, de voornaamste grieven met betrekking tot de uitvoering der Assistentenregeling. Ze betreffen ontduikingen van zoowel de letter als de bedoelingen der ordonnantie. Waar ik voorts de aandacht meen gevestigd te hebben op enkele leemten m deze nieuwe wetgeving, zou ik de daaromtrent gedane mededeeling nog willen aanvullen met het volgende:

                Verschillende werkgevers hebben zich, blijkens de gesloten arbeidsovereenkomsten, niet geheel aan een of meerder voorschriften van lid 1 van art. 4 der A.R. gehouden en zijn dus, gelet op art. 19 der ordonnantie, in overtreding. Eene vervolging van die overtreders is tot nog toe achterwege moeten blijven, aangezien de Officier van Justitie verklaarde niet bevoegd te zijn, de bewijsstukken, de geteekende contracten, van de overtredende werkgevers op te eischen; terwijl de betrokken assistenten, zoolang ze in dienst zijn, niet genegen blijken om een zich eventueel in hun bezit bevindend geteekend contract als bewijsstuk in het geding te brengen, bevreesd als zij zijn Voor de wraak daarover van de zijde des werkgevers. Enkele ontslagen assistenten, die, wijl de malaise in de cultures hun zoo goed als geen kans cp een nieuwe betrekking bood, het gewest vaarwel zegden en dus niets te verliezen hadden, bleken niet de beschikking te hebben overeen door beide partijen geteekend exemplaar van het contract en konden dus al evenmin meewerken tot het instellen van eene vervolging en het langs dien weg scheppen vaneen jurisprudentie inzake de materie der A.R. Waar het op zich zelf reeds een m.i. niet te tolereeren abnormaliteit is, dat van twee partijen, die een (arbeids) overeenkomst aangaan, slechts één harer en nog wel de economisch krachtige, de beschikking heeft over het bewijsstuk inzake de verbintenis; waar bovendien een dergelijke tegen alle regels der kunst vloekenden toestand de hierboven gereleveerde stagnatie inde rechtsbedeeling (ook met betrekking tot een civiele procedure) kan ten gevolge hebben, daar zou het zeer zeker aanbeveling verdienen, inde A.R. eene bepaling te doen opnemen, waarbij de werkgever zich de verplichting ziet opgelegd, aan den assistent eender in duplo op te maken, aan de gestelde eischen voldoende overeenkomsten, ter hand te stellen. En voorts zou het, met oog op de wel te begrijpen vrees van assistenten om, zoolang ze in dienst zijn, de bewijsstukken te fourneeren voor een tegen den werkgever in te stellen vervolging wegens overtreding, ongetwijfeld wenschelijk zijn om een of meer ambtenaren te belasten met het toezicht op de naleving van die bepalingen der A.R., waarop, bij overtreding, boete is gesteld krachtens art. 19 der ordonnantie.

                Mijnheer de Voorzitter, er is nog iets, waarop ik, als leek op juridisch gebied, slechts de aandacht wensch te vestigen, zonder mij daarbij in positieven zin pro of contra uitte laten. Naar aanleiding vaneen recent feit, heeft zich de vraag opgeworpen, of het nut van het voorschrift om de overeenkomsten bij notarieele of onderhandsche acte te sluiten, wel opweegt tegen bezwaren, welke aan dien maatregel verbonden zijn. Het door mij bedoelde geval zal den gerezen twijfel nader belichten en illustreeren. Er is ter Oostkust dan eene Maatschappij, die thans genegen is eene bepaling inde op 1 Maart 1.1. met haar ondernemingspersoneel gesloten onderhandsche contracten te wijzigen ten gerieve van dat personeel. Om dit te kunnen bewerkstelligen, zal die Maatschappij, naar ik verneem, eene uitgave moeten doen van ongeveer ƒ 1200. aan transport-, legalisatie- en andere kosten. Van de heele ceremonie van 1 Maart 1.1. zal toch een reprise gegeven moeten worden, alle betrokken assistenten en ’t zijn er heel wat zullen naar het niet direct op de naaste stoep zijnde magistraatskantoor getransporteerd moeten worden, om daar in tegenwoordigheid van een ambtenaar de, eene betrekkelijk geringe wijziging ondergaan hebbende, opnieuw gedrukte contracten te teekenen. Dit nu lijkt mij, waar het hier eene verbetering voor die assistenten betreft, onbillijk, terwijl het voorts in ’t algemeen niet bevorderlijk is aan des werkgevers bereidwilligheid te dezen opzichte. Dat is dus een niet te onderschatten bezwaar. Bij het nagaan van hetgeen gewoonlijk worden geacht de voordeelen van den maatregel te zijn, moet ten eerste opgemerkt, dat tot nog toe bij procedures geen moeilijkheden werden ondervonden van de omstandigheid, dat de vóór 1 Maart gesloten arbeidsovereenkomsten zonder de bij de A.R. thans gevergde formaliteiten waren tot stand gekomen. Ten tweede, dat de ambtenaren, die tegenwoordig zijn bij het sluiten der contracten en deze mede onderteekenen, uitsluitend als getuige optreden, en zich overigens, omdat zij er zich niet toe bevoegd weten, totaal niet bemoeien met de vraag, of de inhoud dier contracten in alle opzichten voldoet aan de voorschriften der A. R.

                Ten derde, dat de werkgever, die de arbeidsovereenkomsten in ongunstigen zin wil wijzigen, daartoe misschien (wanneer het kleinigheden betreft) met het oog op den formaliteiten-rompslomp minder spoedig zal overgaan dan het geval zou zijn indien die eenigszins kostbare formaliteiten niet in acht genomen behoefden te worden. Ziedaar, mijnheer de voorzitter, de pro- en contraoverwegingen ten aanzien van deze aangelegenheid opgesomd, voor zoover ik kan nagaan, volledig. Ik matig mij, gelijk gezegd, geen positief eind-oordeel er over aan. Mijn doel was slechts de aandacht van de regeering op deze kwestie te vestigen. Mijnheer de Voorzitter, mocht de regeering er toe besluiten om, op grond van de aan ’t licht getreden gebreken der A.R., deze te herzien, d.w.z. aan te vullen en te wijzigen, dan spreek ik de hoop uit, dat eenige indertijd bij het ontwerpen der ordonnantie over het hoofd geziene punten, als daar zijnde militie-kwestie, zekere werkgeverssteun aan de weduwen van overleden assistenten, vrije passage bij Europeesch verlof, een onderkomen inde verbeterde regeling zullen vinden. Ik heb gezegd! Dingemans. * De A. R. wordt gewijzigd en aangevuld. Vervolgens werd er, naar aanleiding van hetgeen t.a.v. de A.R. de praktijk en de besprekingen inden Volksraad van dein de praktijk opgedane ervaringen hadden opgeleverd, in De Planter van 28 Aug. 1932 een lijstje gepubliceerd van de punten die bij den herzieningsarbeid onder de oogen dienden te worden gezien. In Mei 1923 ontving het V.v.A.i.D.-bestuur van den Gouverneur der O.v.S. een van de Regeering ingekomen ontwerp-wijzigingen A.R., met de uitnoodiging om onze inzichten terzake zoo spoedig mogelijk te willen mededeelen.

                De Directeur van Justitie had zich omtrent dit wijzigings-ontwerp als volgt o.m. tegenover den Gouverneur- Generaal verklaard: „Het komt mij thans, waar aan de eenen kant de onderwerpelijke wijzigingen niet gezegd kunnen worden van pricipieelen aard te zijn, terwijl aan den anderen kant formeel geen gronden zijn om dit ontwerp-Koninklijk Besluit aan den Volksraad in te dienen, niet noodig voor, dit College hierop te hooren en schijnt dit daarom thans, gelet op het spoedeischend karakter der zaak, minder gewenscht. Overigens zijnde zienswijzen van beide zijden ook inden Volksraad reeds inden breede tot uiting gekomen. Mocht Uwe Excellentie mijne zienswijze deelen, dat het thans niet noodig en wenschelijk is, den Volksraad nogmaals om advies te vragen, dan komt het mij in elk geval raadzaam voor, belanghebbende partijen nog eens terzake te hooren en heb ik daarom de eer Uwer Excellentie in overweging te geven thans allereerst het ontwerp Koninklijk Besluit met toelichting en afschrift van den onderwerpelijken brief te doen zenden om beschouwingen en raad aan den Gouverneur der O. v. S., met gelijktijdige uitnoodiging om daaromtrent ook het gevoelen van de beide Plantersvereenigingen a costi en de Vakvereeniging voor Assistenten in Deli te doen inwinnen”. Met uitzondering vaneen tweetal punten, bleek in het ontwerp Kon. Besluit het verlanglijstje van De Planter (d’d. 28 Augustus 1922) vrijwel op den voet gevolgd te zijn. Het ging om de artikelen 1 (geen notarieele akte meer noodig), 2 verbetering van de „proeftijd’-redactie) 4. (betere waarborgen van het recht op vrijen overtocht bij ontslag en onder „regeling” te verstaan „behoorlijke regeling”), en 19 (straf-bepaling). De toelichtingen van den Dir. van Justitie op de voornaamste wijzigingen, als in dit ontwerp-Kon.- Besluit vervat, waren de volgende: Het is gebleken dat uit artikel 2 der Assistentenregeling de gevolgtrekking wordt gemaakt, dat

                de proeftijd, bedoeld in het 4d’e en sde lid van dit artikel, deel mag uitmaken van den minimumtermijn van 1 jaar, aangeduid in het Iste lid en verder, dat de overeenkomsten voor onbepaalden tijd wel voor den minimum-duur van 1 jaar, met inbegrip van den proeftijd, moeten worden aangegaan, doch dat door eene opzegging, als bedoeld in het 3de lid van artikel. 2, deze overeenkomst ook kan eindigen binnen het evenbedoeld eerste jaar. Vorengemelde gevolgtrekkingen zijn klaarblijkelijk onjuist. In het eerste lid van artikel 2 staat duidelijk vermeld, dat de overeenkomsten voor onbepaalden tijd slechts gesloten kunnen worden „met inachtneming van dezen minimum-termijn (d.i. de termijn van 1 jaar). Deze restrictie zou geen zin hebben, wanneer partijen de overeenkomsten van onbepaalden tijd vóór afloop van het eerste jaar door opzegging konden doen eindigen. Evenmin wanneer door middel van den proeftijd het eerste jaar kon worden aangetast. De bedoeling is in elk geval geweest om den assistent gedurende een bepaalde minimum-periode bestaanszekerheid te geven. Deze periode heeft de Assistentenregeling willen vaststellen op 1 jaar. Welke soort overeenkomst de assistent ook sluit (voor bepaalden of voor onbepaalden tijd) hem moet derhalve deze zekerheid gedurende 1 jaar gewaarborgd blijven, behoudens natuurlijk de gevallen bedoeld inde artikelen 10, 11 en 12. Ter voorkoming van verdere moeilijkheden ten deze zijn mitsdien het Iste en 3de lid van artikel 2 verduidelijkt, zooals in het ontwerp is aangegeven, terwijl, instede van den proeftijd ingevolge de thans geldende regeling te doen beschouwen als een beding inde overeenkomst, in het ontwerp (zie het 4de lid van art. 2) bepaald is, dat voor de nieuwelingen de definitieve overeenkomst kan worden voorafgegaan dooreen voorloopige overeenkomst voor een proeftijd, welke overeenkomst mede schriftelijk moet worden aangegaan; zij laat overigens partijen ten aanzien der te treffen bedingen vrij, waartegen in verband met het karakter eener proef, geen overwegende bezwaren kunnen zijn.

                Alleen dusdoende wordt het tevens mogelijk, op behoorlijke wijze te waken (zie het sd’e lid, tweede volzin) voor de belangen der assistenten, die bij de latere inwerkingtreding der Assistenten-regeling in eenig ander gewest, reeds in dienst van den werkgever zijn, en wel in dezen zin, dat niet meer met de reeds in dienst zijnden, middels opzegging der oude overeenkomsten tegen den dag van inwerkingtreding, nieuwe overeenkomsten, met nieuwen proeftijd kunnen worden aangegaan. In dat opzicht behoort voortaan de regeling, al stelt zij verzwaarde eischen aan de rechtsverhouding tusschen ondernemer en assistent, met de voor hare inwerkingtreding bestaande contractueele banden vollediger rekening te houden dan de huidige regeling doet. In denzelfden gedachtengang behoort dan echter ook bij de berekening van den minimum-termijn vaneen jaar der onbepaald’enduur-contracten, bedoeld in het Iste lid, de vroegere duur vaneen tijdens de inwerkingtreding der A.R. nog loopende overeenkomst, mede te tellen; vandaar de aanvulling van dit eerste lid’ met een nieuwen volzin, welke maatregel van nut is voor die gewesten, waar de Assistentenregeling nog moet worden ingevoerd. Er is hier niet gesproken van „assistent”, die reeds in dienst van den werkgever is, maar van „partij(en)”, aangezien eerst na inwerkingtreding van de Assistentenregeling de definitie van „assistent”, bedoeld in artikel 3 sub b, wettelijke beteekenis heeft en alle kwesties omtrent de toepasselijkheid op personen, die met bijzondere titel of benamingen zijn aangesteld, doch niettemin aan de wettelijke definitie van art. 3 sub b voldoen, behooren vermeden te worden. Het sde lid van art. 2 van het ontwerp heeft dezelfde strekking als het sde lid van hetzelfde artikel van de geldende Assistentenregeling. Deze voorschriften verschillen slechts ten aanzien van de redactie in verband met het 4de lid van art. 2 van het ontwerp. Het 6de lid van artikel 2 van het ontwerp is ongewijzigd gebleven. De bedoeling van No. 6 van het Iste lid van art. 4 is, den assistent na beëindiging van zijn contract het recht te waarboren op vrijen overtocht met zijn

                gezin naar de plaats, die voor elk bijzonder geval naar billijkheid de meest aangewezene is, hetzij eenige plaats in Indië, dan wel b.v.b., wanneer aanneming in Europa heeft plaats gehad, de plaats van geboorte, herkomst of laatste vestiging aldaar. Enkele werkgevers hebben echter de bepaling aldus uitgelegd en zij zijn er in geslaagd, van hunne assistenten de bewilliging op de dienovereeneenkomstig opgestelde overeenkomsten te verkrijgen dat altijd slechts naar een naastbijgelegen plaats aan spoor- of scheepvaart-lijn in het gewest zelf behoeft te worden overgevoerd. Hoewel deze handewijze naar de letter in verband met de bepaling van het zesde lid van dit artikel zooals het thans luidt, onaantastbaar is, is het blijkens het bovengezegde niettemin in strijd met de bedoeling van al. 1 sub 6e, zoodat een nadere voorziening hier noodig blijkt. Eene publiekrechterlijke regeling van het punt, waarin, onafhankelijk van elk contract, algemeen zou worden omschreven naar welke plaats de gewewezen assistent en zijn gezin vrijen overtocht hebben, verdient geen aanbeveling, omdat het niet wel doenlijk schijnt, een bruikbare algemeene aanwijzing te formuleeren, die de behoeften van alle bijzondere gevallen, welke aanmerkelijk uiteen kunnen loopen, dekt en tevens waakt dat de ex-assistent van de nieuwe bepaling niet zelf misbruik kan gaan maken door op grond ervan een volstrekt door zijne omstandigheden, niet gemotiveerde, dure reis op kosten van zijn voormaligen werkgever te vorderen. Soepeler regeling wordt bereikt, door voor het geval geen behoorlijke regeling is getroffen, d.w.z. eene welke bij het einde der overeenkomst beide partijen als uit hun vrije wilsovereenstemming geboren, moet bevredigen, de beslissing over de redelijke waarde van het overeengekomene in laatste instantie aan den burgerlijken rechter te laten. Dit kan worden bereikt door de alinea te doen luiden zooals ze in het ontwerp is geformuleerd. De meening bestaat, dat ingeval inde overeenkomst bedongen wordt, dat de assistent ervan afziet

                om van de onverwerpelijke bepaling gebruik te maken, de overeenkomst eene „regeling inhoudt” met betrekking tot de desbetreffende onderwerpen. Dit is niet overeenkomstig de blijkbare strekking, en om deze reden is het noodig, en voldoende ook hier tusschen de woorden „geen” en „regeling” te zetten het woord behoorlijke. * Het V.v.A.i.D.-bestuur bracht, conform de daartoe strekkende uitnoodiging, ineen uitvoerige nota zijn inzichten en beschouwingen omtrent bedoeld ontwerpbesluit ter kennisse van den Gouverneur der O.v.S. De D. P. V. en A.V.R.O.S voerden velerlei bezwaren tegen het ontwerp-besluit aan, welke ineen gemeenschappelijke nota ter kennisse der Regeering werden gebracht. * Wij z i gin g en in bedoeld ontwerp aange. bracht, echter van teleurstellenden aard. Ter behandeling in den Volksraad voorgebracht. Ofschoon de Regeering, blijkens het toen begeleidend’ schrijven van den Directeur van Justitie aan den Gouverneur-Generaal, aanvankelijk niet van zins was om de wijzigings-voorstellen inzake de A. R. te doen behandelen inden Volksraad, werd later toch besloten om genoemd College inde zaak te kennen. Uit de desbetreffende stukken moge hieronder het volgende worden vermeld’: „Reeds spoedig na inwerkingtreding van de A.R. voor Sumatra’s Oostkust aldus de inleidingstoelichting op het (gewijzigd) ontwerp Koninklijk Besluit werd van de zijde der assistenten in Deli gewezen op verschillende onvolkomenheden in deze regeling. Dit gaf o.m. het toenmalig lid van den Volksraad, den heer Cramer, aanleiding om tijdens d’e

                eerste gewone zitting van 1922 bij de Regeering aan te dringen op eene spoedige herziening en aanvulling van deze Assistentenregeling, ten einde het gemis aan overgangsbepalingen daarin op te heffen en de bedoeling van den wetgever ten aanzien van sommige artikelen te verduidelijken. Van werkgeverszijde werd toen het standpunt ten aanzien van de toepassing der A. R. uiteengezet door Mr. Buffart, uit welke rede eveneens bleek dat meerdere artikelen in deze regeling voor tweeërlei interpretatie vatbaar waren. Intusschen was reeds vóór deze bespreking in den Volksraad, door tusschenkomst van den Gouverneur van Sumatra’s Oostkust overleg gepleegd met d’e betrokken partijen in Deli nopens het gemis van overgangsbepalingen. Ook met betrekking tot de onderwerpelijke wijzigingen zijnde beide Planters-vereenigingen ter Oostkust (A.V.R.O.S. en D. P. V.) en de Vakvereeniging voor Assistenten in Deli inde gelegenheid gesteld’, terzake van haar gevoelen te doen blijken. De overgangsbepalingen, o.a. ten aanzien van den proeftijd, welke hoewel wegens het reeds verstrijken van de overgangsperiode voor Sumatra’s Oostkust, voor dit gewest van geen verder belang, niettemin aanvankelijk in het ontwerp werden opgenomen met het oog op de eventueele toepassing van de A. R. in andere gewesten, zijn bij nadere overweging weggelaten, omdat een zoodanige wijze van wetgeving technisch weinig aanbevelenswaardig schijnt. Het voorliggende ontwerp bepaalt zich derhalve tot een verduidelijking van die artikelen der A. R. zelf, zoomede het treffen van die voorzieningen, waarvan op grond der inde praktijk gebleken behoefte, wijziging geboden wordt geacht. Een artikelsgewijze opsomming van de wijzigingen en aanvullingen welke dit ontwerp bevatte, moge hier achterwege blijven, omdat uit hetgeen we hieronder memoreeren wat De Planter dd. 29 Oct. 1923 daarover schreef voldoende kan blijken waarover het terzake ging.

                Commentaar van De Planter. Ziedaar het ontwerp Kon. Besluit, (aldus De Planter voornoemd) dat inzake de wijziging A. R. aan den Volksraad voor advies zal worden voorgelegd. Laten wij nu aan de hand van het advies, in Juni 1.1. door het Bondsbestuur uitgebracht op de toen door den Directeur van Justitie ter kennisse van belanghebbende partijen gebrachte wijzigings-voorstellen, eens nagaan, in hoeverre het aan den Volksraad thans voorgelegde ontwerp reden tot verheugenis dan wel tot het tegendeel oplevert, van assistenten-standpunt beschouwd. De bovenvermelde wijziging van artikel 1 geeft na de instemming welke ons Bestuur er in zijn even bedoeld’ advies mee betuigde, geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Ten aanzien van nieuw artikel 2 staat de zaak er echter, gedeeltelijk, anders voor. Het blijkt nl„ dat uit lid 5 weggevallen is de volgende, in het oorspronkelijke wijzigings-ontwerp voorkomende bepaling: ~Partijen, die reeds gedurende vijf maanden of langer vóór de inwerkingtreding van dit besluit inden bij artikel 3 sub 8 bedoelden zin in dienstbetrekking hebben gestaan, mogen geen overeenkomst voor een proeftijd sluiten”. Deze clausule had naar men bemerkt, ten doel: te beletten dat bij invoering van de ordonnantie in andere gewesten (meermalen is door de Regeering verzekerd, dat de A.R. te gelegener tijd ook ingevoerd zal worden 1 in Atjeh en Tapanoeli), den assistenten daar bij wijze van algemeenen maatregel en dus zonder rekening te houden met den tijd, door hen reeds in dienst van den betreffenden werkgever d’oorgebracht, een proeftijd zou worden opgelegd, gelijk zulks in Maart 1922 ter O. v. S. te zien is gegeven. De supprimeering van de aangehaalde bepaling is geschied, omdat zoo is in .de bovenafgedrukte inleidende toelichting te lezen opname vaneen dergelijke overgangsbepaling technisch (op wetgevingsgebied) niet aanbevelenswaardig is

                Merkwaardigheden. Merkwaardig is het echter te constateeren, dat die laatstgemelde bewering géén opgeld schijnt te doen, waar het een ten behoeve van de werkgevers ontworpen overgangs-bepaling betreft, zooals die n.l. te vinden is inden tweeden volzin van het Iste lid van nieuw artikel 2. Lezen we daar toch: „Ten aanzien der voor onbepaald’en tijd aangegane overeenkomsten telt voor de berekening van bedoelden minimum-duur vaneen jaar mede de te voren reeds in dienst van denzelfden werkgever doorgebrachte tijd, voor zoover de nieuwe overeenkomst onmiddelijk daarbij aansluit”. De vraag doet zich hier voor: Waarom bestaan er wél „technische bezwaren tegen opname vaneen de bescherming der assistenten ten doel hebbende overgangsbepaling (inzake het misbruik maken van den proeftijd), en waarom worden dezelfde bezwaren niet als zoodanig gevoeld waar het gaat om den werkgevers een zekere onbillijkheid, uit den overgang naar den wettelijk geregelden toestand voortspruitende, te besparen?. Er wordt hier o.i. met twee maten gemeten, ten nadeele van de economisch zwakkere partij, die de A. R. juist ten doel pretendeert te hebben, bescherming te willen verleenen! Bovendien: die evenaangehaalde tweede volzin van het Iste lid’ van artikel 2 opent, naar onze meening. meer in ’t algemeen wijde perspectieven inzake de mogelijkheid om de bedoeling van lid 4 van artikel 2 te ontduiken. Immers: stel het geval dat een assistent krachtens art. 2 per voorloopige overeenkomst op proef wordt geëngageerd voor vijf maanden. Bij ommekomst van dien termijn zegt de werkgever: „Ik wil U in dienst houden en ik moet U dus om te beginnen een contract voor een jaar geven, maar, ziet U, ik mag van dat jaar aftrekken den tijd dien U, in onmidd’elijke aansluiting met het nieuwe contract, in mijn dienst hebt doorgebracht. In dit geval is dat de duur van den proeftijd, vijf maanden, en ergo krijgt U een contract voor onbepaalden tijd met een minimum van zeven maanden”. Op deze redeneering valt, de letter van den geïncrimineerden tweeden volzin in aanmerking genomen, niets af te dingen. En aangezien werkgevers in ’t alge-

                meen de hebbelijkheid hebben om zoo slim te zijn als een mensch, zullen velen hunner ongetwijfeld de door ons gelanceerde redeneering inde praktijk toepassen en aldus de betreffende bedoeling van de A. R. ongestraft aan hun laars lappen. Summa summarum komt het ons dus inconsequent en onbegrijpelijk voor, dat een oorspronkelijk ontworpen overgangsbepaling, de urgentie waarvan door de praktijk bereids is uitgewezen geworden, ten nadeele van zekere groepen assistenten geschrapt is, terwijl aan den anderen kant ten gerieve van de werkgevers eene overgangsbepaling is opgenomen, welke haar eigenlijke strekking ver voorbijstreeft en enkele bedoelingen der A. R. niet tot haar recht zal doen komen. Wij zijn nu gekomen tot de wijzigingen, in artikel 4 der ordonnantie aan te brengen. Het stemt tot voldoening, te ervaren dat, blijkens de aanvulling welke ihet 2de lid van artikel 4 heeft ondergaan, ten deze rekening is gehouden met de desbetreffende opmerking, gemaakt in het door het bondsbestuur indertijd uitgebrachtte advies. Onduidelijkheden niet opgeheven. Wat het 7de lid van artikel 4 aangaat; het oorspronkelijke wijzigings-ontwerp vergenoegde zich met het invoegen van het woord „behoorlijke”, hetgeen dat lid dan deed luiden: „De overige in het Iste lid bedoelde punten worden, voor zoover de overeenkomst geen behoorlijke regeling inhoudt, beheerscht door het plaatselijk gebruik, en bij gebreke van zoodanig gebruik, naar billijkheid door den rechter geregeld”‘. In het thans voorgelegde ontwerp is het woord „behoorlijke” (waarvan men de consequenties klaarblijkelijk niet aan durfde) weer vervallen, maar is overigens aan den eersten en eenigen volzin een tweede toegevoegd, welke op minder gevaar voor ontwrichting der samenleving opleverende wijze (!) poogt te voorzien tegen de door sommige werkgevers inde contracten gepleegde misdragingen in verband met het onderhavige lid 7. Deze toevoeging kan misschien wel van practisch nut blijken te zijn, maar wij betwijfelen intusschen of ze van eenige waarde is tegenover de clausule, welke verschillende contracten ontsiert, nl. deze:

                ~De assistent kan terzake van de bij de voorgaande (contract) artikelen geregelde onderwerpen noch op grond van plaatselijk gebruik, noch op grond van billijkheid aanspraak maken op meerdere of andere rechten en voordeelen dan hem bij die (contract) artikelen uitdrukkelijk zijn toegekend”. Bij wat nadenken zal men ons kunnen toegeven, dat de schrapping van het woord ~behoorlijke”, zooals het voorkwam in het oorspronkelijke wijzigings-voorstel, geen equivalent vindt inden nu toegevoegden tweeden volzin. Als dein lid 1 van art. 4 genoemde punten maar geregeld zijn, hoe beroerd dat (behoudens dein lid 2 gestelde minima) ook mocht zijn geschied, dan is aan de verplichting voldaan en valt er, met nieuw lid 7in de hand, niets aan te verbeteren. In onmiddellijk verband met die laatstgemaakte opmerking moet ook beschouwd worden het een groote teleurstelling opleverende feit, dat het oorspronkelijke plan om de bekende „overvoer’-aangelegenheid beter te regelen, blijkens het nieuwe ontwerp geheel van de baan is. Inde in Mei 1.1. door ons bestuur ontvangen wijzigings-voorstellen kwam lid 6 van artikel 4 als volgt geredigeerd voor: „Is geen behoorlijke regeling getroffen betreffende dé plaats, bedoeld in het eerste lid onder No. 6, dan zullen inde daar aangegeven gevallen de assistent met zijn gezin alsmede hunne lijfgoederen overgevoerd worden naar een plaats,. bij gebreke van overeenstemming tusschen partijen door den rechter naar bevind van zaken te bepalen”. Deze door ons bondsbestuur toegejuichte bepaling, die op een niet al te starre, maar integendeel voldoende soepele wijze beloofde te voorzien tegen de ergerlijke manier, waarop inde contracten gesold wordt met de bedoeling van art. 4(1) ten 6e men denke aan de uniform getroffen „naaste-spoor-en-tram-station-regeling” is toen door den Directeur van Justitie toegelicht aldus: „De bedoeling van No. 6 van het eerste lid van artikel 4 is, den assistent na beëindiging van zijn contract het recht te waarborgen op vrijen overtocht met zijn gezin naar de plaats, die voor elk bijzonder geval naar billijkheid de meest aangewezene is, hetzij eenige plaats in Indië, dan wel b.v.b., wanneer aanneming in Europa

                heeft plaats gehad, de plaats van geboorte, herkomst of laatste vestiging aldaar. Enkele werkgevers hebben echter de bepaling aldus uitgelegd en zij zijn er in geslaagd, van hunne assistenten de bewilliging op de dienovereenkomstig opgestelde overeenkomsten te verkrijgen dat altijd slechts naar een naastbijgelegen plaats aan spoor- of scheepvaartlijn in het gewest zelf behoeft te worden overgevoerd. Hoewel deze handelwijze naar de letter in verband met de bepaling van het zesde lid van dit artikel zooals het thans luidt, onaantastbaar is, is het blijkens het bovengezegde niettemin in strijd met de bedoeling van al. i sub 6e, zoodat een nadere voorziening hier noodig Eene publiekrechterlijke regeling van het punt, waarin onafhankelijk van elk contract, algemeen zou worden omschreven naar welke plaats de gewezen assistent met zijn gezin vrijen overtocht hebben, verdient geen aanbeveling, omdat het niet wel doenlijk schijnt, een bruikbare algemeene aanwijzing te formuleeren, die de behoeften van alle bijzondere gevallen, welke aanmerkelijk uiteen kunnen loopen, dekt, en tevens waakt dat de ex-assistent van de nieuwe bepaling niet zelf misbruik kan gaan maken door op grond ervan een volstrekt door zijne omstandigheden niet gemotiveerde, dure reis op kosten van zijn voormaligen werkgever te vorderen. Soepeler regeling wordt bereikt, door voor het geval geen behoorlijke regeling is getroffen, d.w.z. eene welke bij het einde der overeenkomst beide partijen als uit hun vrije wilsovereenstemming geboren, moet bevredigen, de beslissing over de redelijke waarde van het overeengekomene in laatste instantie aan den burgerlijken rechter te laten. Dit kan worden bereikt door de alinea te doen luiden zooals ze in het ontwerp is geformuleerd”. Naar aanleiding van deze ontboezemingen van den Directeur van Justitie vraagt men zich met de grootste verbazing af, waarom in het thans aan de orde zijnde ontwerp geen enkele, maar dan ook geen énkele (vide ook de schrapping van het woord „behoorlijke” in lid 7) poging meer naspeurbaar is om tegen de geincrimineerde opvattingen der werkgevers, in strijd als die opvattingen zijn met de bedoelingen van art. 4 (1) ten 6e (men zie boven, de Directeur zegt het zélf), te voorzien.

                Zooveel is zeker, dat consequentie niet verweten kan worden aan de regeerings-organen, die thans, zonder ook maar eenige opheldering te geven, nalaten om ten deze te doen, wat ze nauwelijks een half jaar geleden urgent achten. Is het niet een beetje, en niet zoo’n héél klein beetje, dwaas? Daar is openlijk, inden Volksraad en in geschriften, door den betrokken Regeeringsgemachtigde erkend, dat ten aanzien van het onderwerpelijke punt de werkgevers zich aan een onduidelijke of liever geheel onvoldoende redactie van de A.R. hebben vastgeklampt om in strijd met de bedoeling van het bewuste ordonnantie artikel te handelen. Daar is de zich voordoende en waarschijnlijk niet zoo spoedig, zoo ooit, terugkeerende gelegenheid om den wets-saboteurs, die de Regeering feitelijk een blamagefiguur hébben doen en nog stééds doen slaan, de kans te benemen om de A.R. èn de Regeering die haar ontwierp, tot een bespotting te maken. Daar is, inde eerste instantie, inderdaad door de Regeering blijk gegeven van het voornemen om op alleszins redelijke wijze gesaboteerde bedoelingen der ordonnantie tot haar recht te doen komen, ten bate van de economisch-zwakkere partij, èn tot herstel van het gezag en het prestige der Regeering-zelve. En daar blijkt waarachtig, nu puntje bij paaltje moet komen, dat de Regeering, gevoelens van eigenwaarde eenigszins ten spijt, het heele plan weer overboord gewipt heeft, zoodat de gewijzigde A.R. dan ook letterlijk niets zal veranderen aan hetgeen nu reeds herhaalde malen door de Regeering zelve als sabotage gebrandmerkt is geworden, zij het ook in meer parlementaire, maar overigens aan duidelijkheid niets te wenschen overlatende termen. * De aanvulling, ten opzichte van artikel 13 betracht, is uiteraard geheel logisch en ze voorziet inde thans bestaande onvolledigheid van dat artikel. ★ Het nieuwe derde lid van artikel 19, waarbij de ambtenaren der Arbeidsinspectie belast worden met de con-

                trole op de naleving der aangeduide ordonnantie-voorschriften, stemt tot heugenis. De heer Kerkkamp, die op dezerzijds gedaan verzoek het over deze aangelegenheid door ons bondsbestuur ingediende request aan de Regeering, inden Volksraad nader heeft bepleit, zal er ook wel met voldoening van hebben kennis genomen. Geen druppel inkt, ten behoeve van deze zaak verschreven, geen woord, er aan gewijd, behoeft als verspild te worden beschouwd. En als we voorts bedenken, dat de Deli Crt. zoo ijverig betracht heeft, het door ons inde Planter over dit controle-instituut geschrevene te ontzenuwen, wel, dan voelen we ons verplicht de redactie van dat blad thans onze welgemeende condoleanties aan te bieden, en haar troostvol te herinneren aan het gezegde: Euery dog has his day! Intusschen: voor de Regeering une bonne marqué ten deze! Ontduik i n g en b 1 ijv en m o g e 1 ij k. Het officieele wijzigings-lijstje aldus vervolgde De Planter is hiermede afgewerkt, omstandigheid die op zichzelve reeds de mededeeling msluit, dat enkele door ons bestuur in zijn uitgebracht advies te kennen gegeven desiderata, door de Regeering klaarblijkelijk niet voor inwilliging vatbaar zijn geacht. Dit laatste verwondert ons in niet geringe mate ten opzichte van voornamelijk den uitgesproken wensch om de art. H en 15 der A.R. aan te doen vullen in dien zin, dat ze van dwingend recht worden verklaard. Een kleine moeite voorwaar, en waardoor dan uit den weg zou zijn geruimd de steen des aanstoots, welke hierin bestaat, dat verscheidene werkgevers inde met hunne assistenten gesloten contracten een bepaling hebben opgenomen, die luidt: „Partijen derogeeren in zooverre aan de artikelen 14 en 15 der A.R., dat inde daarbij bedoelde gevallen de in artikel 10 dier regeling bepaalde schadeloosstelling steeds wordt geacht voldoende vergoeding te zijn voor de geheele aan den assistent berokkende schade”.

                Middels deze clausule heeft men de assistenten dus ijskoud afstand laten doen van het hun bij de art. 14 en 15 A.R. toegekende recht om in zekere ontslag-gevallen eventueel een volledige schadevergoeding te vorderen; terwijl de bewuste werkgevers een zelfde recht, hun in dezelfde artikelen 14 en 15 toegekend, wijzelijk onaangetast laten. Wat dit laatste betreft, enkele werkgevers hebben dat hun toekomende recht nog eens expresselijk onderstreept inde contracten, door daarin n.i. te bepalen: ~dat de assistent, onverminderd het bepaalde bij de art. 10 tot en met 15 der A.R., verplicht is (in zekere ontslaggevallen) aan de Maatschappij alle kosten, schade en interessen te vergoeden, welke voor haar uit de verbreking van het contract voortvloeien”. Dat er onder deze en dergelijke omstandigheden weinig overblijft van het principe „gelijke monikken, gelijke kappen”, dat de A.R. inde art. 14 en 15 tot zijn recht heeft willen doen komen, behoeft wel geen nader betoog. En daarom, nog eens, bevreemdt het ons in hooge mate, dat de Regeering niet van zins blijkt te zijn een maatregel te treffen, welke de gesignaleerde wetsverkrachting onmogelijk maakt. Door de art. 14 en 15 der A.R. van dwingend recht te verklaren, ware zulks toch al op een zeer eenvoudige wijze te bewerkstelligen. * Vaneen ander door ons Bestuur in zijn uitgebracht advies naar voren geschoven punt, is door de Regeering al evenmin notitie genomen. Het thans voorgelegde ontwerp bevat toch geen enkele voorziening tegen het feit, dat een deel van art. 6 der A.R. door zoo goed als alle werkgevers wordt ontdoken. In bijkans alle contracten is n.l. gestipuleerd, dat de assistent inde maand (en) volgende op die, waarin hij ziek geworden is, slechts een deel van zijn salaris zal ontvangen (twee derde, drie kwart, de helft). Nu heeft de Dir. v. Justitie wel bereids als zijne overtuiging te kennen gegeven, dat de rechter, eventueel in deze aangelegenheid gekend geworden via een civiele procedure, de bewuste salariskorting als een ontduiking van art. 6 A.R. verklaren en deswegen nietig verklaren zal, maar ten aanzien’van deze grauwe theorie is dezer-

                zijds reeds opgemerkt, dat, naar bereids is gebleken, assistenten, zoolang zij in dienst zijn, geen poging zullen wagen om het geïncrimineerde geval aan den rechter voor te leggen. Oppositie van den kant der gedupeerde assistenten is slechts te verwachten, wanneer zij den dienst verlaten. Hun eventueel voornemen om alsdan het hun wederrechtelijk gekort salarisbedrag terug te vorderen per civiele actie, zou dan echter wellicht stranden op art. 16 der A.R.,. waarbij bepaald is, dat elk vorderingsrecht na verloop van zes maanden vervalt. Door ons bestuur is dan ook geadviseerd om de nietnaleving van art. 6 A.R. strafbaar te stellen in art. 19. Deze oplossing zou, waar nu de Arbeidsinspectie met de controle op de naleving van dein art. 19 opgesomde artikelen staat te worden belast, in no time een einde maken aan de algemeen betrachte ontduikinq van artikel 6. Enfin, blijkens den inhoud van het ontwerp, schijnt de Regeering voor deze ei-van-Columbus-oplossing niets te voelen. * Al evenmin is rekening gehouden met hetgeen door ons Bestuur in zijn advies is te berde gebracht aangaande de wenschelijkheid om art. 4(1) sub 3 te verduidelijken. Het betreft hier de meer dan laconieke wijze waarop in verscheidene contracten uitvoering is gegeven aan het voorschrift, om er de wijze van winst-berekening in vast te leggen. En waar nu de Hooge Raad ineen over deze kwestie handelende overtredingszaak uitspraak gedaan en in ’t gelijk gesteld heeft den werkgever, die in het contract „de wijze van winstberekening” geformuleerd had in dezen vorm: dat de aandeel-houders-vergadering wel zou uitmaken hoe de winst berekend zou worden, ■— daar meende ons bestuur het thans op den weg van den wetgever gelegen, het bewuste voorschrift inde A.R. te verduidelijken en aldus beter aan het doel te doen beantwoorden. Dat doel kan toch niet geweest zijn om een wassenneus-voorschrift inde A.R. te doen paradeeren. Wat hééft de assistent aan de contractueele mededeeling, dat het winstbedrag, waaruit zijn tantième gerecruteerd moet worden, naar willekeur door de aandeel-houders-verga-

                dering zal worden berekend! Niets immers! En er#o; als het voorschrift aldus mag worden opigevat en uitgevoerd, dan had het evengoed achterwege gelaten kunnen worden. Op grond van deze redeneering mogen wij dus logischerwijze aannemen, dat de A.R. een wijdere strekking aan art. 4(1) sub 3 heeft willen toedenken. Zoociat, waar de wetgever nu blijkt niet gelukkig te zijn geweest in het tot uiting brengen van die bedoeling (getuige ‘t evenvermelde vonnis van den Hoogen Raad), verwacht had mogen worden dat de wetgever de aan de orde zijnde wijziging der A.R. aangegrepen zou hebben als een schoone gelegenheid om het bewuste voorschrift te verduidelijken, zóó, dat het geen ruimte meer kon overlaten voor een niet inde bedoeling der wet liggende interpretatie. Ook te dezer zake heeft ons bestuur, naar uit het Ontwerp Kon. Besl. blijkt, aan doovemans-deur geklopt. ♦ Gewijz ig d e A.R.afgekondigd (Kon. goedkeuring 15 April 19 24 ). In het Staatsblad van Ned. Indië van 1 Juli 1924 werden de betreffende wijzigingen afgedrukt. De Planter van 16 Juli 1924 lichtte e.e.a. als volqt toe: a Omtrent de wijziging en aanvulling van artikel 1 valt dit op te merken: Inden vorm voor de totstandkoming en dus ook voor de eventueele wijziging der arbeidsovereenkomsten is vereenvoudiging aangebracht. Tot nu moesten de bij onderhandsche acte gesloten contracten worden geteekend in tegenwoordigheid van zekere, bij de wet aangeduide ambtenaren, terwijl voorts die contracten op zegel moesten worden gesteld. Elke inde overeenkomst aan te brengen wijziging, hetzij deze ten voordeele dan wel ten nadeele van den assistent strekte, had voor hare totstandkoming denzelfden officieelen rompslomp te ondergaan.

                Het een zoowel als het ander is straks, na inwerkingtreding der gewijzigde bepalingen, niet meer noodig. De contracten kunnen op ongezegeld papier gesteld worden en vereischen slechts de handteekeningen der beide betrokken partijen, zonder meer. Den werkgever is nu echter de plicht opgelegd, den assistent een rechtsgeldig, dus door beide partijen onderteekend, afschrift van het contract kosteloos ter hand te stellen, onmiddelijk bij de totstandkoming der overeenkomst. Bij de nalatigheid ten deze; maakt de werkgever zich schuldig aan overtreding en is hij deswegen strafbaar krachtens artikel 19 der ordonnantie. Wat de wijziging en aanvulling van artikel 2 betreft: Er is thans meer duidelijk dan tot nu toe het geval was, voorgeschreven, dat de eventueel op te leggen proeftijd geen deel mag uitmaken van den minimum-termijn vaneen jaar, welke imperatief als aanvangsduur geldt voor de overeenkomsten, gesloten voor onbepaalden tijd. Wij bezigden de woorden: „meer düidelijk dan tot nu toe het geval was”, want, alhoewel de werkgevers, althans zeer velen hunner, de meening in toepassing hebben gebracht dat de oude redactie van art. 2 hun veroorloofde om den proeftijd in mindering te brengen van het aanvangs-contract-jaar, is nochtans reeds bij vonnis van den Raad van Justitie te Medan uitgemaakt, dat bedoelde meening, als in strijd met de kennelijke bedoeling der betreffende wet, niet inde praktijk gebracht mag worden. Intusschen heeft de nieuwe redactie van artikel 2 de zeer zeker wenschelijk te achten verduidelijking van de bedoeling des wetgevers aangebracht zoodat de thans voor al of niet tendentieuzen twijfel ten dezen geen plaatsmeer is. Een nieuwigheidje in het Iste lid van ’t herziene artikel 2 is, dat, bij invoering der A.R., elders, assistenten, die reeds in betrekking zijn bij den werkgever met wien zij dan een op de basis der A.R.. stoelende overeenkomst moeten sluiten, niet voor een jaar-contract (als aanvang 1 in aanmerking komen, maar dat aan dat jaar de reeds volbrachte diensttijd in mindering gebracht mag worden, tot een minimum van vier maanden echter. Aangaande de aanvullingen, welke het 2de en 7e lid van artikel 4 hebben ondergaan, valt op te merken, dat de inlassching van den tusschenzin ~de eventueele proeftijd inbegrepen”, in lid 2 is geschied op instigatie van ons

                bondsbestuur, voorzien als dit deed de mogelijkheid, dat de werkgever den eenigszins geïsoleerd staanden proeftijd niet zou willen meetellen bij de berekening van den tijd. die moet verloopen alvorens proportioneel en vol recht op verlof wordt verkregen. De aan het oorspronkelijke lid 1 toegevoegde (laatste) volzin kan, opzichzelf beschouwd, wel eens van nut blijken te zijn, maar staat in waarde en beteekenis toch verre achter bij de aanvankelijk inde bedoeling gelegen hebbende aanvulling van lid 7, nl. de plaatsing van het bijvoegelijk naamwoord „behoorlijke” vóór het woord „regeling”. Enfin, daar is indertijd al het noodige over gesputterd dezerzijds, en het heeft thans geen nut het nog eens min of meer dunnetjes over te doen. Artikel 13 is nu, wat betreft het eerste lid ervan, duidelijker geredigeerd geworden, zoodat er geen ruimte meer is voor de opvatting, dat onrechtmatige verbreking van het contract gedurende de eerste acht maanden van het minimum-aanvangsjaar, slechts verplicht tot schadeloosstelling ten bedrage van vier maanden salaris. In zoodanige gevallen moet n.l. het loon over den tijd, welke aan het bewuste jaar ontbreekt, uitgekeerd worden. Het eerste lid van nieuw artikel 19 is aangevuld in verband met de wijzigingen, die de artikelen 1 en 2 der ordonnantie hebben ondergaan. Het 3de lid is echter fonkelnieuw en geeft de Arbeidsinspectie de bevoegdheid en de opdracht, opsporingsdiensten te verrichten met betrekking tot de overtredingen van de A.R. aan te merken feiten. Zooals men weet, heeft ons bondsbestuur voor de instelling van dit controle-instituut geijverd in verschillenae vormen, per rekest, per op het wijzigings-concept in– advies, bij monde van het Volksraadslid den heer Kerkkamp, etc. Naar wij indertijd van den Gouverneur van S.O.K. vernamen, heeft ook dit gewestelijk bestuurshoofd den maatregel gunstig geadviseerd. En zoo is dan, ondanks de door Mr. Buffart er inden Volksraad met de haren bijgesleepte bezwaren en de door hem daar gepleegde tegenwerking, de opname van het onderwerpelijke 3de lid in art. 19 der A.R. door den Volksraad aangenomen.

                Latere berichten luidden, dat de Ondernemersraad in Holland doende was, den Minister van Koloniën tot schrapping van dat 3de lid te bewegen en er eene andere, geheel niet aan het doel beantwoordende, bepaling voor inde plaatste doen stellen. Die pogingen van den Ondernemersraad hebben, blijkens het nu gepubliceerde Kon. Besl. tot wijziging der A.R., gefaald en hopelijk zal dus binnenkort, wanneer de gewijzigde ordonnantie in werking is getreden, de Arbeidsinspectie hare in artikel 19 der A.R. kort en bondig aangeduide taak kunnen aanvangen, gerugsteund als ze zich daarbij bovendien zal weten door ’t onlangs door den Gouverneur-Gneraal geslagen besluit, dat de strekking heeft om o.m. ook de ambtenaren van de Arb. Inspectie in staat te stellen zich de vereischte gegevens te verschaffen, benoodigd voor de Overheidsbemoeienis met de arbeidsverhoudingen in Ned.-Indië. * De A. R. ook voor de gewesten Atjeh en Tapanoeli van kracht verklaard. Nadat door de V.v.A.i.D. herhaaldelijk bij de Regeering gerequestreerd was om de A. R. ook voor de gewesten Atjeh en Tapanoeli van kracht te doen worden, werd eindelijk pas in 1926 de desbetreffende ordonnantie voor genoemde gewesten afgekondigd. * Van Bondswege geëntameerde processen. Talrijk waren de van Bondswege geëntameerde processen inzake de interpretatie van verschillende bepalingen der A.R. Deze zouden een lijvig hoofdstuk op zichzelf kunnn vormen en de terzake verkregen jurisprudentie is voor de assistenten van zéér groot belang geweest, omdat deze, mét hetgeen De Planter onophoudelijk bleef signaleeren wat er t.a.v. de nakoming van diverse bepaling aan ongerechtigs bleef gebeuren, grootelijks geleid heeft tot nieuwe wets-wijzigingen en -aanvullingen.

                Nieuwe wet s-w ij z igingen en aanvulli’ng en. Ter behandeling inde voorjaarszitting 1931, bood de Regeering den Volksraad een ontwerp-ordonnantie tot wijziging en aanvulling der A.R. aan, waaromtrent onze vereeniging reeds herhaaldelijk had aangedrongen. Aan de Algemeene Toelichting der Reg’eering t.a.v. bedoeld ontwerp moge hieronder het volgende worden ontleend: De voorgestelde herziening van de Assistenten-regeling is inde eerste plaats noodzakelijk geworden door het verband dat bestaat tusschen die regeling en de op 1 Januari 1927 in werking getreden nieuwe bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende arbeidsovereenkomsten. Bij de behandeling van de algemeene regeling der arbeidsovereenkomst inden Volksraad kwam dit verband ter sprake en is toegezegd, dat nader zou worden nagegaan welke wijzigingen de assistenten-regeling met het oog daarop nog zou moeten ondergaan. Gebleken is, dat geen omvangrijke herziening noodig is De Assistenten-regeling gaat uit van dezelfde beginselen als de algemeene regeling van het Burgerlijk Wetboek. In bijzonderheden wordt van de regels van het Burgerlijk Wetboek op menig punt afgeweken. Men vergelijke bij voorbeeld de bepalingen der Assistentenïegeling betreffende het aangaan van de overeenkomst, de vrije dagen en den opzeggingstermijn met de overeenkomstige bepalingen van het Burgerlijk Wktboek. A 1 die afwijkingen, gegrond als zij zijn op het bij zond ere karakter der dienstbetrekking tusschen werkgever en assistent moeten gehandn a a f d b 1 ij v en. Een ander verschil van meer algemeen’en aard: de beteekenis van het woord „loon”, waaronder in het Burgerlijk Wetboek elke contraprestatie van dente verrichten arbeid, inde Assistentenregeling alleen geldloon wordt begrepen, kan eveneens blijven bestaan. Op een enkel punt: de termijn van artikel 16 der Assistentenregeling, is het gewenscht overeenstemming met den algemeenen regel in artikel 1603t van het Burgerlijk Wetboek aan te brengen.

                De Assistentenregeling is veel minder volledig dan de regeling van het Burgerlijk Wetboek. Overwogen is of het gewenscht zou zijnde Assistentenregeling even volledig te maken, ten einde deze dienstbetrekking aan de toepasselijkheid der algemeene regeling te onttrekken en daarop enkel de bepalingen der Assistentenregeling van toepassing te doen zijn. Van dit denkbeeld is afgezien, omdat een dubbele regeling geheel onnoodig is. Toepasselijkheid van de algemeene regeling van het Wetboek op de assistenten-overeenkomst voor zoover daarvoor bij de Assistenten-regeling geen bijzondere bepalingen zijn vastgesteld, levert geen bezwaren op. In verband met het karakter van de Assistentenregeling als lex specialis, houdende afwijkingen van het 8.W., kunnen uit eerstgenoemde regeling enkele bepalingen vervallen, die gelijkluidend zijn of zonder noodzaak verschillen van de betrekkelijke bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Dit zijnde artikelen 7 en 8 der Assistentenregeling. Artikel 9 wordt behouden om de toepasselijkheid van het bepaalde inden tweeden zin van artikel 1603k van het Burgerlijk Wetboek uitdrukkelijk uitte sluiten. Voor de regeling der schadeloosstelling in verband met het recht op verlof (het vijfde lid van artikel 4) kan voortaan gelden de algemeene regeling van het Burgerlijk Wetboek, zooals deze zal luiden na vaststelling van de ontworpen ordonnantie tot wijziging van enkele bepalingen betreffende de arbeidsovereenkomst, welke gelijktijdig met dit ontwerp wordt ingediend. Alleen dient dan bepaald te worden, dat bij toepassing van het nieuwe artikel 1603s bis de verwijzing naar artikel 1603v ver-* vangen wordt door verwijzing naar de overeenkomstige bepaling der Assistentenregeling. Ten slotte schijnt het gewenscht om inde Assistentenregeling uitdrukkelijk te bepalen, dat steeds wanneer die regeling geldt daarnaast ook de nieuwe bepalingen van het Burgerlijk Whtboek op de arbeidsovereenkomst – voorzoover daarvan niet wordt afgeweken van toepassing zullen zijn. Immers, alleen de Assistentenregeling geldt voor alle bevolkingsgroepen, de nieuwe regeling van het Burgerlijk Wetboek behoudens het bepaalde in artikel 1603 x alleen voor Europeanen. Zoo zouden zich gevallen kunnen voordoen, waarin het Burgerlijk Wetboek niet eo ipso van toepassing zou zijn op eene dienstverhouding, waarvoor wel de Assistentenregeling

                geldt. Dit wordt nu uitgesloten door het ontworpen nieuwe artikel la. Verdere verbeteringen van de Assistentenregeling. Inde tweede plaats beoogt het ontwerp om inde Assistentenregeling enkele verbeteringen aan te brengen, waarvan de wenschelijkheid gebleken is. Vooreerst wordt tegemoetgekomen aan den o.m. in den Volksraad geuiten wensch om de oms ch r ijving van het begrip „assistent” zoodanig te herzien, dat mogelijke ontduiking wordt voorkomen. De toepasselijkheid van de Assistentenregeling zou immers kunnen worden ontkend, indien tusschen beheerder en assistenten een tusschenschakel wordt ingepast inden persoon vaneen „hoofdassistent” of soortgelijken functionaris. Dit zou in strijd z ij n met de bedoeling der ordonnantie welke alle, in het dagelijksch leven met de benaming „assistenten” aangeduide personen onder de werking der ordonnantie heeft willen brengen. Een nieuwe definitie is daarom ontworpen ter voorkoming van verkeerde interpretatie, met behoud van de oorspronkelijke strekking der ordonnantie. Een ander punt, waarop het noodig is gebleken de Assistentenregeling te verbeteren, is de bestaande regeling betreffende de vrije dagen. De Regeering kan geen vrijheid vinden om thans reeds aan den wensch gehoor te geven om inde Assistentenregeling volledige Zondagsrust voor de schrijven. Dit vraagstuk heeft een algemeene zijde en eischt nog nader overleg ook met de ondernemers. Het ligt daarom inde bedoeling dit punt nader in beschouwing te nemen. In afwachting daarvan mag echter dit althans worden geëis ch t, dat de bestaande regeling, die gebiedend voorschrijft om den assistent vier vrije dagen inde maand te laten, ook werkelijk wordt nageleefd. Aan die naleving nu schijnt heel wat te ontbreken, mede als gevolg van de omstandigheid dat eene sanctie op het wetsvoorschrift ontbreekt. De burgerrechtelijke vordering, die assistenten aan het inde ordonnannantie toegekende recht kunnen ontleenen, is practisch waardeloos. Dit is een misstand, die er n-

                stig schade doet aan de gewenschte goede arbeidsverhoudingen op de ondernemingen en dus met kracht bes treden dient te worden. Daartoe zijn thans bepalingen ontworpen, die inde eerste plaats de werkgevers verplichten er voor zorg te dragen dat, behoudens in het na te noemen uitzonderingsgeval, op de wettel ij k toegekende vrije dagen ook geen arbeid wordt verricht, die voorts eene verplichte registratie van genoten vrije dagen voorschrijven en die ten slotte tegen overtreding van deze bepalingen strenge straffen bedreigen. Uitbreiding van het gebied waarvoor de Assistenten regeling geldt. Inde derde plaats strekt het ontwerp om het gebied waarvoor de Assistentenregeling geldt met een viertal gewesten op Sumatra uitte breiden. De arbeidsverhoudingen op de cultuurondernemingen in Palembang, de Lampong, Benkoelen en Sumatra’s Westkust verschillen practisch niet van die in het gebied waar de Assistententenregeling thans reeds geldt. De hoofden der genoemde gewesten, terzake geraadpleegd, hebben verklaard tegen de toepasselijkverklaring van de Assistentenregeling in die gewesten geen bezwaar te hebben. Uitbreiding van het gebied der Assistentenregeling met de vier genoemde gewesten wordt daarom wenschelijk geacht. tn verband met deze uitbreiding behoeft de bepaling betreffende domiciliekeuze (art. 18) wijziging. Enkele gewesten waar de regeling zal gelden zijn te verwijdexd van dezen zetel van den Raad van Justitie om alleen de griffie s van de raden als domicilie aan te wijzen. Dit domicilie wordt daarom alleen behouden voor gewesten binnen welke een Raad gevestigd is. Voor alle andere gewesten wordt de griffie van het residentiegerecht’ ter hoofdplaats aangewezen. Tenslotte is evenals bij de uitbreiding van de regeling tot de gewesten Atjeh en Tapanoeli (Stbl. 1928 No. 187) een overgangsbepaliig gewenscht om te voor-

                komen, dat misbruik wordt gemaakt van de bepaling betreffende het sluiten vaneen overeenkomst voor een proeftijd. * Deze nieuwe wetswijzigingen en aanvullingen zijn afgekondigd in het Staatsblad van Ned.-Indië 1931 No. 366 en 367. * * * Citaten uit eenige Regeeringsverklaring en. Het lijkt ons interessant ojn hieronder tot besluit enkele citaten uit eenige Regeeringsmededeelingen te memoreeren, (de spatieeringen zijn door ons aangebracht de R.). ¥ „Want de bedoeling van de assistentenregeling is van meet af aan geweest, door bindende overeenkomsten van langeren duur en met bepaalde door de wet omschreven duidelijke bedingen inde contracten, een maximum va’n rechtszekerheid voor het assistentencontract te scheppen”. Regeeringsgemachtigde inde Volksraadszitting 1923. * „Dezer dagen zijn wij inde gelegenheid gesteld door middel vaneen film te zien hoe de tabak groeit, hoe de tabak verscheept wordt. Dat is ons in schoone beelden voor oogen gesteld en het heeft mijn bewondering gewekt. De pakken tabak worden zelfs keurig dichtgenaaiJ en wat verder noodig is zou ik aldus willen formuleeren: – Dezelfde aandacht, die van ondernemerszijjde wordt gewijd aan de tabakseigenaardigheden, het tabakszaad, de tabaksplant en het tabaksblad, zal moeten worden gewijd aan de typisch menschelijke eigenschappen van assistenten en koelies”. Regeeringsgemachtigde inde Volksraadszitting Juli 1930.’

                „Ik heb in later tijd moeten constateeren, dat er gewesten zijn, waar het hoofd van gewestelijk bestuur een portefeuille vol heeft met klachten, die zich alleen bewegen op het gebied van de menschelijkheid van assistenten, waarmede hij echter niet voor den dag kan komen, omdat de klagers hem smeeken: maak er alstublieft niets van bekend, want wij hebben vrouw en kinderen en vreezen, dat wij anders aan den dijk zullen worden gezet”. Regeeringsgemachtiqde inde Volksraadszitting Juli 1930. * In Haar Memorie van Antwoord (Volksraad 1930/31) verklaarde de Regeering: dat aan bijzondere wettelijke voorzieningen t.b.v. de assistenten, ook na de aanvulling van het B.W. met uitvoerige bepalingen op het arbeidscontract, behoefte is blijven bestaan. Zoowel door Regeering als Volksraad werd de Assistenten-regeling voor deze groep van werknemers wenschelijk en zelfs noodzakelijk geoordeeld. Naar het oordeel der Regeering had deze lex specialis aan de daarvan gekoesterde verwachtingen beantwoord, aangezien den assistenten daardoor meerdere rechtszekerheid was gewaarborgd. De Regeering deelde de vrees niet, dat de A. R, voor de overige buitengewesten voor de werkgevers aldaar een ondragelijke last zou blijken. * „Inde eerste plaats, Meneerde Voorzitter, blijkt de urgentie bij sommige groepen in veel grootere mate te bestaan dan elders. En wat er gebeurd is en wat er thans nog gebeurt inde cultures a la barbe van het 8.W., laat geen twijfel aan de behoefte aan een lex specialis voor de planters”. Regeeringsgemachtigde inde Volksraadszitting Aug. 1933.

                DRUKKER II

                OELt COURANT

Published by

Leave a comment